Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1703

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-11-2019
Datum publicatie
05-11-2019
Zaaknummer
18/00091
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:766
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Betekeningsperikelen, art. 588 Sv. Oordeel Hof dat betekening van de appeldagvaarding in persoon heeft plaatsgevonden terecht? Handtekening voor ontvangst van verdachte? CAG: Hof heeft kennisgenomen van verschillende handtekeningen van verdachte in dossier en daaruit geconcludeerd dat verdachte zich kennelijk bedient van verschillende handtekeningen. Oordeel Hof dat het geen reden heeft om te twijfelen aan de vraag of de dagvaarding in persoon is uitgereikt, zoals op de akte van uitreiking vermeld, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/00091

Datum 5 november 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 december 2017, nummer 20/002247-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.G. Cantarella, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2019.