Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1485

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
01-10-2019
Zaaknummer
17/05025
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:569
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2017:4596, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Opzettelijk handelen in strijd met in art. 2.A Opiumwet gegeven verbod door lading pallets met 1.447 kg amfetamine buiten grondgebied van Nederland te brengen. Afwijzing van voorafgaand aan tz. in h.b. gedaan en ttz. in h.b. herhaald verzoek om 13 getuigen te horen, nadat OvJ in h.b. is gegaan tegen vrijspraak in e.a. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:1015 en ECLI:NL:HR:2014:1496 m.b.t. rechterlijke motiveringsplicht bij afwijzing getuigenverzoeken en toetsing daarvan in cassatie. Hof heeft verzoek tot horen van getuigen beoordeeld met toepassing van noodzaakcriterium. In aanmerking genomen dat (i) h.b. is ingesteld door OM en (ii) raadsvrouwe tijdig voorafgaand aan tz. opgave van getuigen heeft gedaan bij AG en zich nadien ervan heeft vergewist dat AG die opgave tijdig heeft ontvangen, had Hof als maatstaf verdedigingsbelang moeten aanleggen. Mede gelet daarop en in aanmerking genomen wat raadsvrouwe aan dat verzoek ten grondslag heeft gelegd - inhoudend dat (i) diverse onduidelijkheden bestaan m.b.t. vraag of (a) door A op terrein van transportbedrijf B aangewezen pallets de door verdachte aangeboden lading betreft en (b) door NFI onderzocht materiaal afkomstig is van door verdachte aangeboden lading, en (ii) die onduidelijkheden niet worden weggenomen door stukken m.b.t. gang van zaken rond aantreffen van en onderzoek aan betreffende pallets, dozen en monsters - is volledige afwijzing door Hof van verzoek tot horen van alle in verzoek genoemde 13 personen niet toereikend gemotiveerd.

HR merkt n.a.v. CAG op dat onderhavige zaak - anders dan geval was in ECLI:NL:HR:2018:1943 - niet wordt gekenmerkt door bijzonderheid dat rechter in e.a. heeft doen blijken dat hij t.o.v. opsporingsambtenaar afgelegde, verdachte belastende verklaring van getuige niet betrouwbaar acht en daarom niet voor bewijs gebruikt, en rechter (mede) op die grond tot vrijspraak van het tlgd. feit is gekomen, terwijl rechter in h.b. die verklaring wel voor bewijs gebruikt. De in dat arrest voor dergelijke specifieke gevallen aanvaarde regel, die inhoudt dat rechter in h.b. ter waarborging van deugdelijkheid van bewijsbeslissing redenen voor gebruik van die verklaring dient op te geven en i.h.b. moet vermelden op welke gronden hij desbetreffende verklaring betrouwbaar acht, waarbij die gronden kunnen maar niet behoeven te zijn ontleend aan verhoor van getuige in h.b., vindt in deze zaak dan ook geen toepassing.

Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2019-0323
NJB 2019/2188
RvdW 2019/1063
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/05025

Datum 1 oktober 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 oktober 2017, nummer 20/003636-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.O.A.N. de Vries, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de bewezenverklaring van feit 1 en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Procesverloop, bewezenverklaring en bewijsmiddelen

2.1

De verdachte is in eerste aanleg door de Rechtbank bij vonnis van 16 november 2015 vrijgesproken van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde betreffende, kort gezegd, het medeplegen van (poging tot) het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen dan wel het opzettelijk voorhanden hebben van amfetamine - en veroordeeld wegens “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie”.

2.2

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld. In hoger beroep is de verdachte veroordeeld wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod” en 2. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”.

2.3.1

In hoger beroep is ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 3 juni 2015 te Amersfoort opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, 1.447 kilogram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I”.

2.3.2

Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van bevinding, Belastingdienst/Douane d.d. 4 juni 2015, p. 46 t/m 48 van dossier 1, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 1] (BOA) en [verbalisant 2] (BOA), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten:

Op 3 juni 2015 hebben wij van de douane Roosendaal het verzoek gekregen om een controle in te stellen op een lading goederen, welke was aangekomen bij de firma [A] B.V., gelegen aan de [a-straat 1] te Etten-Leur. Aanleiding van deze controle was een melding van [betrokkene 1] van voornoemd bedrijf dat hij de betreffende lading niet vertrouwde en dat hij om deze reden een controle van de douane verzocht.

Aldaar zijn wij te woord gestaan door een persoon welke verklaarde [betrokkene 2] te zijn en werkzaam te zijn als planner van voornoemd bedrijf met betrekking tot het transport van goederen naar het Verenigd Koninkrijk en Ierland. [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2] ) vertelde ons dat de goederen reeds gelost waren. [betrokkene 2] heeft ons vervolgens meegenomen naar een loods op het terrein van voornoemde firma en ons een drietal pallets aangewezen als zijnde de betreffende goederen waarvoor de melding was gedaan.

Wij zagen drie pallets in deze loods staan en zagen dat deze waren omwikkeld in zwarte folie. Ook zagen wij dat er op deze pallets geen merken of nummers waren aangebracht. Wij zagen op een van de pallets een kopie van een CMR (vrachtbrief). Wij lazen op deze kopie dat de verzender de firma [B] , [c-straat 1] Amersfoort was en dat de opdrachtgever [C] was. Ook lazen wij dat de uiteindelijke bestemming Bradford UK was. Vervolgens hebben wij deze goederen aan een fysieke controle onderworpen. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , heb met een mes de zwarte folie van een van de pallets geopend en zag dat daar onder kartonnen dozen stonden. Hierop heb ik de bovenste doos opengesneden en zag dat zich in deze doos diverse zakken bevonden welke waren voorzien van een aluminium sealbag. Vervolgens heb ik van een van deze zakken de sealbag geopend en zag ik dat er zich in de sealbag een dikke, doorzichtige, plastic vacuümzak bevond welke was gevuld met een witachtige substantie en tevens dat er zich een kleine hoeveelheid gele vloeistof in de zak bevond. Op grond van deze bevindingen hebben wij besloten een test toe te passen op de aangetroffen substantie. De test gaf aan dat het vermoedelijk om verdovende middelen ging. De goederen zijn in beslag genomen en overgedragen aan de politie Landelijke Eenheid.

2. Een proces-verbaal sporenonderzoek, d.d. 23 juni 2015, p. 87 t/m 102 van dossier 3, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 5] (inspecteur) en [verbalisant 6] (brigadier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten:

Op 16 juni 2015 werd door ons als forensische onderzoekers op verzoek van de Landelijke Eenheid een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een hoeveelheid harddrugs, aangetroffen in een bedrijfsloods aan de [a-straat 1] te Etten-Leur, op 3 juni 2015.

Tijdens het ingestelde onderzoek werd door ons het navolgende bevonden en waargenomen.

Van de beslagbeheerder van de Landelijke Eenheid ontvingen wij 8 witte kartonnen dozen en 28 lichtbruine kartonnen dozen, allen gevuld met pakketten van 1 kg of 2 kg. In totaal werden in de dozen 253 pakketten van 1 kg en 597 pakketten van 2 kg aangetroffen. Bij het openen van de 1 kg en 2 kg pakketten bleek de inhoud te bestaan uit een vochtige, witte pasta. Het netto totaalgewicht was 1.447 kg. Er werden monsters uit de pakketten getest met de indicatieve test, de uitslag van deze stof bevatte amfetamine. Na telefonisch overleg met de afdeling verdovende middelen van het Nederlands Forensisch Instituut werden 36 willekeurig genomen monsters ingestuurd naar het Nederlands Forensisch Instituut voor een verdere analyse van de monsters.

Monster sporen

Spoornummer: PL2600-2015024529-1106

SIN: AAFF6379NL

Spooromschrijving: vaste stof

(...)

3. Een rapport identificatie van drugs en precursoren van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2015.07.01.012 (aanvraag 001), d.d. 7 juli 2015 opgemaakt door ing. A.B.M. van Esch - de Bruin, p. 108 t/m 110 van dossier 3, voor zover inhoudende als relaas van rapporteur:

Op 24 juni 2015 werd onderzoeksmateriaal ontvangen met de vraagstelling: Bevat het materiaal middelen die vermeld zijn op een van de lijsten van de Opiumwet of op de bijlage van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (Wvmc) en zo ja, welke?

De resultaten en conclusies luiden:

Kenmerk: AAFF6379NL

Omschrijving: monster crèmekleurige substantie

Conclusie: bevat amfetamine

(...)

4. Een kopie van een e-mailbericht, d.d. 1 juni 2015, p. 32 van dossier 1, inhoudende:

Van: [e-mailadres ]

Verzonden: maandag 1 juni 2015 22:32

Aan: Export | [A]

Onderwerp: MvB

Goedemorgen [betrokkene 2]

Na telefonisch contact bij deze de opdracht om te laden bij

[B]

[c-straat 1]

[betrokkene 2] Amersfoort

Graag lossen op 04-06-2015 bij

Unit 37, Royds Enterprise Park

Future Fields

Bradford, West Yorkshire BD6 3EW

Verenigd Koninkrijk

[…]

Totaal 3 paletten (het hof begrijpt: 3 pallets)

[C]

5. Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 20 augustus 2015, p. 277 van dossier 4, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 3] (hoofdagent), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant:

Op 7 juli 2015 zijn er middels een vordering verstrekking historische verkeersgegevens internetgegevens opgevraagd over het hotmailadres [e-mailadres ] . Via Microsoft Corporation werd gevraagd om gegevens van het e-mailadres.

Uit de verstrekte informatie van Microsoft is naar voren gekomen dat [e-mailadres ] ingeschreven is door [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) en uit Nederland komt. Het

e-mailadres is geregistreerd op 1 juni 2015.”

3 Beoordeling van het derde middel

3.1

Het middel klaagt over de afwijzing van het verzoek tot het horen van getuigen, onder meer omdat het Hof bij de motivering daarvan een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd.

3.2.1

Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich een brief van de raadsvrouwe van de verdachte van 12 februari 2016, gericht aan het Hof, waarin het verzoek wordt gedaan dertien personen als getuige te horen “ten behoeve van het achterhalen van de chain of custody en de chain of evidence”, waarbij de namen en het beroep van die personen zijn aangeduid. Voorts maakt van die stukken onderdeel uit een e-mailbericht van 2 oktober 2017 van de Advocaat-Generaal aan de raadsvrouwe van de verdachte, waarin - kort gezegd - naar aanleiding van een bericht van de raadsvrouwe wordt aangegeven dat een reactie op het voordien tevens aan het Openbaar Ministerie verzonden verzoek tot het horen van de genoemde personen is uitgebleven en dat daarop zal moeten worden beslist door het Hof.

3.2.2

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 oktober 2017 houdt onder meer het volgende in:

“De voorzitter deelt als volgt mede:

Het hof heeft kennisgenomen van de onderzoekswensen van de verdediging van 12 februari 2016 en van het verzoek van 26 september 2017 om de terechtzitting van heden aan te merken als een regiezitting. Dat verzoek is voorafgaand aan deze terechtzitting door de voorzitter afgewezen, in die zin dat de raadsvrouw bij afwijzing van de onderzoekswensen er rekening mee dient te houden dat de zaak inhoudelijk wordt behandeld. Het hof zal echter niet twijfelen om de behandeling van de zaak aan te houden, mocht daar aanleiding toe bestaan.

De raadsvrouw deelt mede de onderzoekswensen thans nader toe te willen lichten en pleit overeenkomstig de inhoud van de door haar aan het hof overgelegde pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

De advocaat-generaal deelt als volgt mede:

Vooropgesteld moet worden dat het noodzaakscriterium van toepassing is. De raadsvrouw stelt dat er een aantal onderdelen van het dossier niet kloppen, terwijl ik van mening ben dat het dossier glashelder is. Door de raadsvrouw wordt aangehaald dat er verschillende gewichten in het dossier worden genoemd. De lading met de drie pallets zijn pas gewogen bij het sporenonderzoek en daaruit volgt dat het gewicht 1.447 kilogram is. Het eerdergenoemde gewicht van 923 kilogram was gebaseerd op e-mailverkeer van transportbedrijf [A] met [C] Op het moment van het e-mailverkeer waren de drie pallets echter nog niet gewogen, dus we kunnen ervan uit gaan dat het gewicht 1.447 kilogram is. De genoemde verschillende gewichten zijn dus geen reden om een gebrek in de chain of evidence aan te nemen.

De melding bij de douane is gemaakt door [betrokkene 1] , waarna vervolgens de douane ter plaatse is gekomen. [betrokkene 2] heeft de pallets aangewezen, inclusief de CMR-vrachtbrief, en de chauffeur heeft de pallets niet uit het zicht verloren. [betrokkene 2] heeft ook een verklaring afgelegd hoe transportbedrijf [A] aan deze pallets is gekomen. Tot dan toe is er geen onduidelijkheid omtrent de lading.

Vervolgens is op pagina’s 55/56 van het dossier te lezen dat de lading is overgedragen door de douane aan [verbalisant 3] van de Forensische Opsporing Brabant. Hierna is de lading onderzocht en er bestaat geen reden om aan te nemen dat het een andere lading betreft. De monsters worden genummerd en deze zijn ingestuurd naar het Nederlands Forensisch Instituut. De omstandigheid dat de spoor- en SIN-nummers niet logisch doorlopen, hoeft niet in strijd te zijn met het uitgevoerde onderzoek. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat er meerdere goederen in beslag zijn genomen die niet zijn onderzocht, zoals sealbags. Voor wat betreft hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd omtrent de verschillende proces-verbaalnummers wil ik het volgende opmerken. Ik ga ervan uit dat de douane en de politie werken met verschillende systemen, waardoor er ook verschillende nummers aan het dossier worden gekoppeld. Aangezien het om drie pallets gaat, kan men ervan uit gaan dat het dezelfde lading betreft. Voorts heeft dit dossier bij de politie het registratienummer PL2600-2015024529 gekregen; verschillende processen-verbaal in het dossier krijgen een daaropvolgend nummer door de doornummering.

Daarnaast heeft het onderzoek een naam gekregen, te weten Zazoe. In het dossier zit niets wat tot onduidelijkheid zou kunnen leiden.

Alles overziend ben ik van oordeel dat door de verdediging onvoldoende gesteld is en overigens onvoldoende is gebleken dat er iets niet klopt in de chain of evidence.

(...)

De raadsvrouw deelt als volgt mede:

Het transportbedrijf [A] werkt met pallets en het terrein zal dan ook vol staan met allerlei pallets. De chauffeur die de lading heeft opgehaald bij mijn cliënt heeft deze lading achtergelaten op het terrein van [A] en is vervolgens weggegaan.

De lading is daarna aangewezen door [betrokkene 2] . Hieruit blijkt dat de lading enige tijd uit het zicht verloren is geweest. Deze drie pallets zijn vervolgens overgedragen, maar hier zijn geen kenmerken aan gegeven. De advocaat-generaal zegt zojuist dat ze er vanuit gaat dat de proces-verbaalnummers van de politie en de douane niet overeenkomen doordat er wordt gewerkt met verschillende systemen, maar dat gelet op de omstandigheid dat de lading bij [A] drie pallets betreft, men ervan uit kan gaan dat het dezelfde lading betreft. Processen-verbaal worden juist van nummers voorzien zodat een lading gevolgd kan worden. In het dossier zijn concrete aanwijzingen dat transportbedrijf [A] vaker controles laat uitvoeren en ze werken altijd met pallets. Gelet hierop moet heel zorgvuldig bekeken worden welke lading is aangeboden. In deze zaak wordt er gesproken over verschillende gewichten, de beschrijving van de aangetroffen lading is niet eenduidig, de proces-verbaalnummers komen niet overeen en de spoor- en SIN‑nummers volgen elkaar niet logisch op. De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de mogelijkheid bestaat dat er sealbags in beslag zijn genomen en deze niet onderzocht zijn. De sealbags hebben echter weer andere spoor- en SIN-nummers. Ik heb concreet gekeken naar de spoornummers, die normaal gesproken worden doorgenummerd, en daar ontbreken stukken.

U, jongste raadsheer, houdt mij voor dat er een vrachtbrief, afkomstig van het bedrijf van mijn cliënt, op één van de pallets is aangetroffen door de douane en u vraagt mij of ik betwist dat deze pallet is opgehaald bij mijn cliënt. Ik betwist dat, het is slechts een losse vrachtbrief. Het is niet duidelijk of deze vrachtbrief bijvoorbeeld los is geraakt. Er dient nader onderzoek plaats te vinden, omdat er op zoveel onderdelen onduidelijkheid bestaat.

Het hof onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad.

Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek tot het horen van getuigen zal worden aangehouden, daarover zal bij (tussen)arrest worden beslist.”

3.2.3

De hiervoor onder 3.2.2 genoemde pleitnota houdt onder meer het volgende in:

“Verzoek horen getuigen over chain of custody en chain of evidence

Uit het dossier kan niet worden herleid dat hetgeen het NFI heeft getest ook daadwerkelijk de inhoud is van de door cliënt aangeboden vracht met auto-onderdelen.

In het dossier wordt telkens een andere massa, een andere omschrijving van de sporen en een ander registratienummer gegeven waardoor niet gecontroleerd kan worden of hetgeen inbeslaggenomen is, daadwerkelijk de door cliënt verstuurde vracht is en of hetgeen inbeslaggenomen is, ook naar het NFI is gegaan.

Ander gewicht

Welk gewicht zou cliënt hebben laten vervoeren? Op de dagvaarding voor de zitting van 8 september 2015 wordt nog gesproken over een vracht van ongeveer 900 kg. Ter zitting van 8 september 2015 heeft de officier van justitie gezegd dat dit zou worden verhoogd naar 1400 kg. Op de zitting van 16 november 2015 is dit gewijzigd in zelfs 1447 kg.

Uit het dossier blijkt dat er op 2 juni 2015 per mail opdracht is gegeven aan [A] om 3 pallets met een totaalgewicht van 1260 kg te laden bij [B] (p. 37).

De Douane controleert 3 pallets bij [A] met een totaalgewicht van 923 kg (p. 49), elders wordt gesproken over een brutogewicht van ongeveer 920 kg.

De Landelijke Eenheid ontvangt een vracht met een netto totaalgewicht van 1447 kg (p. 87).

Dit betreft een verschil van meer dan 500 kg!

Gaat dit nog wel over dezelfde vracht?

Andere beschrijving

Cliënt heeft de lading verpakt en dicht gesealed aangeboden. Dit betrof auto-onderdelen.

Op de kennisgeving van inbeslagneming staat dat er 36 witte dozen in beslag zijn genomen. De Landelijke Eenheid sporenonderzoek ontvangt maar 8 witte dozen. Zij ontvangt echter ook 28 lichtbruine kartonnen dozen (p. 87).

Het NFI ontvangt 36 monsters crèmekleurige substantie.

Opnieuw de vraag: gaat dit wel over dezelfde vracht?

Ander registratienummer

Op de kennisgeving van inbeslagneming staat het proces-verbaalnummer PL2600-2015024529-25.

De Douane noemt in het proces-verbaal van overdracht het proces-verbaalnummer 20150603 23767 en als naam van het onderzoek 2015 0208 00135 (p. 55).

De Landelijke Eenheid vermeldt proces-verbaalnummer PL2600-2015024529-37 en als naam van het onderzoek 26ZAZOE.

Wederom de vraag: gaat dit wel over dezelfde vracht?

Spoor- en SIN-nummers volgen elkaar niet logisch op

In het proces-verbaal sporenonderzoek worden spoornummers toegekend. Om transparant te zijn, wordt er altijd doorgenummerd. Er zijn 36 spooromschrijvingen ‘vaste stof’. Deze beginnen met spoornummer PL2600-2015024529-1073. Vervolgens worden er zonder reden drie nummers overgeslagen en wordt er verdergegaan met spoornummer PL2600-2015024529-1077, die worden doorgenummerd tot en met PL2600-2015024529-1111.

Aan deze 36 spoornummers worden ook SIN-nummers toegekend. Ook SIN nummers worden altijd doorgenummerd. Deze spoornummers krijgen echter SIN-nummers AAFF6349NL t/m AAFF6380NL, dan worden er 9 cijfers overgeslagen en worden SIN-nummers AAFF6390NL en AAFF6391NL toegekend. Vervolgens is er nog sprake van SIN-nummers AAFE7000NL en AAFE7001.

Deze nummering roept talloze vragen op, waaronder de vraag wat er met de tussenliggende nummers is gebeurd en waarom dit op deze manier is gebeurd. Gaat dit nog wel om hetzelfde beslag?

Conclusie

Vanaf de afgifte van de pallets aan de chauffeur door cliënt, tot de inbeslagneming van de 36 dozen bij [A] door de Douane, tot de overdracht aan de Landelijke Eenheid, de monsterneming en weging aan de hand van de spooridentificatienummers (hierna SIN‑nummers) tot en met de indiening daarvan bij het NFI op grond van de voorgaande nummering is de logistieke keten van voornoemde pakketten niet navolgbaar en controleerbaar.

Het is onduidelijk of de door de Douane geïnspecteerde pallets de pallets zijn die waren geladen bij [B] , of de door de Landelijke Eenheid ontvangen dozen dezelfde zijn als die door de Douane in beslag zijn genomen, of de monsters representatief zijn en of hetgeen inbeslaggenomen is, ook naar het NFI is gegaan.

De registratienummers verschillen, de beschrijvingen verschillen en de toegekende kenmerken aan de sporen en de SIN-nummers volgen elkaar onlogisch op. Niet alle pakketten zijn indicatief getest. Er zijn willekeurig monsters genomen. Doordat nummers missen, wekt dit de vraag op of sommige monsters wellicht niet positief indicatief getest zijn en uit het beslag zijn gehouden.

Het NFI-rapport en de vaststelling dat er sprake is van amfetamine kan derhalve niet voor het bewijs worden gebruikt.

Het is noodzakelijk voor de volledigheid van het onderzoek dat de navolgende getuigen worden gehoord ten behoeve van het achterhalen van de chain of custody en de chain of evidence:

Medewerkers bedrijf [A] B.V.

- melder [betrokkene 1] (p. 46)

- chauffeur [betrokkene 4] (p. 195 e.v.)

- planner [betrokkene 2] (p. 29)

Medewerkers Belastingdienst/Douane Regio Roosendaal (p. 46-48)

- [verbalisant 1] , BOA akte nummer [002]

- [betrokkene 10], BOA akte nummer [003]

- [betrokkene 5]

- Teamleider [betrokkene 6]

Medewerkers Landelijke Eenheid

- [verbalisant 3] (p. 48 en 55-56)

- [betrokkene 7] (p. 53-54)

- [betrokkene 8] (p. 53)

- [verbalisant 5] (p. 87 e.v.)

- [betrokkene 9] (p. 87 e.v.)

NFI medewerker

- Ing. A.B.M. van Esch - de Bruin (p. 108-110)

De verdediging wenst hen - onder meer - de volgende vragen te stellen:

- Op welke datum, tijdstip en locatie heeft u het sporenmateriaal voor het eerst gezien?

- Kunt u gedetailleerd beschrijven hoe het sporenmateriaal er op dat moment uitzag?

- Welke procedurele maatregelen (bijvoorbeeld Forensisch Technische normen en/of specifieke wet- en regelgeving) dient u in acht te nemen bij dit sporenmateriaal? (bijvoorbeeld met betrekking tot het toekennen van een kenmerk aan het sporenmateriaal)

- Welk kenmerk heeft u aan het sporenmateriaal toegekend en/althans was er op dat moment aan het sporenmateriaal toegekend?

- Waarom volgt de nummering van deze kenmerken elkaar niet logisch op?

- Welke handelingen heeft u met het sporenmateriaal verricht?

- Welke voorzorgsmaatregelen heeft u getroffen om contaminatie van het sporenmateriaal te voorkomen? (bijvoorbeeld het dragen van handschoenen, nu er geen dacty sporen op de verpakkingsmaterialen is aangetroffen)

- Welke voorzorgsmaatregelen heeft u getroffen om verwisseling van het sporenmateriaal te voorkomen? (bijvoorbeeld door het aanhechten van de CMR brief aan het sporenmateriaal of het opplakken van een SIN sticker)

- Op welke datum, tijdstip en locatie heeft u het sporenmateriaal voor het laatst gezien? Heeft u het sporenmateriaal onbeheerd achtergelaten? Zo nee, aan wie heeft u het sporenmateriaal overgedragen?

- Kunt u gedetailleerd beschrijven hoe het sporenmateriaal er op dat moment uitzag?”

3.2.4

De bestreden uitspraak houdt het volgende in:

“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe vrijspraak bepleit ten aanzien van het ten laste gelegde onder 1. Daartoe heeft zij het volgende - kort weergegeven - aangevoerd:

I. De zogenaamde ‘chain of custody’ en ‘chain of evidence’ zijn doorbroken, waardoor op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat hetgeen het NFI heeft getest ook daadwerkelijk de inhoud is van de door verdachte aangeboden vracht, waardoor het NFI-rapport niet tot bewijs kan dienen. In het dossier zijn de beschrijving van het gewicht van de lading en de beschrijving van de lading niet consistent. Voorts worden er verschillende registratienummers gehanteerd en volgen de spoor- en SIN-nummers elkaar niet logisch op. Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat de goederen op enig moment zijn verwisseld, zodat de verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen hem is ten laste gelegd onder 1.

(...)

Ad I.

Mede op grond van de gebezigde bewijsmiddelen neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.

Op 3 juni 2015 heeft de douane een controle ingesteld op een lading goederen bij het bedrijf [A] B.V., gelegen aan de [a-straat 1] te Etten-Leur. Deze lading bestond uit drie pallets en op één van de pallets was een kopie van een vrachtbrief aangebracht waaruit bleek dat de afzender van deze pallets de firma [B] , [c-straat 1] Amersfoort was (pag. 46 ev. dossier 1). Vervolgens is de lading, in totaal 36 dozen, inbeslaggenomen en voor verder onderzoek op 3 juni 2015 overgedragen aan de afdeling Forensische Opsporing Politie Zeeland West Brabant (proces-verbaal van overdracht, pag. 55 ev. dossier 1). Op 16 juni 2015 is sporenonderzoek verricht aan de inbeslaggenomen lading en zijn monsters uit de verpakking naar het NFI gestuurd voor verdere analyse (pag. 87 ev., dossier 3). Het NFI heeft hierover op 7 juli 2015 gerapporteerd (pag. 108 ev. dossier 3).

Het hof stelt op grond van het voornoemde proces-verbaal sporenonderzoek en het proces‑verbaal van bevindingen op pagina 284 van dossier 4 vast dat de forensische opsporing de op 3 juni 2015 inbeslaggenomen lading, bestaande uit drie pallets met in totaal 36 dozen, voor het eerst heeft gewogen op 16 juni 2015 en dat het netto totaalgewicht van de lading 1.447 kilogram betrof. Het in eerdere processen-verbaal genoemde (bruto) gewicht van 923 kilogram was gebaseerd op het e-mailverkeer van de planner van transportbedrijf [A] met [C] . Hieruit concludeert het hof dat het een en dezelfde lading betreft en dat het feitelijke netto totaalgewicht van de desbetreffende lading 1.447 kilogram is.

Het hof overweegt voorts dat het enkele gebruik van verschillende registratienummers niet zonder meer tot de conclusie leidt dat er in deze zaak sprake zou (kunnen) zijn van verwisseling van vrachten. Voor wat betreft de verschillende registratienummers stelt het hof vast dat deze zaak, genaamd 26Zazoe, het registratienummer PL2600-2015024529 toebedeeld heeft gekregen. De verschillende proces-verbaalnummers in het dossier zijn het gevolg van de doornummering van de verschillende processen-verbaal in het dossier. Bovendien overweegt het hof dat, ten aanzien van het afwijkende proces-verbaalnummer van de douane, is gebleken dat de douane en de politie werken met verschillende systemen waardoor de nummers niet op elkaar zijn afgestemd. Voor zover relevant blijkt uit deze processen-verbaal, in onderling verband en samenhang bezien, anders dan de verdediging stelt, naar het oordeel van het hof niet van het bestaan van een andere lading dan die op 3 juni 2015, na controle door de belastingdienst, te Etten-Leur bij het bedrijf [A] BV in beslag is genomen en verder nader is onderzocht.

De stelling van de raadsvrouwe dat - kort gezegd - niet vast kan worden gesteld dat de pallets die bij het bedrijf van verdachte zijn opgehaald dezelfde pallets zijn als die op 3 juni 2015 bij transportbedrijf [A] in beslag zijn genomen, is niet aannemelijk geworden. Integendeel, [betrokkene 2] heeft de bedoelde pallets - waarop op één daarvan de vrachtbrief met als afzender de firma [B] was bevestigd - aan medewerkers van de belastingdienst/douane aangewezen.

Blijkens het meergenoemde proces-verbaal sporenonderzoek is de desbetreffende lading vervolgens bemonsterd en getest met een indicatieve test waaruit bleek dat de bemonsterde pakketten de stof amfetamine bevatte. Hierna werden 36 willekeurige monsters onder de kop “monster sporen” en voorzien van unieke SIN-nummers ingestuurd naar het NFI voor verdere analyse. Blijkens het NFI rapport Identificatie van drugs en precursoren d.d. 7 juli 2015 op pagina 108 e.v. van het dossier 3, zijn al deze monsters onderzocht en is geconcludeerd dat zij amfetamine bevatten. De aan de monsters gegeven SIN-nummers komen overeen met de door het NFI in zijn onderzoek opgenomen SIN-nummers. Het hof concludeert derhalve dat de chain of custody en de chain of evidence niet zijn doorbroken en het onomstotelijk is vast komen te staan dat de resultaten van het NFI zien op de inhoud van de pallets die bij het bedrijf [B] zijn opgehaald op 3 juni 2015. Gelet hierop kan het NFI-rapport van 7 juli 2015 tot het bewijs worden gebezigd.

Het overige door de raadsvrouwe aangevoerde, te weten de andere beschrijving van de kleur van de dozen waarin de amfetamine was verpakt, leidt, op grond van het bovenstaande, niet tot een ander oordeel. De door de raadsvrouwe genoemde discrepantie tussen de beschrijving van die kleur acht het hof een kennelijk verkeerde waarneming dan wel onjuiste verbalisering.

Tenslotte is het hof van oordeel dat, gelet op het bovenstaande, het horen van getuigen die zouden kunnen verklaren over de chain of custody en/of de chain of evidence, zoals door de raadsvrouwe verzocht, niet noodzakelijk is en wijst dit verzoek derhalve af.”

3.3.1

Of een verzoek tot het horen van getuigen naar behoren is onderbouwd alsook of het dient te worden toegewezen, zal de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van het toepasselijke criterium - moeten beoordelen. De rechter dient, indien hij een verzoek afwijst, de feitelijke en/of juridische gronden waarop die afwijzing berust, in het proces-verbaal van de terechtzitting dan wel de uitspraak op te nemen. Die rechterlijke motiveringsplicht steunt mede op art. 6 EVRM. (Vgl. HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015.)

3.3.2

Omtrent deze motiveringsverplichting zijn wegens de vele, uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen, geen nadere algemene regels te geven. De mate waarin een afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen dient te worden gemotiveerd, wordt medebepaald door de aard van het onderwerp waarover de getuige zou kunnen verklaren alsmede de aard en de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten om hem te horen, terwijl tevens betekenis toekomt aan het procesverloop, waaronder ook het stadium waarin het verzoek is gedaan. In cassatie gaat het bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen in de kern om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. (Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496.)

3.4.1

Het Hof heeft het verzoek tot het horen van de getuigen beoordeeld met toepassing van het noodzaakcriterium. In aanmerking genomen dat (i) het hoger beroep is ingesteld door het Openbaar Ministerie en (ii) de raadsvrouwe tijdig voorafgaand aan de terechtzitting de opgave van de getuigen heeft gedaan bij de Advocaat-Generaal en zich nadien ervan heeft vergewist dat de Advocaat-Generaal die opgave tijdig heeft ontvangen, had het Hof - gelet op art. 263, tweede en derde lid, 264, eerste lid, 287, derde lid, 288, eerste lid, 414, eerste en tweede lid, en 418, eerste lid, Sv - als maatstaf het verdedigingsbelang moeten aanleggen.

3.4.2

Mede gelet daarop en in aanmerking genomen wat de raadsvrouwe aan dat verzoek ten grondslag heeft gelegd - in de kern inhoudend dat (i) diverse onduidelijkheden bestaan met betrekking tot de vraag of (a) de door [betrokkene 2] op het terrein van transportbedrijf [A] aangewezen pallets de door de verdachte aangeboden lading betreft en, mede daarmee samenhangend, (b) het door het NFI onderzochte materiaal afkomstig is van de door de verdachte aangeboden lading, en (ii) die onduidelijkheden niet worden weggenomen door de stukken met betrekking tot de gang van zaken rond het aantreffen van en het onderzoek aan de betreffende pallets, dozen en monsters - is de volledige afwijzing door het Hof van het verzoek tot het horen van alle in het verzoek genoemde dertien personen niet toereikend gemotiveerd.

3.5

Het middel is terecht voorgesteld.

3.6

Naar aanleiding van de conclusie van de Advocaat-Generaal merkt de Hoge Raad op dat de onderhavige zaak - anders dan het geval was in HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1943 - niet wordt gekenmerkt door de bijzonderheid dat de rechter in eerste aanleg heeft doen blijken dat hij een ten overstaan van een opsporingsambtenaar afgelegde, de verdachte belastende verklaring van een getuige niet betrouwbaar acht en daarom niet voor het bewijs gebruikt, en de rechter (mede) op die grond tot vrijspraak van het tenlastegelegde feit is gekomen, terwijl de rechter in hoger beroep die verklaring wel voor het bewijs gebruikt. De in dat arrest voor dergelijke specifieke gevallen aanvaarde regel, die inhoudt dat de rechter in hoger beroep ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing de redenen voor het gebruik van die verklaring dient op te geven en in het bijzonder moet vermelden op welke gronden hij de desbetreffende verklaring betrouwbaar acht, waarbij die gronden kunnen maar niet behoeven te zijn ontleend aan een verhoor van de getuige in hoger beroep, vindt in deze zaak dan ook geen toepassing.

4 Beoordeling van de overige middelen

Gelet op de hierna volgende beslissing behoeven de overige middelen geen bespreking.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;

- wijst de zaak terug naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, A.L.J. van Strien, M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2019.