Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1704

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-11-2019
Datum publicatie
05-11-2019
Zaaknummer
18/00111
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1128
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aanwezigheidsrecht verdachte. Afwijzing verzoek om terugwijzing naar Rb opdat verdachte gebruik kan maken van het recht op behandeling in twee feitelijke instanties. Middel over oordeel Hof dat er voor de Pr geen aanleiding bestond om de dagvaarding nietig te verklaren dan wel de zaak aan te houden. Welke inspanningsverplichting rust op de autoriteiten om te waarborgen dat verdachte op de hoogte is van een tegen hem lopende strafzaak? CAG staat stil bij de hoofdlijnen van EHRM-rechtspraak. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/00111

Datum 5 november 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 30 november 2017, nummer 21/001461-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.D. Popescu, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2019.