Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1637

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
29-10-2019
Zaaknummer
18/03294
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1090
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2017:3657, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang tussen 18/00063, 18/00096, 18/01518 (ingetrokken) en 18/03294.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/03294

Datum 29 oktober 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 13 december 2017, nummer 22/001567-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.

Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

3 Beoordeling van de schriftuur van de benadeelde partij

Nu de verdachte niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep moet de namens de benadeelde partij ingediende schriftuur onbesproken blijven (vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4207).

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 oktober 2019.