Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1582

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-10-2019
Datum publicatie
15-10-2019
Zaaknummer
18/00647
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:856
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen witwassen van grote geldbedragen, art. 420bis.1.a en 420bis.1.b Sr. Vervolg op ECLI:NL:HR:2015:771. 1. Samenstelling Hof. Arrest gewezen door andere raadsheren dan aanwezig waren bij onderzoek ttz. in h.b.? 2. Wetenschap verdachte dat geldbedragen - middellijk of onmiddellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf?

Ad 1. O.g.v. door AG ingewonnen inlichtingen moet het ervoor worden gehouden dat p-v van tz. in h.b. t.a.v. samenstelling van Hof een misslag bevat. HR leest p-v met verbetering van die misslag.

Ad 2. Aan door Hof in aanmerking genomen f&o, waaronder door verdachte voor gebruikte constructie via zijn bankrekening opgegeven reden dat het om een scheiding van een echtpaar ging en dat hij zich wel kon voorstellen dat een van de twee geld wilde verbergen, kan niet z.m. door Hof voor het vereiste opzet doorslaggevend geachte gevolgtrekking worden verbonden dat verdachte “klaarblijkelijk bewust geen (nadere) vragen heeft gesteld”. Dat brengt met zich dat oordeel dat verdachte wist - waaronder begrepen dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard - dat in bewezenverklaring genoemde geldbedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf, niet toereikend is gemotiveerd.

Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2019-0356
NJB 2019/2356
RvdW 2019/1122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/00647

Datum 15 oktober 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 2 februari 2018, nummer 21/004032-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.S. Nan, advocaat te ’s‑Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1

Het middel klaagt dat het bestreden arrest is gewezen door andere raadsheren dan aanwezig waren bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

2.2

Op grond van de door de plaatsvervangend Advocaat-Generaal ingewonnen inlichtingen zoals vermeld in haar conclusie onder 6 en 7 moet het ervoor worden gehouden dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2018 ten aanzien van de samenstelling van het Hof een misslag bevat. De Hoge Raad leest het proces-verbaal met verbetering van die misslag. Daardoor mist het middel feitelijke grondslag, zodat het niet tot cassatie kan leiden.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, nu uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte ‘wist’ dat de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.

3.2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 29 juni 2009 tot en met 29 december 2009 in Nederland en te Liechtenstein en in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen meermalen (een) (grote) geldbedrag(en) voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en van voornoemde geldbedragen de herkomst heeft verhuld, althans verhuld wie de rechthebbende op voornoemde geldbedragen was terwijl hij, verdachte, telkens wist dat die geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”

3.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 25‑27 van het proces-verbaal, genummerd PL0930-232315), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 3] :

Ik doe aangifte van valsheid in geschrift. Ik zag dat er op 11 juli 2009 van mijn rekeningnummer een spoedoverboeking was gedaan van 100.000 euro. Dit was overgeboekt naar mijn eigen rekeningnummer. Op 30 juni 2009 en 13 juli 2009 werd respectievelijk 15.000 euro en 5.000 euro afgeboekt. Op dezelfde data werden bedragen van 95.000 euro en 4800 euro overgeboekt naar mijn ING bank.

Op 15 juli 2009 was 110.000 euro afgeschreven, met als omschrijving [betrokkene 1] , rekeningnummer [001] . Op 29 juli 2009 werd een bedrag van 110.090 euro afgeschreven, met als omschrijving [betrokkene 1] , rekeningnummer [001] .

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige (als bijlage op pagina 38-40 van het proces-verbaal, genummerd PL0930/09-232315), voor zover inhoudende zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 3] :

Ik bankier bij de ING bank. Ik doe dit via internetbankieren. Tijdens mijn vakantie heb ik geen sms’je gekregen waarop de tancode stond vermeld. Ik heb voor het laatst in 2008 een overschrijvingskaart gebruikt. Als bijlage bij deze verklaring geef ik u twee kopieën van de overschrijvingskaarten, welke zijn gebruikt om mijn geld van de ING bank, over te maken naar de SNS rekening van [betrokkene 1] in [plaats] .

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige (als bijlage op pagina 65-67 van het proces-verbaal genummerd PL0930/09-232315), voor zover inhoudende zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 4] :

Op 10 juli 2009 was ik werkzaam in de SNS bank, filiaal te Beek. Tijdens mijn werk kwam er toen een oudere vrouw samen met een jonge blonde vrouw en een man het bankfiliaal binnen. De oudere vrouw wilde van haar rekening een geldbedrag overboeken naar een andere, buitenlandse, rekening. Ik kreeg een discussie met deze vrouw, de man en de jonge blonde vrouw. Deze discussie ging er over dat er een wijziging was geweest met betrekking tot overboekingen en de manier van bankieren. De oudere vrouw was zeer gehaast en ongerust en de jongere blonde vrouw was er ongedurig. De oudere vrouw zei dat het geld over moest worden gemaakt naar de rekening van haar zoon die in Dubai zat terwijl de rekening bij een bank in Liechtenstein liep. Ik maakte de overboeking in orde. De oudere vrouw kwam later terug om de formulieren te ondertekenen.

U toont mij een foto van de video-opnamen van het filiaal in Beek. Op de foto staat een vrouw voorzien van nummer 3. Ik herken deze mevrouw als [betrokkene 1] .

4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een opdracht tot buitenlandse betaling, als bijlage op pagina 68 van het proces-verbaal genummerd PL0930/09-232315, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Te betalen bedrag: € 110.000,00

Opdrachtgever: [betrokkene 1] te [plaats]

Begunstigde: [verdachte] te Liechtenstein

Volledig en naar waarheid ingevuld te Beek op 10 juli 2009

Ondertekend door: [betrokkene 1]

5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige (als bijlage op pagina 74-76 van het proces-verbaal genummerd PL0930709-232315), voor zover inhoudende zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 5] :

Op 21 juli 2009 zat ik aan de balie. Een mevrouw was samen met een jongere man hier aan de balie. Ik schat de leeftijd van de mevrouw in de zeventig. De vrouw toonde mij haar bankpas en ik zag dat de naam van de vrouw [betrokkene 1] betrof. Ze waren boos omdat ze een groot bedrag over wilden boeken naar een buitenlandse rekening, maar dat lukte niet. Omdat het om een groot bedrag ging van 109.000 euro zei ik dat ik een legitimatie wilde zien. [betrokkene 1] vertelde dat ze in [plaats] woonde, dat zij daar haar paspoort ging halen en later terug zou komen. Na ongeveer een uur kwamen [betrokkene 1] en de man weer terug. Zij toonde mij haar paspoort en ik maakte de papieren verder in orde. Ik weet nog dat het een rekening in Liechtenstein was.

U toont mij een aantal foto’s van videobeelden van de beveiligingscamera’s van het filiaal in Beek. Ik herken [betrokkene 1] . Dit is de oudere vrouw op de foto.

6. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een opdracht tot buitenlandse betaling, als bijlage op pagina 77 van het proces-verbaal genummerd PL0930/09-232315, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Te betalen bedrag: € 109.000,00

Opdrachtgever: [betrokkene 1] te [plaats]

Begunstigde: [verdachte] te Liechtenstein

Volledig en naar waarheid ingevuld te Beek op 21 juli 2009

Ondertekend door: [betrokkene 1]

7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte (als bijlage op pagina 85-88 van het proces-verbaal genummerd PL0930/09-232315), voor zover inhoudende zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1] :

Mijn zoon heet [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ). Hij woont in Dubai. [verdachte] vroeg in 2009 of hij geld van iemand mocht laten storten op mijn SNS bankrekening en dan zou [betrokkene 6] (het hof begrijpt: [betrokkene 6] ) het geld komen halen. Dat geld kwam op mijn SNS bankrekening en ik moest met mijn SNS bankpasje het geld ophalen. Ik deed dat. Dit was bij de SNS bank in Beek.

8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte (als bijlage op pagina 89-90 van het proces-verbaal genummerd PL0930/09-232315), voor zover inhoudende zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1] :

Ik werd door mijn zoon [verdachte] gebeld. Hij vroeg aan mij of ik het goed vond dat hij een bedrag op mijn bankrekening zette voor een paar dagen. Ik vroeg hem of ik er niet mee in de problemen kon geraken. Hij vertelde mij dat dat niet het geval zou zijn. Een paar dagen nadat [verdachte] mij had gebeld werd ik gebeld door [betrokkene 6] en we spraken af om naar de SNS bank in Beek te gaan. Ik ontmoette [betrokkene 6] daar, die samen met [betrokkene 2] was. Wij gingen de bank in Beek binnen. [betrokkene 6] of [betrokkene 2] wist de gegevens en heeft dit aan de bankmedewerkster doorgegeven.

9. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte (als bijlage op pagina 103-105 van het proces-verbaal genummerd PL0930-232315), voor zover inhoudende zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 6] :

Door mijn toenmalige vriend [verdachte] werd ik gebeld met het verzoek om met de moeder van [verdachte] naar de bank te gaan om daar geld op te halen. Ik heb haar op een dag in juli opgehaald in [plaats] . Wij zijn met de auto naar Beek gegaan. Bij de bank zag ik [betrokkene 2] staan. Wij zijn toen met ons drieën de SNS bank binnen gegaan. [betrokkene 1] is naar de balie gegaan, stelde zich voor en vertelde dat zij geld wilde opnemen en geld wilde overmaken. [betrokkene 2] heeft het geld overgemaakt, samen met [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ). Toen ik in de bank was in Beek vertrouwde ik het niet helemaal. Ik vond het er maar vreemd aan toe gaan. Ik wilde er eigenlijk niets mee te maken hebben en ben toen, na het pinnen, weggegaan.

10. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte (als bijlage op pagina 113-115 van het proces-verbaal genummerd PL0930/09-232315), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 2] :

Ik werd door [verdachte] benaderd met het verzoek om zijn moeder naar de bank te brengen. Ik kreeg van hem een papier waarop stond waar het geld naartoe moest, oftewel het bankrekeningnummer stond daarop, en tevens stond erop dat de bank in Liechtenstein was. Er is vervolgens contact geweest tussen mij en de moeder van [verdachte] . Ik ben toen met [betrokkene 1] naar de SNS bank in Beek gereden. Ik heb de bankmedewerkster het papier gegeven met de bankgegevens, waar het geld naartoe moest.

Binnen 14 dagen of 3 weken kreeg ik nogmaals het verzoek om met [betrokkene 1] naar de bank te gaan. Wij moesten gaan naar de bank in Maastricht. Het geld moest weer naar [verdachte] in Liechtenstein.

11. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte (als bijlage op pagina 123-125 van het proces-verbaal genummerd PL0930/09-23215), voor zover inhoudende zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 2] :

Vorig jaar zomer ben ik benaderd door ene [betrokkene 7] . Hij vroeg mij of ik zou kunnen bemiddelen om geld naar een buitenlandse bankrekening te transporteren. Er was door een vrouw een overschrijvingskaart ondertekend en dat geld moest via een andere Nederlandse bankrekening naar het buitenland worden gestort om vervolgens weer contant, onder aftrek van commissie, worden overhandigd aan die [betrokkene 7] . Er is mij verteld door die [betrokkene 7] , dat de vrouw op vakantie was, en dat hij in het bezit was gekomen van die overschrijvingskaarten. Ik vond het in eerste instantie wel vreemd.

Een paar dagen later kwam ik zakelijk met [verdachte] in contact en vertelde hem wat mij was overkomen. [verdachte] vertelde mij dat hij wel mogelijkheden zag. Hij stelde voor om het geld via de bankrekening van zijn moeder over te laten boeken naar zijn bankrekening in Liechtenstein en vroeg mij of ik met zijn moeder naar de SNS bank wilde gaan. Dat heb ik gedaan.

[verdachte] nam na de storting in Liechtenstein contact met mij op en vroeg mij hem te willen ophalen in Keulen, Duitsland. [verdachte] pakte een pakketje geld, haalde daar zijn commissie en de kosten af en gaf de rest aan mij. [verdachte] zou later de commissie met mij delen. Ik zag dat [verdachte] een bedrag van € 25.000,- pakte voor commissie en € 5000,- voor onkosten. In Den Bosch trof ik [betrokkene 7] en gaf hem het geld. Toen ik [betrokkene 7] het geld gaf vertelde hij mij dat er een tweede overschrijving was gedaan naar de bankrekening van de moeder van [verdachte] . Ik stelde [verdachte] daarover in kennis, hij wilde zijn medewerking wel verlenen. Van [betrokkene 7] hoorde ik een tijdje later dat de overboeking was gedaan en ik nam contact op met [verdachte] om alles weer te regelen. Ik werd later gebeld door [verdachte] met het verzoek om met [betrokkene 1] te gaan naar de SNS bank in Maastricht. Vervolgens hebben [verdachte] , [betrokkene 6] en ik een afspraak gemaakt om naar Luxemburg te gaan. Toen wij met ons drieën bij elkaar zaten heeft [verdachte] mij een pakket geld gegeven. Ik ben naar Den Bosch gereden om het geld aan [betrokkene 7] te geven. Ik gaf hem het geld.

12. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte (als bijlage op pagina 138-140 van het proces-verbaal genummerd PL0930/09-232315), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

In de zomer van 2009 werd ik gebeld door [betrokkene 2] met het verzoek een afspraak te maken. Toen wij elkaar troffen vroeg hij mij of ik tweemaal een bedrag van € 110.000,- wilde innen voor hem bij mijn bank in Liechtenstein. Het geld moest eerst bij een bank in Nederland terecht komen om vervolgens te worden doorgestort naar mijn bankrekening in Liechtenstein. Er was iets met acceptgirokaarten. Die zouden niet overgemaakt kunnen worden direct naar mijn bankrekening in Liechtenstein. Dat was de reden dat het geld eerst naar de bankrekening van mijn moeder ging, waarna mijn moeder het heeft overgemaakt naar Liechtenstein. [betrokkene 2] heeft van mij gehoord naar welke bank en naar welk bankrekeningnummer dit geld moest. [betrokkene 2] heeft mij verteld dat het geld afkomstig was van een gescheiden vrouw en dat het geld via een buitenlandse bankrekening weer bij die vrouw terecht moest komen. Ik heb een bedrag van € 10.000,- gekregen voor de service en € 2000,- voor vervoerskosten en overnachtingen.

Ik wist dat het geld onderweg was. Dat had ik gehoord van [betrokkene 2] . Die had mij daarover gebeld. Vervolgens werd ik gebeld door mijn bank in Liechtenstein dat er een geldbedrag op mijn rekening was gestort. Ik ben toen naar mijn bank gegaan en heb het bedrag contant opgenomen. Dat geld heb ik gebracht naar Keulen. Na de tweede storting werd ik weer gebeld door [betrokkene 2] . Ik kreeg te horen dat het geld was overgemaakt naar Liechtenstein. Nadat ik weer bericht kreeg van de bank ben ik weer naar mijn bank in Liechtenstein gegaan om dat gestorte geld op te halen. Vervolgens heb ik contact opgenomen met [betrokkene 2] en hebben wij in Luxemburg afgesproken. Daar heb ik het geldbedrag aan [betrokkene 2] gegeven en ontving ik mijn commissie.

13. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 19 januari 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik bij de vorige behandeling van de zaak bij het hof heb gezegd dat ik mij kon voorstellen dat één van de twee geld zou willen verbergen. In de situatie van een scheiding kan ik mij goed voorstellen dat één van de partners niet wil dat geld zichtbaar is.”

3.2.3

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

“Overweging met betrekking tot het bewijs

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte veroordeeld dient te worden voor het medeplegen van witwassen. Er is wettig en overtuigend bewijs. Er ligt een aangifte. Daarnaast zijn de bankgegevens, de verklaring van [betrokkene 1] en de verklaring van de verdachte zelf van belang voor het bewijs. Verdachte wist dat het geld buiten beeld moest blijven. Hij heeft het geld opgenomen en voorhanden gehad. Verdachte heeft de bedoeling gehad om te verhullen waar het geld vandaan kwam.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat het (voorwaardelijk) opzet voor witwassen ontbreekt en dat verdachte hiervoor vrijgesproken dient te worden. Verdachte is inmiddels tot de conclusie gekomen dat hij wel erg onhandig en onvoorzichtig gehandeld heeft. Hij heeft destijds aan medeverdachte [betrokkene 2] gevraagd waar het geld vandaan kwam. De verklaring die werd gegeven, kwam cliënt legitiem en geloofwaardig voor. Verdachte had geen wetenschap van het feit dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig was. De vergoeding die hij kreeg voor zijn hulp was ook niet dusdanig hoog dat verdachte hieruit had moeten opmaken dat het geld van een misdrijf afkomstig moest zijn.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak voor opzetwitwassen wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

De feiten en omstandigheden

Voor zover het hof zich kan verenigen met bewijsoverwegingen uit het vonnis van de rechtbank heeft het hof deze hierna opgenomen en tussen aanhalingstekens weergegeven en heeft het hof aldus deze overwegingen tot zijn eigen overwegingen gemaakt. Verdachte wordt aangeduid als [verdachte] , en de medeverdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] respectievelijk als [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .

Evenals de rechtbank gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden:

“Aangeefster [betrokkene 3] ontdekte medio juli 2009, na terugkomst van vakantie, dat geldbedragen van haar bankrekening waren afgeschreven. Daarvoor bleken de overschrijvingskaarten van aangeefster te zijn gebruikt. Op de overschrijvingskaarten was [betrokkene 1] te [plaats] als begunstigde ingevuld. Aangeefster bankiert zelf bij de ING-bank via internet met tancodes. Tijdens haar vakantie heeft zij geen sms-bericht met tancodes ontvangen. Zij heeft in 2007 voor het laatst haar overschrijvingskaarten gebruikt. Aangeefster heeft aangifte gedaan van valsheid in geschrift.

Overboekingen van bankrekening aangeefster naar bankrekening [betrokkene 1] .

Er was twee maal een overboeking gedaan van de bankrekening van [betrokkene 3] naar het rekeningnummer [001] op naam van [betrokkene 1] :

- op 9 juli 2009 een bedrag van € 110.090,-,

- op 15 juli 2009 een bedrag van € 110.000,-.

[betrokkene 2] verklaart in de zomer van 2009 door een zakenrelatie benaderd te zijn met de vraag of [betrokkene 2] kon bemiddelen om geld naar een buitenlandse bankrekening te transporteren. Een vrouw had een overschrijvingskaart ondertekend, dat geld moest via een andere Nederlandse bankrekening naar het buitenland worden gestort om vervolgens contant te worden overhandigd aan de zakenrelatie van [betrokkene 2] . De vrouw was op vakantie en de zakenrelatie van [betrokkene 2] was in het bezit gekomen van de overschrijvingskaart. [betrokkene 2] verklaart dat hij het in eerste instantie wel vreemd vond. [betrokkene 2] sprak [verdachte] hierover. [verdachte] zag mogelijkheden: het geld kon via de bankrekening van zijn moeder naar zijn bankrekening in Liechtenstein worden overgemaakt.

[verdachte] verklaart dat [betrokkene 2] hem in de zomer van 2009 benaderde met de vraag of hij twee keer een bedrag van € 110.000,- voor [betrokkene 2] wilde innen bij zijn bank in Liechtenstein. Het geld moest eerst bij een bank in Nederland terechtkomen om vervolgens te worden doorgestort naar de bankrekening in Liechtenstein. [betrokkene 2] zei dat het geld afkomstig was van een gescheiden vrouw en dat het geld via een buitenlandse bankrekening weer bij die vrouw terecht moest komen. Met acceptgirokaarten kon niet direct geld naar een bankrekening in Liechtenstein worden overgemaakt. Daarom ging het geld eerst naar de bankrekening van de moeder van [verdachte] . [betrokkene 2] hoorde van [verdachte] naar welke bank en welk rekeningnummer het geld in Liechtenstein moest.

Eerste overschrijving van [betrokkene 1] naar [verdachte] op 10 juli 2009 te Beek.

[betrokkene 1] verklaart dat haar zoon [verdachte] haar in 2009 vroeg of hij geld van iemand mocht laten storten op haar bankrekening. Het geld kwam op de rekening van [betrokkene 1] binnen en zij moest met haar bankpasje het geld ophalen. De toenmalige vriendin van [verdachte] , [betrokkene 6] , zou het geld komen ophalen. [betrokkene 1] heeft [verdachte] nog gevraagd of zij hier niet door in de problemen kon komen. Een paar dagen later werd zij gebeld door [betrokkene 6] en zij spraken af om naar de bank in Beek te gaan. [betrokkene 1] is de eerste keer met [betrokkene 6] en [betrokkene 2] naar de bank in Beek geweest.

[betrokkene 6] verklaart dat zij door [verdachte] is gevraagd om met [betrokkene 1] naar de bank te gaan.

[betrokkene 1] zei bij de balie dat zij geld wilde overmaken. [betrokkene 2] heeft het geld samen met [betrokkene 1] overgemaakt.

[betrokkene 2] verklaart ook dat hij op verzoek van [verdachte] met [betrokkene 1] en [betrokkene 6] naar de bank is gegaan. [betrokkene 2] kreeg van [verdachte] een papier waarop stond waar het geld naar toe moest. [betrokkene 2] heeft vervolgens contact gehad met [betrokkene 1] om af te spreken wanneer zij naar de bank zouden gaan. [betrokkene 2] heeft de bankgegevens aan de bankmedewerkster doorgegeven.

Getuige [betrokkene 4] , bankmedewerkster bij de SNS bank te Beek, verklaart dat op 10 juli 2009 een oudere dame met een jonge vrouw en een man de bank inkwamen. De oudere vrouw wilde van haar rekening een geldbedrag overboeken naar een buitenlandse rekening. De getuige kreeg toen een discussie met hen over de wijziging in de wijze van overboeken. De oudere vrouw was erg gehaast en ongerust en de jongere vrouw was ongedurig. De oudere vrouw zei dat geld moest worden overgemaakt naar een bankrekening in Liechtenstein, op naam van haar zoon in Dubai. [betrokkene 4] maakte de formulieren in orde. De oudere vrouw ondertekende de formulieren.

Uit de betalingsopdracht van 10 juli 2009 volgt dat een bedrag van € 110.000,- van [betrokkene 1] naar [verdachte] in Liechtenstein moest worden overgemaakt. De betalingsopdracht is door [betrokkene 1] ondertekend.

Toen [betrokkene 6] in de bank was vertrouwde zij het niet helemaal. Zij vond het er maar vreemd aan toe gaan. Zij wilde er niets mee te maken hebben en is toen na het pinnen weggegaan.

Eerste overdracht van [verdachte] aan [betrokkene 2]

[verdachte] verklaart dat hij van [betrokkene 2] hoorde dat het bedrag onderweg was. Vervolgens hoorde hij van zijn bank in Liechtenstein dat er een geldbedrag was gestort. [verdachte] verklaart dat hij het geld van zijn bankrekening in Liechtenstein contant heeft opgenomen en in Keulen aan [betrokkene 2] heeft gegeven.

[verdachte] nam na de storting in Liechtenstein contact met [betrokkene 2] op en vroeg hem om hem op te halen in Keulen. [verdachte] gaf [betrokkene 2] een pakketje geld. [verdachte] haalde daar commissie van af. [verdachte] zou later de commissie met [betrokkene 2] delen.

In Den Bosch heeft [betrokkene 2] het geld aan zijn zakenrelatie gegeven.

Tweede overschrijving van [betrokkene 1] naar [verdachte] op 21 juli 2009 te Maastricht.

[betrokkene 2] verklaart dat zijn zakenrelatie hem zei dat er een tweede overschrijving zou gaan naar de bankrekening van de moeder van [verdachte] . [verdachte] wilde hier ook aan meewerken. [betrokkene 2] werd later weer door [verdachte] gebeld om met [betrokkene 1] naar de bank te gaan.

[betrokkene 1] verklaart dat [betrokkene 2] anderhalve week na de eerste overboeking belde om te zeggen dat zij nog een keer geld over moest boeken. Omdat de bank in Beek hen niet kon helpen, zijn [betrokkene 1] en [betrokkene 2] naar de bank in Maastricht gegaan. [betrokkene 1] moest zich daar legitimeren, maar had geen paspoort bij zich. Zij heeft thuis alsnog haar paspoort opgehaald en daarna het formulier ondertekend.

Getuige [betrokkene 5] , verkoopadviseur bij de SNS bank, kreeg op 21 juli 2009 een oudere vrouw en een man aan de balie van de SNS bank te Maastricht. De vrouw en de man waren boos omdat zij een groot bedrag over wilden boeken naar een buitenlandse rekening maar dat niet lukte. Ze waren al in een ander filiaal geweest en daar kon het niet omdat het via internet moest. Omdat het om een groot bedrag van € 109.000,- ging, zei [betrokkene 5] dat zij legitimatie wilde zien. [betrokkene 1] is thuis haar paspoort gaan halen. Na terugkomst heeft [betrokkene 5] de papieren verder in orde gemaakt.

Uit de betalingsopdracht van 21 juli 2009 volgt dat een bedrag van € 109.000,- van [betrokkene 1] naar [verdachte] in Liechtenstein moest worden overgemaakt. De betalingsopdracht is door [betrokkene 1] ondertekend.

Tweede overdracht van [verdachte] naar [betrokkene 2] .

De tweede storting betrof een bedrag van € 110.000,-. Dit bedrag heeft [verdachte] contant opgehaald in Liechtenstein en in Luxemburg aan [betrokkene 2] gegeven. [betrokkene 2] is weer naar Den Bosch gereden om het geld aan zijn zakenrelatie te geven.”

Dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans dat de desbetreffende geldbedragen van misdrijf afkomstig waren heeft aanvaard leidt het hof in het bijzonder af uit de volgende feiten en omstandigheden:

- Er is gebruik gemaakt van een omslachtige en ingewikkelde constructie, die door verdachte was bedacht. Verdachte heeft op geen enkele wijze duidelijk kunnen maken waarom deze ingewikkelde en omslachtige gang van zaken noodzakelijk was - anders dan ter verhulling van de herkomst van het geld - en niet kon worden volstaan met een eenvoudige bancaire overboeking.

- De aanzienlijke omvang van de vergoeding die hij voor zijn werkzaamheden zou ontvangen, ongeveer € 20.000,-, exclusief kosten.

- De voor de gebruikte constructie via zijn bankrekening opgegeven reden, namelijk dat het om een scheiding van een echtpaar ging. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich wel kon voorstellen dat een van de twee geld wilde verbergen.

- Hoewel de hiervoor genoemde punten dringend om nadere uitleg en opheldering riepen heeft verdachte klaarblijkelijk bewust geen (nadere) vragen gesteld over onder meer de rechtmatigheid van de constructie en alternatieve, aanzienlijk meer voor de hand liggende mogelijkheden, waaronder de vraag waarom [betrokkene 2] de gelden niet via een eigen rekening kon overboeken.”

3.3

Aan de door het Hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, waaronder de door de verdachte voor de gebruikte constructie via zijn bankrekening opgegeven reden dat het om een scheiding van een echtpaar ging en dat hij zich wel kon voorstellen dat een van de twee geld wilde verbergen, kan niet zonder meer de door het Hof voor het vereiste opzet doorslaggevend geachte gevolgtrekking worden verbonden dat de verdachte “klaarblijkelijk bewust geen (nadere) vragen heeft gesteld”. Dat brengt met zich dat het oordeel dat de verdachte wist - waaronder begrepen dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard - dat de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf, niet toereikend is gemotiveerd.

3.4

Het middel is terecht voorgesteld.

4 Beoordeling van het derde middel

Gelet op de hierna volgende beslissing behoeft het middel geen bespreking.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2019.