Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1532

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-10-2019
Datum publicatie
04-10-2019
Zaaknummer
18/03265
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:556, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2018:1704, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Huwelijksvoorwaarden met beding conform art. 1:84 lid 1 BW. Kosten van de huishouding. Draagplicht. Aanvullende werking redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW) met betrekking tot genoemde beding. Cijfermatige misslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/2122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 18/03265

Datum 4 oktober 2019

BESCHIKKING

In de zaak van

[de vrouw],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het incidenteel cassatieberoep,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. J. van Weerden,

tegen

[de man],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie, verzoeker in het incidenteel cassatieberoep,

hierna: de man,

advocaat: mr. H.J.W. Alt.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de beschikking in de zaken C/15/228417/FA RK 15-3798 en C/15/238704/FA RK 16-637 van de Rechtbank te Noord-Holland van 24 augustus 2016;

b. de beschikking in de zaken 200.204.080/01 en 200.222.752/01 van het gerechtshof Amsterdam van 15 mei 2018.

De vrouw heeft tegen de beschikking in de van het hof beroep in cassatie ingesteld.

De man heeft geconcludeerd tot verwerping en incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt in het principale cassatieberoep tot verwerping en in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 15 mei 2018 en tot verwijzing.

De advocaat van de man heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn op 18 februari 1999 met elkaar gehuwd.

(ii) In de door partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden is onder meer het volgende bepaald:

Artikel 1

De echtgenoten zijn gehuwd buiten elke gemeenschap van goederen.

Artikel 3

1. De kosten van de huishouding, daaronder begrepen de kosten van de verzorging en opvoeding van hun gezamenlijke kinderen alsook de kinderen die met beider toestemming in het gezin zijn of mochten worden opgenomen, komen ten laste van de inkomens van de echtgenoten in evenredigheid daarvan.

2. Voor zover die inkomens ontoereikend zijn, komen die kosten ten laste van de vermogens van de echtgenoten in evenredigheid daarvan. (…)

Artikel 4

De echtgenoot, die belasting betaalt wegens inkomen en/of vermogen van de andere echtgenoot, is terzake gerechtigd tot een redelijke vergoeding van de ander. (…)”

(iii) De man is directeur-grootaandeelhouder van [A] B.V. (hierna: [A]) die op haar beurt voor 50% aandeelhouder is van [B] B.V. (hierna: [B]).

(iv) De voormalige echtelijke woning te [woonplaats] is gezamenlijk eigendom van partijen. In de periode van 2007 tot maart 2014 hadden partijen daarnaast een andere woning te [woonplaats] gezamenlijk in eigendom.

(v) Partijen hebben schulden uit gezamenlijke geldleningen die zijn aangegaan ter financiering van de aankoop en verbouwing van de hiervoor onder (iv) vermelde woningen.

(vi) De man heeft rekening-courantschulden bij [A] en [B].

(vii) De man heeft een belastingschuld in verband met een naheffingsaanslag.

(viii) Het huwelijk is op 22 december 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 24 augustus 2016 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2

De man heeft, voor zover in cassatie van belang, verzocht te bepalen dat

(i) de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de schulden uit de gezamenlijke geldleningen en de daarmee samenhangende aflossingen;

(ii) de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de rekening-courantschulden van de man bij [A] en [B] alsmede voor de daarmee vanaf 2 juni 2015 samenhangende rentelasten;

(iii) de vrouw gehouden is om aan de man de helft van de naheffingsaanslag 2014 en de wettelijke rente daarover te voldoen.

De rechtbank heeft ten aanzien van het verzoek onder (i) geoordeeld dat partijen de schulden uit de gezamenlijke geldleningen ieder voor de helft moeten dragen, maar deze beslissing niet opgenomen in het dictum. Het verzoek onder (ii) heeft de rechtbank afgewezen, op het verzoek onder (iii) heeft de rechtbank beslist dat partijen die aanslag ieder voor de helft moeten dragen.

2.3

Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd voor zover daarin is geoordeeld over de hiervoor genoemde verzoeken (i), (ii) en (iii). Het heeft, voor zover in cassatie van belang, het volgende geoordeeld.

(i) De vrouw is voor de helft draagplichtig voor de schulden uit de gezamenlijke geldleningen. De man heeft belang bij een executoriale titel, zodat het hof (ook in het dictum) zal bepalen dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor deze schulden. Voor zover het verzoek ziet op de aflossingen wordt het afgewezen, omdat de aflossingen deel uitmaken van hetgeen de man te zijner tijd mocht blijken meer te hebben betaald dan de helft (rov. 4.1.2).

(ii) Een redelijke uitleg van art. 3 van de huwelijkse voorwaarden brengt mee dat de rekening-courantschulden van de man naar evenredigheid ten laste van ieders inkomen komen en, voor zover die inkomens ontoereikend zijn, naar evenredigheid ten laste van ieders vermogen, aangezien de daarmee verkregen gelden zijn aangewend ter voldoening van de kosten van de huishouding. Gelet op de grenzen van de rechtsstrijd, bedraagt het door de vrouw te dragen gedeelte echter niet meer dan de helft (rov. 4.2.6).

(iii) De vrouw is naar evenredigheid van ieders inkomen, en voor zover die inkomens ontoereikend zijn, naar evenredigheid van ieders vermogen, draagplichtig voor het bedrag van € 6.739,50 van de naheffingsaanslag, met dien verstande dat, gelet op de grenzen van de rechtsstrijd, het door de vrouw te dragen deel niet meer bedraagt dan de helft van € 6.739,50 (rov. 4.8.2).

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1.1

Onderdeel 2 van het middel is gericht tegen rov. 4.2.6, waarin het hof oordeelt dat een redelijke uitleg van art. 3 van de huwelijkse voorwaarden meebrengt dat de rekening-courantschulden van de man, nu de daarmee verkregen gelden zijn aangewend ter voldoening van de kosten van de huishouding, naar evenredigheid ten laste van ieders inkomen komen en, voor zover die inkomens ontoereikend zijn, naar evenredigheid ten laste van ieders vermogen. Het onderdeel betoogt onder meer dat het oordeel onvoldoende is gemotiveerd, aangezien het hof geen aandacht heeft besteed aan de stellingen van de vrouw, die erop neerkomen dat zij er niet mee bekend was dat de man gelden heeft opgenomen in rekening-courant waardoor schulden zijn ontstaan.

3.1.2

Voor zover het onderdeel de klacht inhoudt dat het hof is voorbijgegaan aan de stelling van de vrouw dat zij niet wist dat de schulden zo opliepen en de man niet vooraf met haar heeft besproken dat hij ter bestrijding van de kosten van de huishouding gelden in rekening-courant zou opnemen, faalt het, aangezien de in die stelling aangevoerde omstandigheden in beginsel niet afdoen aan de draagplicht van de vrouw, voor zover de bedoelde gelden daadwerkelijk zijn aangewend ter voldoening van de kosten van de huishouding.

De klacht van het onderdeel dat het hof het verweer van de vrouw dat haar evenbedoelde stelling meebrengt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man zich op art. 3 van de huwelijksvoorwaarden beroept, mist doel. De vrouw heeft op de in het onderdeel aangewezen plaatsen in haar verweerschrift in hoger beroep dit verweer niet gevoerd.

3.2

Ook de overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

4.1.1

De onderdelen 2.1.I-2.1.III van het middel richten zich tegen rov. 4.2.6.

Onderdeel 2.1.II klaagt dat het hof heeft miskend dat de door het hof (in rov. 4.2.5) vastgestelde feiten en omstandigheden, te weten dat het inkomen en het vermogen van partijen destijds onvoldoende waren om de hoge kosten van de huishouding te voldoen en dat die kosten destijds dus door geen van beide partijen konden worden betaald, ertoe moeten leiden dat partijen, met toepassing van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, daarvoor ieder voor de helft draagplichtig zijn en dus niet naar evenredigheid van ieders inkomen en, voor zover die inkomens ontoereikend zijn, naar evenredigheid ten laste van ieders vermogen.

4.1.2

Het onderdeel slaagt. Het hof, dat heeft vastgesteld dat het inkomen en het vermogen van beide partijen ontoereikend waren om de kosten van de huishouding te voldoen, is niet ingegaan op het betoog van de man dat de aanvullende werking van de redelijkheid en de billijkheid meebrengt dat onder die omstandigheden zij daarvoor ieder voor de helft draagplichtig zijn.

De klachten van de onderdelen 2.1-I en 2.1-III behoeven geen behandeling.

4.2.1

Onderdeel 2.1.IV is gericht tegen rov. 4.8.1, 4.8.2 en het daarop voortbouwende dictum, waarin het hof oordeelt dat het door de vrouw te dragen gedeelte van de naheffingsaanslag IB 2014 niet meer bedraagt dan de helft van € 6.739,50. Het onderdeel voert aan dat de naheffingsaanslag € 13.479,-- bedraagt en het hof ten onrechte uitgaat van een naheffingsaanslag van € 6.739,50.

4.2.2

De klacht slaagt. De stukken van het geding, en rov. 3.2 onder (v) van de beschikking van het hof, laten geen andere uitleg toe dan dat de naheffingsaanslag € 13.479,-- beloopt en dat de man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw gehouden is de helft van dit bedrag – derhalve een bedrag van € 6.739,50 – aan hem te voldoen. In het licht hiervan is het oordeel van het hof onbegrijpelijk dat het door de vrouw te dragen deel van de naheffingsaanslag niet meer bedraagt dan de helft van € 6.739,50.

4.3

De klachten van onderdeel 2.2 van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.4.1

Onderdeel 2.3 is gericht tegen rov. 4.1.2 waar het hof oordeelt dat de aflossingen ter zake van de gezamenlijke geldleningen deel uitmaken van hetgeen de man te zijner tijd mocht blijken meer te hebben betaald dan de helft van die leningen en dat het verzoek van de man, zoals hiervoor in 2.2 onder (i) weergegeven, voor zover het ziet op de aflossingen, wordt afgewezen. Het onderdeel voert onder meer aan dat zonder nadere toelichting niet valt in te zien waarom niet, net als voor de gezamenlijke leningen, ook voor de aflossingen daarop, kan worden bepaald dat de vrouw daarvoor voor de helft draagplichtig is.

4.4.2

De man mist bij deze klacht belang. Nu het hof heeft beslist dat de vrouw ten aanzien van de gezamenlijke geldleningen voor de helft draagplichtig is, brengt dit met zich dat hetzelfde geldt voor eventuele aflossingen.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

- verwerpt het beroep;

in het incidentele beroep:

- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 15 mei 2018;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 4 oktober 2019.