Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1549

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
18/03463
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1023
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Gewapende overval op onderneming in Curaçao, waarbij bewaker beveiligingsbedrijf om het leven is gekomen. Medeplegen diefstal met geweld, terwijl feit dood ten gevolge heeft (art. 2:289 en 2:291 Sr Curaçao), en medeplegen voorhanden hebben vuurwapens (art. 3.1 jo. 11 Vuurwapenverordening 1930). Bewijsklachten medeplegen. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/1110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/03463

Datum 8 oktober 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 20 april 2017, nummer H 120/16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.J.J. van der Heiden, advocaat te Den Helder, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch alleen wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het derde middel

3.1

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2

Het middel is gegrond. De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet bovendien uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zestien jaren. In de omstandigheid dat de Hoge Raad eerst uitspraak kan doen nadat 28 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, vindt de Hoge Raad aanleiding de opgelegde gevangenisstraf te verminderen met zeven maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze vijftien jaren en vijf maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2019.