Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1692

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-11-2019
Datum publicatie
12-11-2019
Zaaknummer
18/01807
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:671
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op sieraden onder ander dan klaagster t.z.v. verdenking van witwassen. Rb heeft klaagschrift ongegrond verklaard onder voorwaarde dat OM binnen 2 weken na uitspraak duidelijkheid verschaft over nog te leggen beslag ex art. 94a Sv. 1. Verzet belang van strafvordering zich tegen teruggave van inbeslaggenomen sieraden aan klaagster? 2. Kon Rb klaagschrift voorwaardelijk ongegrond verklaren, nu wet niet voorziet in dergelijke voorwaardelijke beslissing?

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BL2823 m.b.t. toepasselijke maatstaf of belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave indien ander dan beslagene zich beklaagt over voortduring beslag ex art. 94 Sv. Rb heeft geoordeeld dat belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van alle sieraden aan klaagster. V.zv. Rb daaraan ten grondslag heeft gelegd dat “het OM in afwachting is van de beslissing van de RC op de vordering machtiging conservatoir beslag in deze”, is dat oordeel onjuist, omdat deze omstandigheid niet belang van strafvordering is als hiervoor bedoeld (vgl. ECLI:NL:HR:2015:3711). V.zv. Rb aan haar oordeel voorts ten grondslag heeft gelegd dat “de beslagene wordt verdacht van witwassen” en “het momenteel niet duidelijk is of de (...) sieraden nog nodig zijn voor onderzoek”, is dat oordeel niet z.m. begrijpelijk, gelet op hetgeen namens klaagster en door OvJ is aangevoerd.

Ad 2. Is rechter van oordeel dat belang van strafvordering zich (nog) verzet tegen teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen, dan dient hij klaagschrift waarin teruggave van die voorwerpen wordt verzocht ongegrond te verklaren. Is daarvan geen sprake, dan dient in de regel teruggave te worden gelast.

Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2019-0377
NJ 2019/455
RvdW 2019/1178
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/01807

Datum 12 november 2019

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 19 januari 2018, nummer RK 17/2196, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend

door

[klaagster] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

hierna: de klaagster.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft B.G.J. de Rooij, advocaat te Eindhoven, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzing of terugwijzing als de Hoge Raad gepast voorkomt.

2 Beoordeling van het tweede middel

2.1

Het middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van de inbeslaggenomen sieraden aan de klaagster.

2.2.1

De Rechtbank heeft het klaagschrift, dat strekt tot teruggave aan de klaagster van de onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen sieraden, ongegrond verklaard onder de voorwaarde dat het Openbaar Ministerie binnen twee weken na de uitspraak duidelijkheid zal verschaffen over het conservatoir beslag in dezen. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

“(...)

De officier van justitie heeft zich ter zitting van de openbare raadkamer op het standpunt gesteld dat het beslag gehandhaafd dient te blijven, nu uit het aangehecht overzicht is gebleken dat een gedeelte van de sieraden echt is en een waarde vertegenwoordigt, weliswaar nog geen sprake is van conservatoir beslag (94a Sv), maar het openbaar ministerie daartoe een vordering machtiging conservatoir beslag heeft gedaan, momenteel in afwachting is van de beslissing daarop van de rechter-commissaris alhier en het derhalve niet onaannemelijk is dat er later een ontneming zal volgen.

De raadsman heeft zich ter zitting van de openbare raadkamer op het standpunt gesteld dat het beslag dient te worden opgeheven en de sieraden dienen te worden teruggegeven aan klaagster, nu er in deze sprake is van klassiek beslag (94 Sv), het openbaar ministerie in de gelegenheid is gesteld om onderzoek naar de sieraden te doen, niet is gebleken dat deze sieraden niet echt zijn of van misdrijf afkomstig, er momenteel geen sprake is van conservatoir beslag en de rechtbank zich derhalve hierover niet kan uitlaten.

De beoordeling

(...)

De rechter is van oordeel dat het belang van strafvordering zich op dit moment nog verzet tegen teruggave van voornoemde sieraden, nu de ex-partner van klaagster ( [betrokkene 1] ) kennelijk wordt verdacht van witwassen, het momenteel niet duidelijk is of deze sieraden nog nodig zijn voor onderzoek en het openbaar ministerie in afwachting is van de beslissing van de rechter‑commissaris op de vordering machtiging conservatoir beslag in deze. Derhalve zal de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaren, onder de voorwaarde dat het openbaar ministerie binnen 2 weken na deze uitspraak duidelijkheid zal verschaffen over het conservatoir beslag in deze. In het geval het openbaar ministerie hieraan niet voldoet, en genoemde voorwaarde niet wordt vervuld, gelast de rechter de teruggave van alle sieraden.”

2.2.2

Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 18 december 2017 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De officier van justitie:

Er loopt nog een onderzoek naar de echtheid van de inbeslaggenomen sieraden. Indien uit dit onderzoek straks blijkt dat het om originele sieraden gaat met een beperkte waarde, dan kunnen deze sieraden worden teruggegeven aan klaagster. Deze sieraden werden inbeslaggenomen omdat ze vermoedelijk een waarde vertegenwoordigen. Voornoemd onderzoek zou binnen nu en één maand klaar kunnen zijn.

Raadsman:

Ik verzoek om aanhouding van de zaak, gelet op voornoemd onderzoek met betrekking tot de d.d. 25 september 2017 inbeslaggenomen sieraden.

De officier van justitie:

Ik zal mij niet verzetten tegen aanhouding van de zaak.

De rechter zal, gehoord de raadsman van klaagster en de officier van justitie, het onderzoek schorsen tot 19 januari 2018 te 11.25 uur, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om het rapport, opgemaakt naar aanleiding van het onderzoek naar echtheid van voornoemde sieraden, aan dit dossier toe te voegen en te doen toekomen aan de raadsman van klaagster.”

2.2.3

Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 19 januari 2018 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Officier van justitie:

Naar aanleiding van de eerdere behandeling van onderhavig klaagschrift d.d. 18 december 2017, is het dossier aangevuld met een overzicht van de inbeslaggenomen sieraden, waaruit blijkt dat een gedeelte echte sieraden betreffen. Momenteel is er in deze nog geen sprake van conservatoir beslag, maar het openbaar ministerie is ten aanzien hiervan in afwachting van de beslissing van de rechter-commissaris in strafzaken alhier.

Raadsman:

Ik heb inderdaad een overzicht gekregen van sieraden, maar kan hieruit niet opmaken of dit de sieraden van mijn cliënte betreffen. Er is in deze sprake van klassiek beslag in de zin van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, ten behoeve van de waarheidsvinding. Nu niet is gebleken dat deze sieraden niet eerlijk zouden zijn, is er geen reden om het beslag nog langer te handhaven. Deze sieraden dienen te worden teruggegeven aan mijn cliënte. Zij heeft deze sieraden haar hele leven al gehad en kan dit met foto’s aantonen.

Officier van justitie:

De zaaksofficier van justitie heeft mij verzekerd dat voornoemd overzicht betrekking heeft op deze sieraden. Het eindproces-verbaal is nog niet gereed, maar het is niet onaannemelijk dat er in deze conservatoir beslag zal worden gelegd en een ontnemingsvordering zal volgen.

Klaagster:

Deze sieraden zijn mijn eigendom. Ik ben momenteel 52 jaar oud en heb van jongs af aan altijd mijn sieraden bewaard. Ik heb geen betaalbonnen meer van deze goederen, maar ik weet precies om welke sieraden het gaat. Deze sieraden betreffen geen recente cadeaus, ik heb ze zeker al meer dan 20 jaar.

Raadsman:

Onderhavige zaak werd op 18 december 2017 aangehouden ten behoeve van een rapportage omtrent de echtheid van deze sieraden, maar ik heb dit rapport niet aangetroffen. Het gaat hier om eerlijke sieraden, hetgeen geen beletsel kan zijn voor de teruggave aan cliënte. Er is in deze geen sprake van conservatoir beslag in de zin van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering, waardoor u zich daarover ook niet kunt uitlaten.”

2.3

In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat onder [betrokkene 1] op de voet van art. 94 Sv beslag is gelegd op de in het klaagschrift bedoelde sieraden die volgens de klaagster haar in eigendom toebehoren. Te dezen doet zich dus het geval voor dat een ander dan de beslagene, stellende dat de inbeslaggenomen voorwerpen aan haar in eigendom toebehoren, zich bij de Rechtbank beklaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave aan haar. In een zodanig geval dient de rechter
(a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en, zo nee,

(b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de klaagster indien deze redelijkerwijze als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen - ook in een zaak betreffende een ander dan de klaagster - of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4, Sr in verbinding met art. 552f Sv (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823).

2.4

De Rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van alle sieraden aan de klaagster.
Voor zover de Rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd dat “het openbaar ministerie in afwachting is van de beslissing van de rechter-commissaris op de vordering machtiging conservatoir beslag in deze”, is dat oordeel onjuist, omdat deze omstandigheid niet een belang van strafvordering is als hiervoor onder 2.3 bedoeld (vgl. HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3711).
Voor zover de Rechtbank aan haar oordeel voorts ten grondslag heeft gelegd dat “de beslagene wordt verdacht van witwassen” en “het momenteel niet duidelijk is of de (...) sieraden nog nodig zijn voor onderzoek”, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk, gelet op hetgeen namens de klaagster en door de Officier van Justitie is aangevoerd.

2.5

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1

Het middel bevat de klacht dat de Rechtbank het klaagschrift ten onrechte voorwaardelijk ongegrond heeft verklaard, nu de wet niet voorziet in een dergelijke voorwaardelijke beslissing.

3.2

Het middel is terecht voorgesteld. Is de rechter van oordeel dat het belang van strafvordering zich (nog) verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, dan dient hij het klaagschrift waarin de teruggave van die voorwerpen wordt verzocht ongegrond te verklaren. Is daarvan geen sprake, dan dient in de regel teruggave te worden gelast.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden beschikking;

- wijst de zaak terug naar de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2019.