Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1691

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-11-2019
Datum publicatie
01-11-2019
Zaaknummer
19/01103
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:629
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Wet Bopz. Procesrecht; wraking. Machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling (art. 27 Wet Bopz). Wrakingsverzoek tijdens mondelinge behandeling. Mag de rechter over de verzochte machtiging beslissen, terwijl nog niet is beslist op het wrakingsverzoek? In acht te nemen beslistermijn. Hoor en wederhoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/2422
RvdW 2019/1129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/01103

Datum 1 november 2019

BESCHIKKING

In de zaak van

[betrokkene] ,
verblijvende te [woonplaats] ,

VERZOEKSTER tot cassatie,

hierna: betrokkene,

advocaat: mr. G.E.M. Later,

tegen

DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT DEN HAAG,
VERWEERDER in cassatie,

hierna: de officier van justitie,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/09/563887 FA RK 18-8700 van de rechtbank Den Haag van 29 november 2018. Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag.

2 Uitgangspunten en feiten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 21 november 2018 heeft de burgemeester van Den Haag ten aanzien van betrokkene een last tot inbewaringstelling gegeven.

(ii) Op 26 november 2018 heeft de officier van justitie aan de rechtbank verzocht om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling te verlenen (art. 27 Wet Bopz).

(iii) Op 29 november 2018 heeft een enkelvoudige kamer van de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. Tijdens deze zitting heeft betrokkene een verzoek gedaan tot wraking van de rechter. De rechter heeft de behandeling van de zaak geschorst in afwachting van de beslissing op dit wrakingsverzoek. Het proces-verbaal van het horen van betrokkene luidt – voor zover in cassatie van belang – als volgt:

“De rechter:

Ik kom met u praten of u langer in het psychiatrisch ziekenhuis moet blijven.

De betrokkene:

Ik ga mij op preliminaire verweren beroepen. Heeft u onderzocht of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is en of deze rechtbank bevoegd is.

De rechter:

Ja.

De betrokkene:

Ik ben al drie jaar bezig om inzage in mijn dossier van GGZ Rivierduinen te krijgen.

De rechter:

Dat is nu niet aan de orde.

De betrokkene:

Ik ga u nu wraken, als u mij niet wilt laten uitspreken.

De advocaat tegen haar cliënt:

Als u de rechter wraakt dan krijgen we nu een probleem en dan gaat het langer duren.

De betrokkene:

Nee, ze kunnen mij hier niet verzorgen, ik ben grieperig.

De advocaat:

U zegt wraken, dan moet er sprake zijn van een vooringenomenheid van de rechter. Tot nu toe heeft u gesproken en de rechter niet. Sowieso gaat het dan langer voor u duren en moet u langer wachten. Dan kunnen we nu niet inhoudelijk over de zaak praten.

De betrokkene:

Waar zijn de stukken van de psychiaters die mij hebben onderzocht? Ik heb gevraagd waar zijn mijn stukken. Waarom gaan we het bij mij […], anders doen? Ik ben psychologisch getest, daar kwam niets uit.

Als slachtoffer blijf ik roepen ’’help mij”. Het is nooit tot een uitspraak gekomen en er komt steeds een andere rechter.

Ik ben getest. Ik krijg een injectie in mijn bil. Mijn moeder zegt dat ik drie dagen niet thuis ben geweest, ik heb in de separeer gezeten. Ze hebben nooit met mijn moeder gesproken. Ik wraak u, rechter, en dan kan u de zaak niet behandelen.

De advocaat:

Ik weet niet wanneer opnieuw een rechter komt. U heeft gewraakt. Ik ga weg, de rechter gaat ook weg en dan kan ik niets meer doen. U heeft uw spullen ingepakt om weg te gaan. Realiseert u zich wat u heeft gezegd. Iedere keer wordt iets anders gezegd.

De rechter:

[Betrokkene], wilt u na alles wat uw advocaat heeft gezegd, mij nog steeds wraken?

De betrokkene:

Ja.

De psychiater:

Kan iemand die wilsonbekwaam is de rechter wraken?

De advocaat:

Ja, dat denk ik wel.

De rechter:

Dat denk ik ook.

Dan schors ik nu de zitting in afwachting van de behandeling van het wrakingsverzoek.”

(iv) Bij beschikking van diezelfde datum heeft dezelfde rechter de verzochte machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend voor het tijdvak tot en met 20 december 2018. Met betrekking tot het wrakingsincident overwoog zij:

“De betrokkene heeft kort na aanvang van de zitting de rechter gewraakt. Voor de gang van zaken wordt verwezen naar het ter zake opgemaakte proces-verbaal.

Omdat de uiterlijke beslisdatum van het verzoek heden expireert, heeft de rechter na de zitting zich genoodzaakt gezien het verzoek toe te wijzen.”

(v) Bij beschikking van 12 december 2018 heeft de wrakingskamer van de rechtbank het wrakingsverzoek afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen - kort gezegd - dat wraking van een rechter die de zaak al in volle omvang heeft beslist, niet mogelijk is.

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1

Art. 29 lid 5 Wet Bopz bepaalt dat tegen de beschikking op een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling geen gewoon rechtsmiddel openstaat. Niet uitgesloten is dat een daartegen gericht cassatieberoep toch ontvankelijk is, indien erover wordt geklaagd dat de rechtbank een of meer artikelen van de Wet Bopz ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten of buiten het toepassingsgebied ervan is getreden, dan wel dat bij de totstandkoming van de uitspraak essentiële vormen zijn verzuimd. Voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod op laatstgenoemde grond is nodig dat aan de klacht ten grondslag ligt dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. Het rechtsmiddelenverbod van art. 29 lid 5 Wet Bopz kan voorts worden doorbroken doordat in cassatie wordt geklaagd over niet-inachtneming van een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid, in die zin dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen, bij of krachtens de wet bepaald.

3.2

Betrokkene klaagt dat de behandelend rechter niet langer bevoegd was om de gevraagde machtiging te verlenen en dat het beginsel van hoor en wederhoor niet in acht is genomen. Betrokkene is daarom ontvankelijk in haar cassatieberoep.

4 Beoordeling van het middel

4.1

Onderdeel A van het middel klaagt dat de behandelend rechter niet langer bevoegd was om de door de officier van justitie gevraagde machtiging te verlenen vanaf het moment dat het wrakingsverzoek werd gedaan. Volgens onderdeel B waren er geen redenen om aan te nemen dat uitstel van de beslissing door de rechter tegen wie het wrakingsverzoek zich richtte, niet kon worden gedoogd. Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.2.1

Art. 37 lid 5 Rv bepaalt dat aanstonds na een verzoek tot wraking de behandeling van de zaak wordt geschorst. Deze schorsing duurt in beginsel voort totdat de wrakingskamer op het wrakingsverzoek heeft beslist. Onverkorte toepassing van art. 37 lid 5 Rv kan echter in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval in strijd komen met andere wettelijke bepalingen of fundamentele rechtsbeginselen en daarmee gediende belangen. De eisen van een goede procesorde kunnen daarom meebrengen dat, ondanks het bepaalde in art. 37 lid 5 Rv, de rechter tegen wie het wrakingsverzoek is gericht, in de zaak handelingen mag verrichten of beslissingen mag nemen die geen uitstel dulden en ten aanzien waarvan de beslissing op het wrakingsverzoek dus niet kan worden afgewacht. Gelet op het belang van een procespartij om voordat in haar zaak een beslissing wordt genomen het wrakingsverzoek te laten beoordelen, mag de mogelijkheid om ondanks de schorsende werking van een wrakingsverzoek de zaak zelf te beslissen, alleen bij uiterste noodzaak worden gebruikt. Daarbij valt te denken aan beslissingen ten aanzien van zeer spoedeisende, noodzakelijke voorzieningen. De rechter die geheel of gedeeltelijk de zaak beslist terwijl nog geen beslissing is genomen op een tegen hem gericht wrakingsverzoek, zal in de uitspraak moeten motiveren waarom de beslissing geen uitstel duldt en de beslissing op het wrakingsverzoek dus niet kan worden afgewacht.

4.2.2

De regeling van wraking van rechters, neergelegd in de art. 36 - 39 Rv, is ook van toepassing op een machtigingsprocedure op de voet van de Wet Bopz. Indien in een procedure tot het verlenen van een machtiging uit hoofde van de Wet Bopz een wrakingsverzoek wordt gedaan, geldt als uitgangspunt dat de rechter tegen wie het wrakingsverzoek is gericht, niet op het verzoek tot het verlenen van de machtiging mag beslissen zolang niet op het wrakingsverzoek is beslist. Indien de behandelend rechter niet in de wraking berust, zal zo spoedig mogelijk door een wrakingskamer op het wrakingsverzoek moeten worden beslist. In zodanig geval is art. 48 lid 2 Wet Bopz van overeenkomstige toepassing totdat op het wrakingsverzoek is beslist en de rechter (bij gegrondbevinding van het wrakingsverzoek: een andere rechter) het noodzakelijke onderzoek ter zake van de gevraagde machtiging heeft kunnen verrichten en daarop heeft beslist. Dit betekent dus dat de geneesheer-directeur tot dat moment geen ontslag verleent uit het ziekenhuis, ondanks het verstreken zijn van de wettelijke beslistermijn. Het belang van betrokkene om vooraf het wrakingsverzoek te laten beoordelen gaat in dat geval boven het belang van een rechterlijke beslissing binnen de wettelijke beslistermijn.

4.2.3

Gelet zowel op het mede door art. 5 lid 4 EVRM gewaarborgde belang dat spoedig wordt beslist op een verzoek tot onvrijwillige vrijheidsbeneming in het algemeen, als op de korte wettelijke beslistermijn die geldt voor een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling in het bijzonder (art. 29 lid 3 Wet Bopz), ziet de Hoge Raad aanleiding te bepalen dat in een geval als het onderhavige op laatstgenoemd verzoek moet worden beslist binnen een termijn van vijf dagen, te rekenen vanaf de dag na die van het indienen van het wrakingsverzoek. Op deze termijn is de Algemene termijnenwet van toepassing. Indien deze termijn is verstreken, is art. 48 lid 2 Wet Bopz niet langer van overeenkomstige toepassing. Art. 48 lid 1, aanhef en onder c, Wet Bopz, dat bepaalt dat de geneesheer-directeur de betrokkene ontslag uit het ziekenhuis verleent zodra de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken, geldt vanaf dat moment dus onverkort.

Opmerking verdient nog dat bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat de hiervoor genoemde termijn van vijf dagen in redelijkheid niet haalbaar is en dat de rechter, hoewel op een tegen hem gericht wrakingsverzoek nog niet is beslist, toch op het verzoek van de officier van justitie moet beslissen. In dat geval geldt hetgeen hiervoor in 4.2.1 is overwogen. De rechter zal dan in de beschikking moeten motiveren welke bijzondere omstandigheden meebrengen dat de hiervoor bedoelde termijn niet kan worden gehaald en welke bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat de rechter tegen wie het wrakingsverzoek is gericht, op het verzoek van de officier van justitie beslist.

4.2.4

In het licht van het voorgaande zijn de hiervoor in 4.1 genoemde klachten van de onderdelen A en B gegrond. Uit hetgeen hiervoor in 4.2.2 en 4.2.3 is overwogen, volgt dat betrokkene gedurende een termijn van vijf dagen na de dag waarop het wrakingsverzoek werd gedaan, niet uit de kliniek kon worden ontslagen. Er bestond dus nog geen noodzaak voor de rechter tegen wie het wrakingsverzoek was gericht, om op het verzoek tot het verlenen van de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling te beslissen. De overige in de onderdelen A en B geformuleerde klachten behoeven geen behandeling.

4.3.1

Het middel klaagt, in onderdeel C, ook dat aan betrokkene het recht is onthouden om te worden gehoord op het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, doordat de rechter – nadat zij ter zitting de behandeling van de zaak had geschorst – diezelfde dag toch op het verzoek heeft beslist zonder de behandeling van de zaak te heropenen. Volgens de klacht is dit in strijd met art. 8 leden 1 en 9 Wet Bopz, in verbinding met de art. 5, 6 en 13 EVRM. Hierin ligt de klacht besloten dat betrokkene in haar verdedigingsmogelijkheden is geschaad, omdat het horen van betrokkene nog niet was voltooid toen de behandeling van de zaak werd geschorst.

4.3.2

Ook deze klacht slaagt. Uit het hiervoor in 2 onder (iii) geciteerde proces-verbaal blijkt dat, nadat betrokkene zelf kort het woord had gevoerd, de behandeling van de zaak is geschorst. Betrokkene en haar advocaat zijn door de schorsing niet in de gelegenheid geweest zich over het verzoek van de officier van justitie uit te laten. Niet is gebleken dat betrokkene of haar advocaat afstand hebben gedaan van het recht om op het verzoek van de officier van justitie te worden gehoord. Door op het verzoek te beslissen zonder dat de mondelinge behandeling was voortgezet, heeft de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor geschonden.

4.4

Opmerking verdient dat het belang dat spoedig wordt beslist over de rechtmatigheid van een onvrijwillige vrijheidsbeneming met zich kan brengen dat de rechter, ondanks een tegen hem gericht wrakingsverzoek, de behandeling ter zitting voltooit, zonder nog de zaak zelf te beslissen. Dit laat onverlet dat indien het wrakingsverzoek gegrond wordt bevonden, betrokkene in beginsel recht heeft op een hernieuwde behandeling ten overstaan van een rechter die alsdan op het verzoek tot het verlenen van de machtiging beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

  • -

    vernietigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 29 november 2018;

  • -

    wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 1 november 2019.