Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1757

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-11-2019
Datum publicatie
13-11-2019
Zaaknummer
18/04699
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Moord op weerloze oudere vrouw (tante van aanvrager) in Bennekom in 2010, art. 289 Sr. Aangevoerd wordt dat Hof aanvrager zou hebben vrijgesproken, indien het bekend zou zijn geweest met bij aanvraag gevoegd rapport Forensisch DNA-onderzoek uit 2018. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:736 inhoudende dat een nieuw en/of gewijzigd deskundigeninzicht onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een “gegeven” ex art. 457 Sv. Aanvraag berust op de stelling dat uit het rapport blijkt dat ook broer van aanvrager niet kan worden uitgesloten als donor van een deel van het celmateriaal dat is aangetroffen op trui van slachtoffer. Enkele omstandigheid dat in theorie mogelijkheid aanwezig blijft dat er “allelen van [broer van aanvrager] met een maximum tot 31 aanwezig zijn in het mengprofiel veiliggesteld op de trui” is onvoldoende om het voor herziening vereiste ‘ernstige vermoeden’ te wekken, te meer nu rapport inhoudt dat er geen aanwijzing is voor aanwezigheid van DNA van broer van aanvrager in desbetreffend spoor. Bovendien was Hof t.t.v. de behandeling van zaak er al mee bekend dat uit DNA-onderzoek van NFI naar voren komt dat niet kan worden uitgesloten dat gevonden DNA-mengprofiel van broer van aanvrager is. Hof heeft mede naar aanleiding daarvan de mogelijkheid dat bewezenverklaard misdrijf is gepleegd door broer van aanvrager uitvoerig onderzocht, maar als onaannemelijk terzijde geschoven. Volgt afwijzing aanvraag. Vervolg op ECLI:NL:HR:2013:958.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/2563
SR-Updates.nl 2019-0415
RvdW 2019/1205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/04699 H

Datum 12 november 2019

ARREST

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 18 april 2012, nummer 21/000376-11, ingediend door B.J. de Pree, advocaat te Utrecht,

namens

[aanvrager],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de aanvrager.

1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Arnhem van 25 januari 2011 - de aanvrager in de zaak met parketnummer 05/900082-10 ter zake van 1. “moord”, 2. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd”, 3. “medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd” en 4. “belaging” en in de zaak met parketnummer 05/702992-10 wegens “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 jaren.

2 De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 Beoordeling van de aanvraag

3.1

Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

3.2.1

Onder 1 is bewezenverklaard dat de aanvrager:

“op 20 januari 2010 te [plaats], opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] (e/v [betrokkene 3]) van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, die [slachtoffer] meerdere malen met een scherp voorwerp, in het lichaam heeft gestoken tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.”

3.2.2

Het Hof heeft omtrent het bewijs van dit feit onder meer het volgende overwogen:

“3. Biologisch contactspoor

Van de bemonstering (AABJ4503NL#3) van materiaal van de trui van het slachtoffer rondom de steekverwonding E is een autosomaal DNA-mengprofiel verkregen met daarin autosomale DNA‑kenmerken van minimaal twee personen van wie minimaal één een man is. Het hoofdprofiel kan van het slachtoffer zijn; de additionele autosomale DNA-kenmerken kunnen van verdachte zijn. Er kunnen geen statistische berekeningen worden gemaakt, dat wil zeggen dat niet gezegd kan worden hoe groot de kans is dat het materiaal afkomstig is van een ander dan verdachte. De match tussen de additionele autosomale DNA-kenmerken van de bemonstering en het autosomale DNA-profiel van verdachte vindt bevestiging in een Y-chromosomaal DNA mengprofiel dat van de bemonstering is verkregen, omdat dit overeenkomt met het Y‑chromosomale DNA-profiel van verdachte. Er kan echter niet worden uitgesloten dat het in de bemonstering gevonden Y-chromosomale DNA-mengprofiel van [betrokkene 1] is. De getuige‑deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft daarover bij de rechter-commissaris verklaard dat het gevonden Y-chromosomale DNA-profiel, gelet op de overeenkomstige allelen, sterker naar verdachte wijst (conclusie C) dan naar [betrokkene 1] (conclusie D). Bij verdachte zijn alle kenmerken op één na reproduceerbaar in het DNA-spoor terug te zien.

Ter terechtzitting in hoger beroep is de deskundige [betrokkene 2] nogmaals gehoord. Daarbij zijn drie hypothesen naast elkaar gelegd aangaande het aangetroffen autosomale DNA‑mengprofiel.

A. Het spoor is afkomstig van het slachtoffer, verdachte en een onbekende derde;

B. Het spoor is afkomstig van het slachtoffer, de broer van verdachte en een onbekende derde;

C. Het spoor is afkomstig van het slachtoffer en twee onbekende derden.

De deskundige heeft aangegeven dat de eerste hypothese vele malen waarschijnlijker is dan de andere twee, ook zonder statistische onderbouwing.
(...)

4. Vaststelling naar aanleiding van gevonden DNA-spoor

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen stelt het hof vast, dat het verkregen spoor een daderspoor kan zijn gezien de plek waar bemonsterd is, dat verdachte de donor van dit spoor kan zijn en dat er geen ander contactmoment aannemelijk is geworden waarbij verdachte dit spoor zou kunnen hebben achtergelaten, voorafgaand aan het moment van het misdrijf. Dat verdachte (één) van de donor(en) is van dit spoor, is vele malen waarschijnlijker dan dat dat afkomstig zou zijn van zijn broer en een willekeurige onbekend gebleven derde dan wel van twee onbekend gebleven personen.
(...)

9. Verklaringen verdachte en alternatieve scenario's

(...)

Een door verdachte met nadruk gepresenteerd alternatief scenario is dat zijn broer [betrokkene 1] het misdrijf heeft begaan. Verdachte heeft verzoeken gedaan om dit scenario nader te onderzoeken. Kort gezegd is aangevoerd dat er in het politieonderzoek naar dat scenario open einden zijn blijven liggen. De verzoeken zijn gericht op verder onderzoek naar die vermeende open einden. Het scenario dat broer [betrokkene 1] het tenlastegelegde heeft begaan, is naar het oordeel van het hof echter al door de politie uitgerechercheerd en redelijkerwijs uitgesloten. Het resultaat ervan heeft uit een oogpunt van opsporing geen nieuwe gezichtspunten opgeleverd over het tenlastegelegde feit, noch enig relevant aanknopingspunt voor nader onderzoek. Het onderzoek naar dit mogelijke scenario heeft geen begin van aannemelijkheid opgeleverd, zodat voor verdere recherche de noodzaak ontbreekt. Van enige aannemelijkheid van dit of een ander alternatief scenario moet immers wel blijken.

(...)

11. Conclusie en voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen

Op basis van hetgeen hiervoor is weergeven onder de punten 1 tot en met 10 in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer heeft gedood. Als bewijsmiddelen bezigt het hof de bewijsmiddelen weergegeven onder het kopje "De feiten", het biologisch contactspoor, weergegeven in paragraaf 3 hierboven, het in pararaaf 7 hierboven weergegeven telefoongesprek van 20 januari 2010 tussen verdachte en het slachtoffer waarin verdachte zegt dat hij bij het slachtoffer langs zou komen en de aanwezigheid van verdachte in de directe nabijheid van de woning van het slachtoffer rond het tijdstip van overlijden, eveneens weergegeven in paragraaf 7 hiervoor bedoeld.

Zijn overtuiging dat verdachte dit misdrijf heeft gepleegd, stoelt het hof voorts op de samenhang tussen de volgende eveneens gebezigde bewijsmiddelen en verdachtes proceshouding:

- de beschreven bewijsmiddelen waaruit blijkt dat verdachte in financiële nood verkeerde;

- de beschreven bewijsmiddelen waaruit blijkt dat verdachte in de contacten met zijn familie (en hun omgeving) in de periode voorafgaand aan het feit, geweld en geweldsgerelateerd optreden bepaald niet schuwde;

- de beschreven bewijsmiddelen die verdachte plaatsen in de onmiddellijke nabijheid van de plaats delict op het tijdstip van overlijden;

- de beschreven bewijsmiddelen waaruit blijkt van zeer recent contact tussen verdachte en het slachtoffer kort voor het overlijden, waarbij het afgeven van documenten van verdachte bij het slachtoffer aan de orde was;

- de beschreven bewijsmiddelen betreffende de vondst van een biologisch contactspoor met DNA-match met verdachte in de hiervoor onder 3 beschreven betekenis;

- de beschreven kennelijk leugenachtige verklaring van verdachte 'over de door hem gedragen kleding op de dag van het delict.”

3.3.1

In de aanvraag wordt aangevoerd dat het ernstige vermoeden bestaat dat het Hof de aanvrager van de onder 1 bewezenverklaarde moord zou hebben vrijgesproken, indien het bekend zou zijn geweest met het bij de aanvraag gevoegde rapport Forensisch DNA‑onderzoek van 28 februari 2018.

3.3.2

Dit rapport houdt onder meer in:

“Op 2 augustus 2017 werden via IPKD koeriers de in tabel 1 genoemde monsters ontvangen.

Tabel 1: Ontvangen monsters.

Monsteromschrijving

SIN-code

Bemonstering van het voorpand van de trui van het slachtoffer.
Restant DNA-extract (± 9µl) met NFI-extractienummer: ISOS/2010/323/8.

AABJ4503NL#03

Referentiemonster bloed van [slachtoffer]
(slachtoffer), geboren op 17 november 1937.
DNA-extract met NFI-extractienummer: ISOR/2010/46/3.

AACB6407NL#01

Referentiemonster wangslijmvlies van [betrokkene 1]
(broer van veroordeelde), geboren op 23 november 1969.
DNA-extract met NFI-extractienummer: ISOR/2015/162/7.

RAAM7787NL#02

Referentiemonster wangslijmvlies van [betrokkene 3] (echtgenoot van slachtoffer), geboren op 22 augustus 1935.
DNA-extract met NFI-extractienummer: ISOR/2015/162/6.

RAAK7981NL#2

Referentiemonster wangslijmvlies van [slachtoffer] (veroordeelde), geboren op 19 april 1967.

RAAD6609NL#02

Referentiemonster wangslijmvlies van [betrokkene 4] (zoon van slachtoffer), geboren op 11 maart 1960.

RAAD6492NL#04

Vraagstellingen

[betrokkene 5] van [A] verzocht ons, uit naam van [aanvrager], op 12 april 2017 om:

1. Van bovengenoemd sporenmateriaal en referentiemateriaal indien mogelijk, met behulp van Massive Parallel Sequencing (MPS) een DNA-profiel te genereren dat geschikt is voor vergelijkend DNA-onderzoek.
2. De verkregen MPS-DNA-profielen te vergelijken teneinde te bepalen of in de bemonstering van de trui wel of geen aanwijzing wordt gevonden voor de mogelijke aanwezigheid van celmateriaal van de heer [betrokkene 3] of celmateriaal van [aanvrager].
(...)
Het ontvangen materiaal, zoals beschreven in tabel 1, is tussen 28 augustus 2017 en 17 oktober 2017 door ons onderworpen aan een MP5-DNA-onderzoek. De resultaten van dit MPS‑DNA‑onderzoek worden hieronder beschreven.
(...)

Resultaten referentiepersonen

AACB6407NL#01
In bovenstaand referentiemonster werd een MPS-DNA-profiel vastgesteld, bestaande uit 22 autosomale STRs (aSTRs).
RAAM7787NL#02, RAAK7981NL#02, RAAD6609NL#02 en RAAD6492NL#4
In bovenstaande referentiemonsters werden MPS-DNA-profielen vastgesteld, bestaande uit 22 autosomale STRs (aSTRs) en 1 Y-chromosomale STR (YSTR).

Vergelijking van de referentiepersonen onderling, ter bepaling van unieke allelen
Om de MPS-DNA-profielen van de referentiepersonen zo goed mogelijk te kunnen vergelijken met het MPS-DNA-profiel van het spoor, is per referentiepersoon bepaald hoe veel unieke allelen zij bezitten. Met unieke allelen bedoelen wij allelen welke bij geen van de andere referentiepersonen worden waargenomen.

De reden voor het bepalen van unieke allelen is dat tussen de verschillende referentiepersonen sprake is van verwantschap. Verwante personen delen gemiddeld meer allelen dan niet‑verwante personen. Indien een dergelijk gedeeld allel in het spoor wordt waargenomen, kan niet worden bepaald van welke referentiepersoon deze afkomstig is. Alle personen die een dergelijk allel bezitten kunnen theoretisch de donor zijn van dat allel.

In de vergelijking met het MPS-DNA-profiel van het spoor is uiteraard gekeken naar de aan- of afwezigheid van alle allelen van iedere referentiepersoon in het DNA-profiel van het spoor, maar bij deze vergelijking is de nadruk gelegd op de unieke allelen. Hierbij is als algemene vuistregel aangehouden dat hoe meer unieke allelen van een persoon, naast zijn of haar met anderen gedeelde allelen, worden waargenomen In het MPS-DNA-profiel van het spoor, hoe kleiner de kans dat de waargenomen overeenkomst op toeval berust.
(...)

Resultaten spoor

AABJ4503NL#03
(...)
In bovenstaand spoor werd een complex MPS-DNA-mengprofiel vastgesteld, bestaande uit 22 autosomale STRs (aSTRs) en 1 Y-chromosomale STR (YSTR), afkomstig van tenminste 4 personen. Voor 1 van de 22 autosomale STRs is een aanwijzing gevonden voor de mogelijke aanwezigheid van een zeer geringe hoeveelheid DNA van een vijfde persoon.
Ter beantwoording van de op pagina 2 van dit rapport beschreven tweede vraagstelling is dit complexe MPS-DNA-mengprofiel voor alle STRs vergeleken met de MPS-DNA-profielen van de referentiepersonen RAAM7787NL#02 en RAAD6609NL#02. Bij deze vergelijking is eveneens rekening gehouden met de MPS-DNA-profielen van referentiepersonen AACB6407NL#01, RAAK7981NL#02 en RAAD6492NL#04.
(...)

Vergelijking van spoor AABJ45Q3NL#03 met referentiepersoon RAAM7787NL#02
Geen van de 5 in het MPS-DNA-profiel van persoon RAAM7787NL#02 waargenomen unieke allelen zijn waargenomen in het MPS-DNA-profiel van spoor AABJ4503NL#03. Daarnaast zijn 2 van de overige in het MPS-DNA-profiel van persoon RAAM7787NL#02 waargenomen allelen niet waargenomen in het MPS-DNA-profiel van spoor AABJ4503NL#03.
Daarom kan op grond van de resultaten van dit vergelijkend MPS-DNA-onderzoek geconcludeerd worden dat er geen aanwijzing is verkregen voor de aanwezigheid van DNA van de referentiepersoon RAAM7787NL#02 in spoor AABJ4503N#03.

Vergelijking van spoor AA BJ4503NL#03 met referentiepersoon RAAD6609NL#02
Alle 6 in het MPS-DNA-profiel van persoon RAAD6609NL#02 waargenomen unieke allelen zijn eveneens waargenomen in het MPS-DNA-profiel van spoor AABJ4503NL#03. Daarnaast zijn alle overige in het MPS-DNA-profiel van persoon RAAD6609NL#02 waargenomen allelen ook waargenomen in het MPS-DNA-profiel van spoor AABJ4503NL#03.

Daarom kan op grond van de resultaten van dit vergelijkend MPS-DNA-onderzoek geconcludeerd worden dat de referentiepersoon RAAD6609NL#02 niet kan worden uitgesloten als mogelijke donor van een deel van het in spoor AABJ4503NL#03 aanwezige celmateriaal.”

3.4

Een nieuw en/of gewijzigd deskundigeninzicht kan onder omstandigheden worden aangemerkt als een “gegeven” in de zin van art. 457 Sv en kan daardoor grond zijn voor herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak. De enkele omstandigheid dat een deskundige het bewijs anders weegt dan de rechter heeft gedaan is echter niet voldoende om het voor herziening vereiste “ernstige vermoeden” te wekken. (Vgl. HR 26 april 2016, ELI:NL:HR:2016:736.)

3.5

De aanvraag berust op de stelling dat uit het bij de aanvraag overgelegde rapport blijkt dat ook [betrokkene 1], de broer van aanvrager, niet kan worden uitgesloten als donor van een deel van het in spoor AABJ4503NL#03 aanwezige celmateriaal. Daartoe wordt, kort gezegd, aangevoerd dat het rapport weliswaar inhoudt dat de vijf unieke allelen van [betrokkene 1] niet zijn waargenomen in de desbetreffende bemonstering van de trui van het slachtoffer, maar dat “in theorie de mogelijkheid aanwezig blijft dat er allelen van [betrokkene 3] met een maximum tot 31 aanwezig zijn in het mengprofiel veiliggesteld op de trui”. Die enkele mogelijkheid is echter niet voldoende om het voor herziening vereiste ‘ernstige vermoeden’ te wekken. Dit geldt te meer nu het rapport, zoals weergegeven onder 3.3.2, inhoudt dat er geen aanwijzing is verkregen voor de aanwezigheid van DNA van de referentiepersoon RAAM7787NL#02, zijnde [betrokkene 1], in het desbetreffende spoor.
Bovendien was het Hof ten tijde van de behandeling van de zaak er al mee bekend dat uit de resultaten van het door het NFI verrichteDNA-onderzoek naar voren komt dat niet kan worden uitgesloten dat het in de bemonstering gevonden Y-chromosomale DNA‑mengprofiel van [betrokkene 1] is. Blijkens zijn hiervoor onder 3.2.2 weergegeven bewijsoverwegingen heeft het Hof mede naar aanleiding daarvan de mogelijkheid dat het ten laste van de aanvrager bewezenverklaarde misdrijf is gepleegd door [betrokkene 1] uitvoerig onderzocht, maar als onaannemelijk terzijde geschoven.

3.6

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2019.