Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1580

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-10-2019
Datum publicatie
11-10-2019
Zaaknummer
18/05373
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:622, Gevolgd
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Incident tot zekerheidstelling proceskosten in art. 69 Fw-procedure in cassatie. Analoge toepassing van art. 289 Rv (HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3143) en van art. 224 Rv. Uitzondering van art. 224 lid 2 Rv van toepassing?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/2179
INS-Updates.nl 2019-0142
NJ 2019/426
RvdW 2019/1113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 18/05373

Datum 11 oktober 2019

BESCHIKKING

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [woonplaats], Verenigde Arabische Emiraten,

VERZOEKER tot cassatie,

hierna: [verzoeker],

advocaat: mr. J. van Weerden,

tegen

1. Jan Evert STADIG,
kantoorhoudende te 's-Hertogenbosch,

2. Philip Willem SCHREURS,
kantoorhoudende te Eindhoven,

in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van [verzoeker],

VERWEERDERS in cassatie,

hierna gezamenlijk: de curatoren,

advocaat: mr. M.A.J.G. Janssen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/01/260045/FT RK 13/363 van de rechtbank Oost-Brabant van 12 december 2018.

[verzoeker] heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De curatoren hebben een incidenteel verzoek tot zekerheidstelling voor de proceskosten ingediend. [verzoeker] heeft verzocht de curatoren in het incidentele verzoek niet-ontvankelijk te verklaren althans dit verzoek af te wijzen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot toewijzing van het incidentele verzoek tot zekerheidstelling voor de proceskosten.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

[verzoeker] is op 16 april 2013 failliet verklaard. In het faillissement zijn de curatoren in die hoedanigheid aangesteld. [verzoeker] woont te [woonplaats], Verenigde Arabische Emiraten.

2.2

[verzoeker] heeft op grond van art. 69 Fw drie afzonderlijke verzoeken aan de rechter-commissaris in het faillissement gedaan, te weten een “Verzoek artikel 69 Faillissementswet inzage administratie”, “Verzoeken ex artikel 69 Faillissementswet inzake urenverantwoording” en “Verzoeken ex artikel 69 Faillissementswet betreffende inlichtingenplicht”. De rechter-commissaris heeft, bij drie afzonderlijke faxberichten aan [verzoeker], de verzoeken afgewezen. [verzoeker] heeft daartegen drie beroepschriften op grond van art. 67 Fw ingediend. De rechtbank heeft het hoger beroep van [verzoeker] in de drie zaken ongegrond verklaard.

3 Beoordeling van het incidentele verzoek

3.1.1

De curatoren verzoeken op de voet van art. 414 Rv in verbinding met art. 224 Rv [verzoeker] te veroordelen om zekerheid te stellen voor de proceskosten van het geding in cassatie. Zij leggen daaraan ten grondslag dat [verzoeker] woont te [woonplaats], Verenigde Arabische Emiraten, dat in Nederland geen verhaal op [verzoeker] mogelijk is voor de proceskosten in cassatie waarin [verzoeker] mogelijk zal worden veroordeeld, en dat de Verenigde Arabische Emiraten geen partij zijn bij het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954 en uit de aard der zaak buiten de reikwijdte van EU-verordeningen vallen.

3.1.2

[verzoeker] heeft als verweer aangevoerd:

- dat de curatoren niet hebben gesteld dat hij een vordering heeft ingesteld of zich heeft gevoegd of is tussengekomen;

- dat hij als de oorspronkelijke verweerder moet worden beschouwd, aangezien hij zich steeds tegen het faillissement heeft verzet, dus steeds verweerder is gebleven en in die hoedanigheid zijn rechten uit de art. 67 en 69 Fw heeft uitgeoefend;

- dat een veroordeling tot zekerheidstelling zijn toegang tot de rechter te zeer zou beperken.

3.2.1

Art. 224 lid 1 Rv bepaalt, voor zover thans van belang, dat allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen of zich voegen of tussenkomen in een geding alhier, verplicht zijn op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden. De strekking van deze bepaling is te voorkomen dat een in het gelijk gestelde gedaagde wordt geconfronteerd met oninbaarheid van een proceskostenveroordeling als gevolg van het ontbreken van de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging daarvan in het land waar de eiser zijn woonplaats heeft.1

3.2.2

Mede gelet op de hiervoor in 3.2.1 genoemde strekking van art. 224 Rv moet worden aangenomen dat art. 224 Rv van overeenkomstige toepassing is op andere op geschilbeslechting gerichte procedures dan de dagvaardings- of vorderingsprocedure. Ingevolge die overeenkomstige toepassing kan degene die het geding aanvangt ook in andere op geschilbeslechting gerichte procedures gehouden zijn zekerheid te stellen.

Op grond van art. 353 lid 2 Rv en art. 414 leden 2 en 3 Rv kan in hoger beroep, respectievelijk cassatie alleen zekerheid worden verlangd van de partij die (i) in eerste aanleg eiser of verzoeker (of daarmee gelijk te stellen partij) was, en (ii) principaal hoger beroep, respectievelijk principaal cassatieberoep heeft ingesteld.

Opmerking verdient dat de opposant die in verzet komt op de voet van art. 143 Rv, geen procedure aanvangt in de zin van art. 224 Rv. Hij is immers de oorspronkelijke verwerende partij. Zijn positie verschilt van die van een derde die op de voet van art. 10 Fw in verzet komt tegen een faillietverklaring, wat aan de orde was in de in voetnoot 1 genoemde uitspraak van de Hoge Raad.

Indien de rechter niet verplicht is een proceskostenveroordeling uit te spreken, zoals het geval is in de verzoekschriftprocedure op grond van art. 289 Rv, en hij, mede gelet op de aard van het geschil, aannemelijk acht dat geen proceskostenveroordeling zal worden uitgesproken, kan hij afzien van het gelasten van zekerheidstelling.

3.2.3

In de procedure die volgt op een verzoek als bedoeld in art. 69 Fw, kan, overeenkomstig het bepaalde in art. 362 Rv in verbinding met art. 289 Rv, een veroordeling in de proceskosten worden uitgesproken, ook ambtshalve, zij het dat de rechter terughoudendheid dient te betrachten met een proceskostenveroordeling ten laste van de failliet of de boedel.2 Gezien hetgeen hiervoor in 3.2.2 is overwogen, is art. 224 Rv ook van overeenkomstige toepassing in een procedure die volgt op een verzoek als bedoeld in art. 69 Fw. Overeenkomstig het bepaalde in art. 224 lid 2, aanhef en onder d, Rv mag de rechter echter geen zekerheidstelling ten laste van de failliet gelasten indien daardoor voor de failliet de effectieve toegang tot de rechter zou worden belemmerd.

3.3.1

Vast staat dat [verzoeker] woont te [woonplaats], Verenigde Arabische Emiraten, en dat hij geen woonplaats of gewone verblijfplaats heeft in Nederland. [verzoeker] is in deze procedure de oorspronkelijke verzoeker, aangezien hij zich op de voet van art. 69 Fw tot de rechter-commissaris heeft gewend. Dit wordt niet anders door het feit dat hij in de procedure die heeft geleid tot zijn faillietverklaring, verweerder was. [verzoeker] is ook in cassatie de verzoeker. Aan de vereisten van art. 224 lid 1 in verbinding met art. 414 leden 2 en 3 Rv is dus voldaan.

3.3.2

Van een verdrag tussen Nederland en de Verenigde Arabische Emiraten zoals bedoeld in art. 224 lid 2, aanhef en onder a of b, Rv is geen sprake. Voorts is, naar de curatoren onbetwist hebben aangevoerd, niet redelijkerwijs aannemelijk dat verhaal voor een proceskostenveroordeling in Nederland mogelijk zal zijn.

3.3.3

In vorige instantie hebben de curatoren aangevoerd dat [verzoeker] vele, meer dan eens dezelfde, verzoeken doet. Bij hun incidenteel verzoek hebben de curatoren aangevoerd, onder verwijzing naar twee uitspraken in procedures waarin [verzoeker] kennelijk partij was, dat [verzoeker] zich in het algemeen onttrekt aan zijn verplichtingen uit de Faillissementswet. [verzoeker] heeft deze stellingen niet weersproken. Nu [verzoeker] voorts niet heeft aangevoerd dat zijn huidige inkomens- en vermogenspositie in [woonplaats] hem niet toestaat om zekerheid te stellen, ziet de Hoge Raad voldoende aanleiding om het verzoek van de curatoren toe te wijzen. Dat daardoor zijn effectieve toegang tot de rechter wordt belemmerd, zoals [verzoeker] heeft betoogd, is door hem onvoldoende onderbouwd nu hij geen inzicht heeft gegeven in zijn financiële positie.

3.4

Het verzoek van de curatoren wordt toegewezen. De beslissing over de proceskosten in het incident zal worden aangehouden tot de einduitspraak.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

in het incident:

  • -

    beveelt dat [verzoeker] ten behoeve van de curatoren zekerheid stelt voor een bedrag van € 2.900,-- ter zake van de proceskosten waartoe [verzoeker] in de procedure in cassatie veroordeeld zou kunnen worden;

  • -

    bepaalt dat de zekerheid moet zijn gesteld uiterlijk op 8 november 2019, op straffe van niet-ontvankelijkheid van [verzoeker] in het cassatieberoep;

  • -

    houdt de beslissing over de proceskosten in het incident aan;

in de hoofdzaak:

- partijen kunnen tot 15 november 2019 bij brief aan de Hoge Raad zich erover uitlaten of zekerheid is gesteld.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, C.H. Sieburgh en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 11 oktober 2019.

1 Vergelijk Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 392 en HR 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:36.

2 Zie HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3143.