Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1635

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
29-10-2019
Zaaknummer
18/00700
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:951
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2018:559, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Poging doodslag te Sittard-Geleen, art. 287 jo. 45 Sr. Middelen over o.m. schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. CAG gaat in op de vraag of in een geval als i.c., wanneer de overige middelen zich lenen voor afdoening ex art. 80a RO en daarom het middel dat klaagt over de schending van de redelijke termijn in cassatie dat lot moet delen, en in de schriftuur wordt verzocht een prejudicieel advies te vragen aan het EHRM, de zaak nog steeds op de voet van art. 80a RO kan worden afgedaan, of dat de Hoge Raad gehouden is op dit (voorwaardelijke) verzoek inhoudelijk/gemotiveerd te reageren. De AG gaat in op adviesprocedure EHRM en stelt zich op het standpunt dat de enkele omstandigheid dat in een cassatiemiddel wordt verzocht om een adviesverzoek te doen aan het EHRM, niet in de weg staat aan de toepassing van art. 80a (of art. 81.1 RO). Voorts komt de AG tot het oordeel dat i.c. geen reden is om een adviesverzoek te doen aan het EHRM. HR: art. 80a RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/2428
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/00700

Datum 29 oktober 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 13 februari 2018, nummer 20/003401-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren [te geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard op de voet van artikel 80a RO omdat het eerste en tweede middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden en de verdachte bij het derde middel onvoldoende belang heeft.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 oktober 2019.