Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1465

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-10-2019
Datum publicatie
15-10-2019
Zaaknummer
17/05184
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:427
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen diefstal met braak en inklimming, art. 311.1.4 en 311.1.5 Sr. Vordering b.p. Vergoeding van immateriële schade aan bewoners van woning t.g.v. inbraak in woning en diefstal van sieraden uit woning, art. 6:106 BW. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2019:793 en ECLI:NL:HR:2019:376 m.b.t. vraag wanneer sprake is van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ a.b.i. art. 6:106.b BW. ’s Hofs kennelijke oordeel dat m.b.t. benadeelde partijen telkens sprake is van aantasting in hun persoon ‘op andere wijze’ a.b.i. art. 6:106.1.b BW is onjuist, althans onbegrijpelijk.

V.zv. Hof heeft geoordeeld dat aard en ernst van normschending en van gevolgen daarvan voor b.p. meebrengen dat bij b.p. telkens sprake is van aantasting in persoon, had Hof dat oordeel, ook v.w.b. die gevolgen van normschending voor b.p., dienen te motiveren aan de hand van door b.p. aangedragen gegevens. Enkele verwijzing naar billijkheid ter motivering volstaat niet, evenmin als enkele omstandigheid dat (hoogte van) schadevergoeding in h.b. niet is weersproken en dat verdediging zich in e.a. aan oordeel van rechter heeft gerefereerd. Een vordering tot vergoeding van immateriële schade die geen rechtsgrond vindt in de wet kan niet worden toegewezen. V.zv. ‘s Hofs oordeel aldus moet worden begrepen dat aard en ernst van normschending meebrengen dat nadelige gevolgen daarvan voor b.p. zo voor de hand liggen dat aantasting in persoon m.b.t. alle b.p. kan worden aangenomen zonder enige nadere vaststelling m.b.t. gevolgen die normschending voor ieder van deze b.p. heeft gehad, geeft dat oordeel blijk van onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel niet begrijpelijk. Niet is uitgesloten dat inbraak in woning voor bewoner dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor aannemen van aantasting in persoon, maar daarvoor is vereist dat vaststellingen over die gevolgen (kunnen) worden gedaan. Voorts ligt het niet voor de hand aantasting in persoon aan te nemen als nadelige gevolgen enkel bestaan in verlies van voorwerp. Omstandigheid dat voorwerp ook ‘emotionele waarde’ had, volstaat in beginsel niet om te kunnen aannemen dat verlies van dit voorwerp aantasting in persoon oplevert.

Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG: anders t.a.v. 1 b.p., die - niet betwist - heeft gesteld last te hebben gehad van hoge bloeddruk, hartkloppingen, slapeloosheid en stress. ’s Hofs impliciete oordeel dat gelet op ernst van normschending gevolgen voor deze b.p. zodanig zijn geweest dat sprake is van “aantasting in haar persoon op andere wijze” is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2019-0355
PS-Updates.nl 2019-1253
NJB 2019/2360
RvdW 2019/1116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/05184

Datum 15 oktober 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 oktober 2017, nummer 22/000527-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] en de ten behoeve van elk van hen opgelegde schadevergoedingsmaatregel, en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2 Beoordeling van het middel

2.1

Het middel klaagt over de toewijzing door het Hof van de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, in het bijzonder wat betreft het oordeel van het Hof dat de benadeelde partijen recht hebben op vergoeding van immateriële schade.

2.2.1

Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bevestigd. In dat vonnis is ten laste van de verdachte onder meer bewezenverklaard dat:

“hij op 11 januari 2015 te Brielle tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning, gelegen aan de [a-straat 1] , heeft weggenomen

- vijf horloges en

- zeven gouden kettingen en

- een broche en

- drie ringen en

- een gouden hanger en

- een etui en

- een map en

- een geldbedrag,

toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak en inklimming.”

2.2.2

Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich een ‘Schadeopgaveformulier Misdrijven’ met betrekking tot ieder van de benadeelde partijen [benadeelde 3] , [benadeelde 2] en [benadeelde 4] , telkens met bijlagen. Dit formulier houdt telkens onder meer in:

“2.6 Smartengeld

Immateriële schade € 275,-

(...)

Er is sprake van een forse inbreuk op de privacy en tevens is het gevoel van onveiligheid aangetast. Voor een nadere omschrijving van de gevolgen wordt verwezen naar het bijgevoegde schadeopgaveformulier en de bijbehorende bijlage(n).”

2.2.3

De bij het schadeopgaveformulier gevoegde bijlage 1 ten name van [benadeelde 3] houdt onder meer het volgende in:

“Korte situatieschets

Er is in de woning van benadeelde ingebroken. Hij woont hier samen met zijn vrouw en zoon. Het huis is doorzocht en er zijn onder meer diverse sieraden en horloges mee genomen.

(...)

Immateriële schade

(...)

Psychische gevolgen

De woninginbraak heeft voor veel onrust gezorgd bij de benadeelde en zijn gezin. De schok was groot bij de aanblik van het overhoop gehaalde huis. De wetenschap dat er vreemden in hun privé vertrekken zijn geweest wordt als een forse inbreuk op hun privacy ervaren. Het opruimen van het huis was heel confronterend. Het heeft wel anderhalve week geduurd voordat de woning weer op orde was.

Benadeelde en zijn gezin, komen uit een familie van agrariërs. Het is bij hen in de familie gebruikelijk om sieraden en/of horloges te schenken bij belangrijke gebeurtenissen zoals het worden van 18 of 21 jaar of een huwelijk. Ook worden erfstukken van generatie op generatie overgedragen, al dan niet voorzien van aanpassingen. De ontvreemde (dure) sieraden en horloges vertegenwoordigen dus niet alleen een (hoge) geldelijke waarde maar vooral ook een grote emotionele waarde.

Benadeelde was extreem zuinig op zijn sieraden en horloges. Hij is al van jongs af aan agrariër dus draagt zijn sieraden niet tijdens het werk. Het gaf hoogtijdagen een extra dimensie om dan de ‘speciale’ sieraden te dragen die de familieband belichaamden en versterkten. Dat nu de tastbare schakel van het verleden naar de toekomstige generaties is verdwenen, doet hem echt verdriet.

De eerste tijd na het voorval heeft hij zich ook zorgen gemaakt om zijn vrouw, omdat zij zo duidelijk van slag was. Zelf is hij meer een binnenvetter waardoor hij zijn gevoelens niet zo makkelijk toont. Hij vond het naar dat hij zich niet meer helemaal veilig kon voelen in zijn eigen woning. Gevoelens van boosheid en onbegrip zijn nog altijd aanwezig en worden in het zicht van de zitting ook weer heviger.

(...)

Totale immateriële schade € 275,-.”

2.2.4

De bij het schadeopgaveformulier gevoegde bijlage 1 ten name van [benadeelde 4] houdt onder meer het volgende in:

“Korte situatieschets

Er is in de woning van benadeelde ingebroken. Zij woont hier samen met haar man en zoon. Het huis is doorzocht en er zijn onder meer diverse sieraden en horloges mee genomen.

(...)

Immateriële schade

(...)

Psychische gevolgen

De woninginbraak heeft voor veel onrust gezorgd bij de benadeelde en haar gezin. De schok was groot bij de aanblik van het overhoop gehaalde huis. De wetenschap dat er vreemden in hun privé vertrekken zijn geweest wordt als een forse inbreuk op hun privacy ervaren. Het opruimen van het huis was heel confronterend. Het heeft wel anderhalve week geduurd voordat de woning weer op orde was.

Benadeelde en haar gezin, komen uit een familie van agrariërs. Het is bij hen in de familie gebruikelijk om sieraden en/of horloges te schenken bij belangrijke gebeurtenissen zoals het worden van 18 of 21 jaar of een huwelijk. Ook worden erfstukken van generatie op generatie overgedragen, al dan niet voorzien van aanpassingen. De ontvreemde (dure) sieraden en horloges vertegenwoordigen dus niet alleen een (hoge) geldelijke waarde maar vooral ook een grote emotionele waarde.

Benadeelde had een sterke emotionele band met haar sieraden. Het verlies ervan is een geweldige schok en op geen enkele wijze in geld uit te drukken. Op hoogtijdagen mist zij de sieraden het meest. Maar ook bijvoorbeeld als zij foto’s bekijkt waarop zij de sieraden draagt. Of als zij aan haar overleden moeder of schoonmoeder moet denken, van wie zij diverse sieraden heeft gekregen.

Als zij beseft dat haar kleinzoon (en naamdrager) niet meer het erfstuk van zijn vader zal krijgen, wordt zij iedere keer weer emotioneel.

Ook komt er boosheid boven als zij er aan denkt hoe de verdachten in hun huis hebben rondgelopen en zomaar van alles hebben meegenomen.

Benadeelde was na het voorval helemaal ontregeld van de stress. Zo had zij last van hoge bloeddruk en hartkloppingen. Slapen ging de eerste weken maar moeizaam wegens onveiligheidsgevoelens. Nog altijd voelt zij zich niet prettig als voorheen in haar eigen woning. Ze durft het huis ook amper onbewoond achter te laten. Altijd is op de achtergrond de angst aanwezig dat er weer wat gebeurt.

(...)

Totale immateriële schade € 275,-

Totale schade € 275,-.”

2.2.5

De bij het schadeopgaveformulier gevoegde bijlage 1 ten name van [benadeelde 2] houdt onder meer het volgende in:

“Korte situatieschets

Er is in de woning van benadeelde ingebroken. Hij woont hier samen met ouders. Het huis is doorzocht en er zijn onder meer diverse sieraden en horloges mee genomen.

(...)

Immateriële schade

(...)

Psychische gevolgen

De woninginbraak heeft voor veel onrust gezorgd bij de benadeelde en zijn ouders. De schok was groot bij de aanblik van het overhoop gehaalde huis. De wetenschap dat er vreemden in hun privé vertrekken zijn geweest wordt als een forse inbreuk op hun privacy ervaren. Het opruimen van het huis was heel confronterend. Het heeft wel anderhalve week geduurd voordat de woning weer op orde was.

Benadeelde en zijn ouders, komen uit een familie van agrariërs. Het is bij hen in de familie gebruikelijk om sieraden en/of horloges te schenken bij belangrijke gebeurtenissen zoals het worden van 18 of 21 jaar of een huwelijk. Ook worden er erfstukken van generatie op generatie overgedragen, al dan niet voorzien van aanpassingen. De ontvreemde (dure) sieraden en horloges vertegenwoordigen dus niet alleen een (hoge) geldelijke waarde maar vooral ook een grote emotionele waarde.

Benadeelde vond het moeilijk om zijn ouders zo ontredderd te zien. De eerste tijd na het voorval was hij erg alert. Tot op heden is hij bevreesd dat het nog een keer zal gebeuren.

Gevoelens van boosheid en frustratie voeren bij het praten over het voorval de boventoon. Hij blijft zich maar afvragen of de verdachten wel beseffen wat zij hebben aangericht.

(...)

Totale immateriële schade € 275,-

Totale schade € 275,-.”

2.2.6

Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg houdt onder meer het volgende in:

“De raadsman voert het woord tot verdediging en deelt mede:

(...)

Voor wat betreft het immateriële deel van de vorderingen van de benadeelde partijen refereer ik mij aan het oordeel van de rechtbank.”

2.2.7

Het door het Hof – in zijn bij verstek gewezen arrest – bevestigde vonnis van de Rechtbank houdt ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen voorts het volgende in:

“Vorderingen benadeelde partijen/schadevergoedingsmaatregelen

(parketnummer 10-006755-15)

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde 3] ter zake van het ten laste gelegde feit. Deze benadeelde partij vordert een vergoeding van € 19.235,- aan materiële schade en een vergoeding van € 275,- aan immateriële schade.

Als benadeelde partij heeft zich tevens in het geding gevoegd [benadeelde 2] ter zake van het laste gelegde feit. Deze benadeelde partij vordert een vergoeding van € 275,- aan immateriële schade.

Als benadeelde partij heeft zich daarnaast in het geding gevoegd [benadeelde 1] ter zake van het ten laste gelegde feit. Deze benadeelde partij vordert een vergoeding van € 275,- aan immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de door de benadeelde partij [benadeelde 3] gevorderde, betaalde eigen bijdrage voor de verzekering ad € 63,- en de gevorderde immateriële schade toe te wijzen en deze vordering voor het overige niet ontvankelijk te verklaren. Verder heeft zij gevorderd de door benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 1] gevorderde immateriële schade toe te wijzen en voor alle benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel toe te passen.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de gevorderde immateriële schade en gepleit tot afwijzing van het overige.

Nu is komen vast te staan dat de verdachte het bewezen verklaarde strafbare feit heeft begaan, staat daarmee tevens vast dat hij jegens de benadeelden onrechtmatig heeft gehandeld.

[benadeelde 3] heeft zijn materiële schade als gevolg van dat onrechtmatige handelen van de verdachte onderbouwd met onder andere een taxatielijst van diverse sieraden, opgesteld in 2014 door een juwelier, kennelijk ter vaststelling van de verzekeringswaarde. De omschrijving van de sieraden op deze lijst komt slechts ten dele overeen met de als gestolen opgegeven goederen, en ook het aantal verschilt. Ook beeldmateriaal ter vergelijking ontbreekt. Bovendien is niet duidelijk wat met verzekeringswaarde wordt bedoeld, vervangingswaarde, aanschafwaarde of het verzekerd bedrag. Gelet hierop is de vordering ter zake de geleden materiële schade voor zover het betreft de sieraden onvoldoende onderbouwd. Omdat nader onderzoek naar de omvang van de schade ter zake de gestolen sieraden een onevenredige belasting van het strafgeding vormt, zal [benadeelde 3] in dit deel van zijn vordering niet ontvankelijk worden verklaard. Hij kan zich ten aanzien hiervan wenden tot de burgerlijke rechter. De gevorderde schadevergoeding ter zake de eigen bijdrage van € 63,-- zal worden toegewezen, nu deze genoegzaam is onderbouwd en door de verdachte niet gemotiveerd is weersproken.

De immateriële schade van [benadeelde 3] , [benadeelde 2] en [benadeelde 1] als gevolg van inbraak in hun woning en het verlies van sieraden met een emotionele waarde, wordt voor allen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vastgesteld op € 275,-, en zal voor dat bedrag worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoedingen zullen worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partijen betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van zijn betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partijen hebben gevorderd de te vergoeden bedragen te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat de te vergoeden schadebedragen vermeerderd worden met wettelijke rente vanaf de datum van het onrechtmatige handelen, te weten 11 januari 2015.

Nu de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten voor wat betreft de procedure met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partijen begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregelen als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.”

2.3.1

Art. 6:106 BW luidt:

“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
(...).”

2.3.2

In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad, onder verwijzing naar HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, het volgende overwogen:

“Van de [in art. 6:106, aanhef en onder b, BW] bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.”

2.4.1

Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat met betrekking tot de benadeelde partijen telkens sprake is van een aantasting in hun persoon ‘op andere wijze’, als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW, welke aantasting het gevolg is van het bewezenverklaarde feit, kort gezegd de inbraak in de woning van de benadeelde partijen en de diefstal van sieraden uit die woning door de verdachte. Het Hof heeft niet vastgesteld dat de benadeelde partijen geestelijk letsel hebben opgelopen.

2.4.2

Het oordeel dat telkens sprake is van zo een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is onjuist, althans onbegrijpelijk.
Voor zover het Hof heeft geoordeeld dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen, meebrengen dat bij de benadeelde partijen telkens sprake is van een aantasting in de persoon, had het op de weg van het Hof gelegen dat oordeel, in het bijzonder ook wat betreft die gevolgen van de normschending voor de benadeelde partijen, te motiveren aan de hand van de door de benadeelde partijen aangedragen gegevens. De door het Hof gegeven motivering dat de immateriële schade van de benadeelde partijen “voor allen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (wordt) vastgesteld op € 275,-” volstaat daartoe niet. In dat verband verdient opmerking dat de in art. 6:106 BW bedoelde billijkheid de rechter een bepaalde mate van vrijheid geeft bij het bepalen van de hoogte van de verschuldigde schadevergoeding, maar dat de enkele verwijzing naar de billijkheid niet volstaat ter motivering van het oordeel dat zich een van de hiervoor onder 2.3.2 bedoelde gevallen voordoet waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade. Ook de enkele zich hier voordoende omstandigheid dat de (hoogte van de) schadevergoeding in hoger beroep niet is weersproken en dat de verdediging zich in eerste aanleg aan het oordeel van de rechter heeft gerefereerd, volstaat daartoe niet. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in rov. 2.8.3 van het hiervoor onder 2.3.2 genoemde arrest van 28 mei 2019 zal de rechter, in het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, weliswaar uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, maar dat is anders als de vordering de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Een vordering tot vergoeding van immateriële schade die geen rechtsgrond vindt in de wet kan niet worden toegewezen.
Voor zover het oordeel van het Hof aldus moet worden begrepen dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon met betrekking tot alle benadeelde partijen kan worden aangenomen zonder enige nadere vaststelling met betrekking tot de gevolgen die de normschending voor ieder van deze benadeelde partijen heeft gehad, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel niet begrijpelijk. In dat verband is van belang dat niet is uitgesloten dat een inbraak in een woning, en daarmee een inbreuk op het recht op eerbiediging van de privésfeer, voor de bewoner van die woning dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon, ook als die gevolgen niet als geestelijk letsel zijn aan te merken. Daarvoor is dan wel vereist dat vaststellingen omtrent die gevolgen (kunnen) worden gedaan. Daarnaast ligt niet voor de hand om een dergelijke aantasting in de persoon aan te nemen als de nadelige gevolgen enkel bestaan in het verlies van een voorwerp. De omstandigheid dat een voorwerp - naast zijn in geld uit te drukken waarde, die ingevolge art. 6:95 en 6:96 BW als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komt - ook een ‘emotionele waarde’ had, volstaat in beginsel niet om te kunnen aannemen dat het verlies van dit voorwerp een aantasting in de persoon oplevert.

2.4.3

Het middel slaagt.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen;

- wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2019.