Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1517

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-10-2019
Datum publicatie
04-10-2019
Zaaknummer
18/04241
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:578
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2018:3720
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 6.17 Wet IB 2001, farmaceutische hulpmiddelen, cannabis, ziekte van Crohn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 04-10-2019
V-N Vandaag 2019/2161
FutD 2019-2555 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2019/48.5 met annotatie van Redactie
NTFR 2019/2526 met annotatie van Mr. P.T. van Arnhem
NLF 2019/2249 met annotatie van Sonja Dusarduijn
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 18/04241

Datum 4 oktober 2019

ARREST

In de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 augustus 2018, nrs. 17/00270, 17/00271, 17/00273 en 17/00274, op de hoger beroepen van belanghebbende en de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 16/838 en 16/839) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De advocaat-generaal R.E.C.M. Niessen heeft geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2019:578).

2 Beoordeling van de klachten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1

Belanghebbende lijdt aan de ziekte van Crohn. Belanghebbende kweekt zelf cannabis. Het gebruik van cannabis is haar door artsen voorgeschreven. Volgens die artsen heeft de via de apotheek verkrijgbare cannabis niet de gewenste werking bij belanghebbende. Tevens koopt zij cannabis en cannabisolie bij coffeeshops. Belanghebbende ontvangt sinds het jaar 2000 jaarlijks een bedrag van € 6.000 aan bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand voor de kosten van zelfkweek van medicinale cannabis.

2.1.2

Belanghebbende heeft in haar aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2012 en 2013 specifieke zorgkosten in aftrek gebracht. Tot die kosten heeft zij gerekend de kosten van zelfkweek van cannabis en de kosten van aankoop van cannabis en cannabisolie, onder aftrek van het bedrag van de bijzondere bijstand. De Inspecteur heeft de aftrek van kosten van zelfkweek van cannabis en van aankoop van cannabis en cannabisolie als specifieke zorgkosten niet geaccepteerd.

2.2.1

Voor het Hof was onder meer in geschil of de door belanghebbende gemaakte kosten voor zelfkweek van cannabis en voor aankoop van cannabis en cannabisolie zijn aan te merken als kosten van farmaceutische hulpmiddelen als bedoeld in artikel 6.17, lid 1, aanhef en letter c, Wet IB 2001.

2.2.2

Het Hof heeft geoordeeld dat de door belanghebbende zelf gekweekte cannabis weliswaar is voorgeschreven als geneesmiddel, maar niet is verstrekt zoals artikel 6.17, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet IB 2001 vereist, zodat aftrek van die kosten niet mogelijk is.

2.2.3

De kosten van aankoop van cannabis en cannabisolie acht het Hof evenmin aftrekbaar omdat de voorschriften van de artsen alleen zien op zelfgekweekte cannabis. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat de bij coffeeshops ingekochte cannabis(olie) op voorschrift van een arts is verstrekt, aldus het Hof.

2.3.1

De eerste klacht is gericht tegen het in 2.2.2 weergegeven oordeel.

2.3.2

Artikel 6.17, lid 1, aanhef en letter c, Wet IB 2001 bepaalt met ingang van 1 januari 2009 dat tot de specifieke zorgkosten behoren uitgaven voor farmaceutische hulpmiddelen verstrekt op voorschrift van een arts. Tot het jaar 2009 stond de eis dat de farmaceutische hulpmiddelen moesten zijn verstrekt op voorschrift van een arts, niet met zoveel woorden in de wet. Artikel 6.17, lid 1, aanhef en letter a, Wet IB 2001 bepaalde tot 2009 dat uitgaven voor onder meer geneeskundige hulp, met inbegrip van farmaceutische hulpmiddelen, werden aangemerkt als uitgaven wegens ziekte. Daarnaast was bepaald dat uitgaven voor farmaceutische hulpmiddelen die niet op voorschrift van een arts waren verstrekt, slechts in aanmerking werden genomen tot een forfaitair bedrag (artikel 6.18, lid 1, letter a, Wet IB 2001, tekst tot 2009).

In de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de vanaf 2009 geldende tekst van artikel 6.17, lid 1, aanhef en letter c, Wet IB 2001 staat dat “uitgaven voor farmaceutische hulpmiddelen slechts [zijn] aan te merken als specifieke zorgkosten voor zover deze zijn verstrekt op voorschrift van een arts” en “[a]ftrek van uitgaven voor alle andere – zonder voorschrift van een arts – aangeschafte farmaceutische hulpmiddelen [niet is] toegestaan” (Kamerstukken II 2008/09, 31 706, nr. 3, blz. 47). Uit deze toelichting, noch uit de verdere totstandkomingsgeschiedenis van artikel 6.17, lid 1, aanhef en letter c, Wet IB 2001, zoals dat onderdeel luidt met ingang van 2009, kan worden afgeleid dat aan het woord ‘verstrekt’ in deze bepaling een verdergaande betekenis toekomt dan de voorwaarde dat het middel moet zijn voorgeschreven door een arts.

2.3.3

In cassatie is niet in geschil dat cannabis aan belanghebbende als farmaceutisch hulpmiddel is voorgeschreven door een arts, die van oordeel is dat via de apotheek verkrijgbare cannabis bij haar niet de gewenste werking heeft. Het oordeel van het Hof dat de kosten niet aftrekbaar zijn uitsluitend omdat de zelfgekweekte cannabis niet aan belanghebbende is verstrekt, berust gelet op het voorgaande op een onjuiste rechtsopvatting. De klacht slaagt in zoverre.

2.3.4

De eerste klacht faalt voor zover deze is gericht tegen het in 2.2.3 vermelde oordeel van het Hof. Het oordeel dat de voorschriften van de artsen alleen zien op zelfgekweekte cannabis berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van de feiten en is niet onbegrijpelijk. Op die grond heeft het Hof terecht vastgesteld dat de door belanghebbende gekochte cannabis en cannabisolie niet op voorschrift van een arts zijn verstrekt en daarom niet kunnen worden gerekend tot de in artikel 6.17, lid 1, aanhef en letter c, Wet IB 2001 bedoelde farmaceutische hulpmiddelen.

2.3.5

De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2.4

Uit hetgeen in 2.3.3 is overwogen volgt dat het beroep in cassatie gegrond is. Verwijzing moet volgen voor een nader onderzoek naar de hoogte van de aftrekbare zorgkosten en het belastbare inkomen uit werk en woning.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof, behalve ten aanzien van de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,

- verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 126, en

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.072 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2019.