Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:148

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
17/04562
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1333
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedrag (€ 7.560,-) onder klager t.z.v. strafrechtelijk onderzoek naar witwassen. Rb heeft klager n-o verklaard in zijn beklag op de grond dat klager afstand heeft gedaan van het inbeslaggenomen geldbedrag. Heeft klager op rechtsgeldige wijze afstand gedaan a.b.i. art. 116.2 Sv? Art. 116.2 Sv stelt de eis dat de verklaring waarmee beslagene afstand doet van inbeslaggenomen voorwerp schriftelijk en t.o.v. RC, OvJ of opsporingsambtenaar wordt afgelegd. Naast deze eis geldt dat de afstandsverklaring slechts rechtsgevolgen heeft als zij kan worden opgevat als de openbaring van de wil van beslagene tot het doen van afstand van het inbeslaggenomen voorwerp (vgl. art. 3:33 BW). Hiervan is in de regel slechts sprake indien kan worden aangenomen dat (i) beslagene bekend was met de door hem prijsgegeven aanspraken en (ii) uit de verklaringen en gedragingen van beslagene de op dit prijsgeven betrekking hebbende wil voldoende duidelijk blijkt. Rb heeft geoordeeld dat het voor klager voldoende duidelijk was dat hij afstand deed van het geldbedrag op het moment dat hij de afstandsverklaring ondertekende en dat hij zijn wil tot het doen van afstand in vrijheid heeft kunnen bepalen. Op grond daarvan heeft de Rb geoordeeld dat de door klager - t.o.v. opsporingsambtenaar - ondertekende afstandsverklaring m.b.t. inbeslaggenomen geldbedrag rechtsgeldig tot stand is gekomen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Voor verdere toetsing in cassatie leent oordeel Rb zich niet, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard. Volgt verwerping. CAG (anders): oordeel Rb dat vrijwillig afstand is gedaan is niet z.m. begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/376
RvdW 2019/244
NBSTRAF 2019/74
SR-Updates.nl 2019-0170
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 februari 2019

Strafkamer

nr. S 17/04562 B

YTA/CB

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 20 juli 2017, nummer RK 17/1359, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft G.W.L.A.M. Koppen, advocaat te Eindhoven, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank, teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte, althans op onbegrijpelijke gronden, de klager niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beklag. Het richt zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat de klager rechtsgeldig afstand heeft gedaan van het inbeslaggenomen geldbedrag.

2.2.

De Rechtbank heeft de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag, dat strekt tot teruggave van een onder de klager inbeslaggenomen geldbedrag. De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Feiten

Op 4 april 2017 is te Dordrecht onder de klager beslag gelegd op een geldbedrag ter hoogte van € 7.560,=. Het beslag is gelegd op grond van artikel 94 Sv, in het kader van een strafrechtelijk onderzoek ter zake van witwassen.

De klager heeft op 4 april 2017 schriftelijk afstand gedaan van het geldbedrag.

Standpunt klager en standpunt officier van justitie

Het klaagschrift strekt tot teruggave aan de klager van het inbeslaggenomen geldbedrag. Aangevoerd is dat het hier om een kwetsbare verdachte gaat, die ondanks zijn uitdrukkelijke wens om te worden gehoord met raadsman zonder raadsman is gehoord. Dit is bovendien gebeurd nadat de raadsman de politie had laten weten dat zij niet met het verhoor mochten aanvangen zonder hem. De afstandsverklaring is vervolgens in afwezigheid van de raadsman tot stand gekomen, terwijl klager geen afstand van het geldbedrag wilde doen en ook de consequenties van zijn handelen niet kon overzien. Van het geldbedrag is geen afstand gedaan. Dit bedrag moet terug naar klager.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beklag. Daartoe is gesteld dat de klager wel rechtsgeldig afstand heeft gedaan van het geldbedrag.

Ontvankelijkheid

Maatstaf bij de beoordeling in raadkamer is of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van hetgeen bij klager in beslag is genomen.

Daarvoor zal allereerst de vraag moeten worden beantwoord of sprake is van beslag op het geldbedrag. Voor de beantwoording van die vraag is relevant of hiervan rechtsgeldig afstand is gedaan door klager. Om daarvan te kunnen spreken moet klager bij zijn volle verstand en vrijwillig afstand hebben gedaan.

In het proces-verbaal met nummer PL1700-2017105456-14 van 4 april 2017 dat is opgemaakt door de verhorend verbalisant over het verhoor van klager en de wijze van de totstandkoming van de afstandsverklaring is te lezen:

"Tegen het einde van het verhoor heb ik aan [klager] medegedeeld dat er een gripzakje met wit poeder, 4 ponypacks met wit poeder en 7560 euro in beslag was genomen. Ik vroeg aan verdachte of hij afstand deed van al deze goederen. Verdachte [klager] verklaarde dat hij liever van het geld geen afstand wilde doen, maar dat het wel zou moeten en dat hij ook van de drugs afstand deed".

"Ik stelde de afstandsverklaring samen en printte deze uit. Hierna liet ik het aan de verdachte lezen en deelde hem mede dat het een afstandsverklaring betrof van de drugs en het geld. Ik zag dat de verdachte enige tijd naar de afstandsverklaring keek en uiteindelijk aan mij vroeg waar hij een handtekening kon zetten".

"In het contact met de verdachte heb ik, verbalisant geen moment het gevoel en de indruk gehad dat ik te maken had met een zogenaamde kwetsbare verdachte. Daar was ook geen aanleiding voor".

Het proces-verbaal met nummer PL1700-2017105456-8 van verhoor van klager als verdachte van 4 april 2017 houdt onder meer in:

"Er is 1 gripzakje met wit poeder met opschrift manitol, 4 ponypacs met daarin wit poeder en 7650 euro in beslag genomen.

- Het zal wel moeten denk ik. Van het geld doe ik liever geen afstand, maar het zal wel moeten denk ik en van de drugs doe ik ook afstand".

Uit het eerst aangehaalde verbaal leidt de rechtbank af dat voor de verbalisant er geen enkele aanleiding was om te veronderstellen dat het hier een kwetsbare verdachte betrof. Het verklaren over een drugs- en gokverslaving door klager hadden de verbalisant hiertoe ook geen aanleiding behoeven te geven. Het hebben van dergelijke verslavingen betekent immers nog niet dat daarmee een gebrek in de wilsbepaling is gegeven. Ook het zelf mutileren, voorzover de littekens hiervan al voor de verbalisant zichtbaar moeten zijn geweest, hoeft niet die betekenis te hebben.

De rechtbank leidt uit de beide aangehaalde verbalen af dat voor klager duidelijk was waarvan hij afstand deed. De verbalisant zegt niet alleen in het na het verhoor door hem opgestelde verbaal dat hij de klager heeft voorgehouden dat het niet alleen om de drugs, maar ook om het geld ging, dit blijkt ook uit het verhoor zelf. Dat klager heeft aangegeven dat hij liever geen afstand wilde doen van het geld, maar dat het wel zou moeten, is geen aanwijzing dat klager onder druk afstand heeft gedaan. De rechtbank leest deze verklaring eerder zo dat klager het geld liever niet kwijt wilde, maar hij gezien de verdenking niet anders kon.

De rechtbank neemt verder in overweging dat de klager in raadkamer heeft verklaard dat hij voor afstand van het geld heeft getekend omdat hij graag naar huis wilde. Hij dacht dat zijn advocaat er dan later wel werk van kon maken om het geld voor hem weer terug te krijgen. De rechtbank leidt ook hieruit af dat voor de klager voldoende duidelijk was dat hij afstand van het geld deed op het moment dat hij de afstandsverklaring tekende en dat hij zijn wil ten aanzien hiervan ook, en in vrijheid, heeft kunnen bepalen.

Dit alles maakt dat de rechtbank er van uitgaat dat de afstandsverklaring rechtsgeldig tot stand is gekomen.

(...)

Nu de klager schriftelijk afstand heeft gedaan van het inbeslaggenomen geldbedrag, is van beslag op dat geldbedrag geen sprake meer. De klager zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het beklag."

2.3.

Art. 116, tweede lid, Sv luidt:

"Indien degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen ten overstaan van de rechter-commissaris, de officier van justitie of een opsporingsambtenaar schriftelijk verklaart afstand te doen van het voorwerp, kan de hulpofficier van justitie of het openbaar ministerie:

a. het voorwerp doen teruggeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt;

b. gelasten dat het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende in bewaring zal blijven, indien teruggave aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, nog niet mogelijk is;

c. in geval degene bij wie het voorwerp is in beslag genomen verklaart dat het hem toebehoort, gelasten dat daarmee wordt gehandeld als ware het verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer."

2.4.

Art. 116, tweede lid, Sv stelt aan de daar bedoelde verklaring waarmee de beslagene afstand doet van een inbeslaggenomen voorwerp, de eis dat deze verklaring schriftelijk en ten overstaan van de rechter-commissaris, de officier van justitie of een opsporingsambtenaar wordt afgelegd. Naast deze eis geldt (ook) voor de in art. 116, tweede lid, Sv bedoelde afstandsverklaring - die de consequentie heeft dat de beslagene zijn aan het civiele recht te ontlenen aanspraken op het inbeslaggenomen voorwerp prijsgeeft - dat zij slechts rechtsgevolgen heeft als zij kan worden opgevat als de openbaring van de wil van de beslagene tot het doen van afstand van het inbeslaggenomen voorwerp (vgl. art. 3:33 BW). Gelet op de verstrekkende en voor de beslagene veelal eenzijdige consequenties van een afstandsverklaring, is daarvan in de regel slechts sprake indien kan worden aangenomen dat (i) de beslagene bekend was met de door hem prijsgegeven aanspraken en (ii) uit de verklaringen en gedragingen van de beslagene de op dit prijsgeven betrekking hebbende wil voldoende duidelijk blijkt.

2.5.

De Rechtbank heeft blijkens haar hiervoor weergegeven overwegingen, onder verwijzing naar de daarin weergegeven processen-verbaal, geoordeeld dat het voor de klager voldoende duidelijk was dat hij afstand deed van het geldbedrag op het moment dat hij de afstandsverklaring ondertekende en dat hij zijn wil tot het doen van afstand in vrijheid heeft kunnen bepalen. Op grond daarvan heeft de Rechtbank geoordeeld dat de door de klager - ten overstaan van een opsporingsambtenaar - ondertekende afstandsverklaring met betrekking tot het inbeslaggenomen geldbedrag rechtsgeldig is tot stand gekomen. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Voor verdere toetsing in cassatie leent het oordeel van de Rechtbank zich niet, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard.

2.6.

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 februari 2019.