Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:17

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
08-01-2019
Zaaknummer
17/01495
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2017:780, Niet ontvankelijk
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:29, Gevolgd
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1447
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Schriftuur tardief doordat geen mededeling betekening is ontvangen? Art. 437.2 Sv. Aanzegging in cassatie is in persoon aan verdachte uitgereikt, terwijl strafadministratie HR door middel van gewone brief mededeling van betekening heeft gedaan aan raadsman verdachte. Raadsman heeft n.a.v. aan hem toegezonden mededeling rechtsdag met constatering dat geen cassatieschriftuur is ingediend aan strafadministratie HR bericht dat mededeling betekening zijn advocatenkantoor nooit heeft bereikt en daarbij alsnog schriftuur ingediend. Ingeval vaststaat dat mededeling d.m.v. gewone brief over de post is verzonden naar het door geadresseerde opgegeven adres terwijl er geen aanwijzing is dat bij verzending mogelijk iets is misgegaan, mag van geadresseerde worden gevergd dat hij voldoende feitelijke gegevens aanvoert ter staving van zijn stelling dat hij die brief niet heeft ontvangen. Enkele stelling van geadresseerde dat hij brief niet heeft ontvangen, is onvoldoende om aan te nemen dat bij verzending iets is misgegaan. In aanmerking genomen dat onderhavige mededeling d.m.v. gewone brief over de post is verzonden aan (kantoor)adres van raadsman dat is vermeld in zijn stelbrief en dat aanwijzingen ontbreken dat bij verzending van die mededeling iets is misgegaan, moet - gelet op het hiervoor overwogene - worden voorbijgegaan aan niet nader gestaafde stelling van raadsman dat hij die mededeling nimmer heeft ontvangen. HR verklaart verdachte n-o, nu geen schriftuur houdende middelen is ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/145
JIN 2019/28 met annotatie van B.A.A. Postma
NJ 2019/105 met annotatie van Redactie
NBSTRAF 2019/38
SR-Updates.nl 2019-0082
AB 2019/268 met annotatie van R. Stijnen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 januari 2019

Strafkamer

nr. S 17/01495

EC/CeH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 17 maart 2017, nummer 22/003937-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1.

De stukken van het geding houden, voor zover hier van belang, het volgende in.

( i) De raadsman van de verdachte heeft zich per brief van 21 maart 2017 als zodanig in cassatie gesteld.

(ii) De in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging dat de stukken door de Hoge Raad zijn ontvangen, is op 11 oktober 2017 aan de verdachte in persoon uitgereikt. Deze aanzegging bevat onder meer de mededeling dat op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep binnen zestig dagen door een advocaat een schriftuur moet worden ingediend bij de Hoge Raad. Ook is in de aanzegging vermeld:

"Indien u een raadsman hebt, dient u deze terstond van deze aanzegging in kennis te stellen."

(iii) Op 19 oktober 2017 heeft de strafadministratie van de Hoge Raad door middel van een gewone brief over de post aan de raadsman van de verdachte bericht dat de aanzegging op eerdergenoemde datum is betekend en dat een op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep vereiste schriftuur, houdende middelen van cassatie, binnen zestig dagen na deze betekening bij de Hoge Raad kan worden ingediend.

(iv) Bij schrijven van 16 januari 2018 heeft de strafadministratie aan de raadsman op de voet van art. 436, tweede lid, Sv mededeling gedaan van de dag voor de behandeling van de zaak bepaald. In dit schrijven is tevens vermeld dat op de strafadministratie is geconstateerd dat geen cassatieschriftuur is ingediend door een advocaat.

( v) Bij brief van 17 januari 2018 heeft de raadsman naar aanleiding van de constatering dat geen cassatieschriftuur is ingediend, bericht:

"Dat zulks niet is gebeurd is juist.
De reden hiervoor is dat de melding betekening nimmer ons kantoor heeft bereikt ondanks dat ondergetekende in deze wel gesteld staat als advocaat."

Bij die brief is de onder 1 vermelde cassatieschriftuur gevoegd.

2.2.

Blijkens de zo-even genoemde brief betwist de raadsman dat hij de onder (iii) vermelde schriftelijke mededeling inzake de betekening van de aanzegging heeft ontvangen.

2.3.

Bij de beoordeling van die betwisting geldt het volgende uitgangspunt.

Ingeval vaststaat dat een mededeling als de onderhavige door middel van een gewone brief over de post is verzonden naar het door de geadresseerde opgegeven adres terwijl er geen aanwijzing is dat bij de verzending mogelijk iets is misgegaan, mag van de geadresseerde worden gevergd dat hij voldoende feitelijke gegevens aanvoert ter staving van zijn stelling dat hij die brief niet heeft ontvangen. De enkele stelling van de geadresseerde dat hij de brief niet heeft ontvangen, is onvoldoende om aan te nemen dat bij de verzending iets is misgegaan.

2.4.

In aanmerking genomen dat de onderhavige mededeling door middel van een gewone brief over de post is verzonden aan het (kantoor)adres van de raadsman dat is vermeld in zijn stelbrief en dat aanwijzingen ontbreken dat bij de verzending van die mededeling iets is misgegaan, moet - gelet op het onder 2.3 overwogene - worden voorbijgegaan aan de niet nader gestaafde stelling van de raadsman dat hij die mededeling nimmer heeft ontvangen.

2.5.

Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 januari 2019.