Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1457

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
02-10-2019
Zaaknummer
18/00854
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:764
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.1 Sr) en opzettelijk gebruik maken van vals geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.2 Sr) door valse facturen op te stellen en daarvan gebruik te maken. Vordering b.p. en verjaring. Is verjaring van civiele vordering gestuit door voeging b.p. in strafproces? Voorafgaand aan tz. geschiedt voeging door indiening van ingevuld voegingsformulier bij OvJ die met vervolging van strafbaar feit is belast. Ttz. geschiedt voeging door indiening van voegingsformulier of mondelinge opgave van vordering tot schadevergoeding bij rechter, uiterlijk voordat OvJ in gelegenheid is gesteld ex art. 311 Sv woord te voeren (art. 51b.1 (oud) en 51b.2 (oud) Sv, thans art. 51g.1 en 51g.3 Sv). In h.b. is voeging mogelijk indien b.p. zich overeenkomstig voorgaande voorschriften in e.a. heeft gevoegd (art. 421.1 Sv). Indien overeenkomstig deze voorschriften sprake is van rechtsgeldige voeging als b.p., geldt deze voeging als ‘instellen van een eis’ a.b.i. art. 3:316.1 BW, waardoor verjaring van vordering b.p. wordt gestuit (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BQ8780, civiele kamer). Opvatting dat door b.p. ingediend voegingsformulier bij OvJ (nog) geen stuitende werking had, omdat Hof niet heeft vastgesteld wanneer verdachte op de hoogte is gekomen van die indiening, is onjuist. HR merkt nog op dat art. 3:310.4 BW per 1-4-2013 inhoudt dat indien gebeurtenis waardoor schade is veroorzaakt strafbaar feit oplevert waarop Nederlandse strafwet van toepassing is, rechtsvordering tot vergoeding van schade tegen persoon die strafbaar feit heeft begaan, niet verjaart zolang recht tot strafvordering niet door verjaring of door dood van aansprakelijke persoon is vervallen. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/2190
NJ 2019/405
RvdW 2019/1071
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/00854

Datum 1 oktober 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 21 februari 2018, nummer 21/002464-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

2.1

Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het verweer dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij is verjaard.

2.2.1

Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“1:

hij in de periode van 30 september 2003 tot en met 2 mei 2007 te Amsterdam en ’s-Heerenberg en Arnhem en Nijmegen telkens geschriften, weten:

- een factuur d.d. 30 september 2003 van de Postbank N.V. aan [A] ten bedrage van € 7.735,- en

- een factuur d.d. 30 september 2003 van de Postbank N.V. aan [B] ten bedrage van € 15.740,- en

- een factuur d.d. 30 september 2003 van Postbank N.V. aan [F] ten bedrage van € 4.819,50 en

- een factuur d.d. 30 september 2003 van de Postbank N.V. aan [F] ten bedrage van € 819,50 en

- een factuur d.d. 3 jun 2004 van de Postbank N.V. aan [B] ten bedrage van € 15.740,- en

- een factuur d.d. 29 juli 2004 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 7.735,- en

- een factuur d.d. 13 september 2004 van de Postbank N.V. aan Stichting [E] ten bedrage van € 7.735,- en/of

- een factuur d.d. 18 mei 2005 van de Postbank N.V. aan [B] ten bedrage van € 5.950,- en

- een factuur d.d. 28 juni 2005 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 6.545,- en

- een factuur d.d. 18 november 2005 van de Postbank N.V. aan [G] ten bedrage van € 6.604,50 en

- een factuur d.d. 7 juni 2006 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 4,313,75 en

- een factuur d.d. 3 april 2007 van de Postbank N.V. aan [C] ten bedrage van € 8.330,- en

- een factuur d.d. 1 april 2007 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 3.123,75

zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, heeft vervalst,

immers heeft hij, verdachte, telkens in strijd met de waarheid op voornoemde geschriften het rekeningnummer van de begunstigde Postbank N.V. gewijzigd in zijn, verdachtes, (giro)rekeningnummer [rekeningnummer], zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken;

2:

hij in de periode van 30 september 2003 tot en met 2 mei 2007 te Amsterdam en ’s-Heerenberg en Arnhem en Nijmegen

telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van vervalste facturen, te weten:

- een factuur d.d. 30 september 2003 van de Postbank N.V. aan [A] ten bedrage van € 7.735,- en

- een factuur d.d. 30 september 2003 van de Postbank N.V. aan [B] ten bedrage van € 15.740,- en

- een factuur d.d. 30 september 2003 van Postbank N.V. aan [F] ten bedrage van € 4.819,50 en

- een factuur d.d. 30 september 2003 van de Postbank N.V. aan [F] ten bedrage van € 4.819,50 en

- een factuur d.d. 3 juni 2004 van de Postbank N.V. aan [B] ten bedrage van € 15.740,- en

- een factuur d.d. 29 juli 2004 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 7.735,- en

- een factuur d.d. 13 september 2004 van de Postbank N.V. aan Stichting [E] ten bedrage van € 7.735,- en/of

- een factuur d.d. 18 mei 2005 van de Postbank N.V. aan [B] ten bedrage van € 5.950,- en

- een factuur d.d. 28 juni 2005 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 6.545,- en

- een factuur d.d. 18 november 2005 van de Postbank N.V. aan [G] ten bedrage van € 6.604,50 en

- een factuur d.d. 7 juni 2006 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 4,313,75 en

- een factuur d.d. 3 april 2007 van de Postbank N.V. aan [C] ten bedrage van € 8.330,- en

- een factuur d.d. 1 april 2007 van de Postbank N.V. aan [D]. ten bedrage van € 3.123,75

zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen als ware die geschriften telkens echt en onvervalst.”

2.2.2

Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een ‘Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces’ van de benadeelde partij ING Groep N.V. met bijlagen, dat is ondertekend op 23 januari 2009 en blijkens een daarop aangebrachte stempel is binnengekomen bij de Officier van Justitie te Amsterdam op 11 februari 2009.

2.2.3

Het Hof heeft, mede naar aanleiding van het in het middel bedoelde verweer, het volgende overwogen en beslist omtrent de vordering van ING Groep N.V.:

“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 121.389,59. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat de door de benadeelde partij ingediende vordering niet binnen de termijn gesteld in artikel 3:310, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is ingediend en derhalve is verjaard.

Het hof is van oordeel dat de vordering niet is verjaard nu deze binnen vijf jaren aanhangig is gemaakt, hetgeen is gedaan door de vordering in de strafzaak in te dienen. Bovendien is de vordering bij vonnis van 9 september 2009 door de politierechter ook grotendeels toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De raadsman heeft nog betoogd dat de vordering een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert. Het hof is evenwel van oordeel dat daarvan geen sprake is en dat verdachte tot vergoeding van die schade is gehouden. De vordering zal tot het bedrag € 98.651,00 worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.”

2.3

Het toepasselijke wettelijk kader is weergegeven in de conclusie van de Advocaat‑Generaal onder 8.

2.4

Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit kan zich als benadeelde partij voegen in het strafproces met een vordering tot vergoeding van die schade. Op die vordering van de benadeelde partij is het materiële burgerlijk recht van toepassing.
Voorafgaand aan de terechtzitting geschiedt de voeging door, kort gezegd, indiening van een ingevuld voegingsformulier bij de officier van justitie die met de vervolging van het strafbare feit is belast. Ter terechtzitting geschiedt de voeging door indiening van een voegingsformulier of mondelinge opgave van de vordering tot schadevergoeding bij de rechter, uiterlijk voordat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld overeenkomstig art. 311 Sv het woord te voeren (art. 51b, eerste en tweede lid (oud), Sv, thans art. 51g, eerste en derde lid, Sv). In hoger beroep is voeging mogelijk indien de benadeelde partij zich overeenkomstig de voorgaande voorschriften in eerste aanleg heeft gevoegd (art. 421, eerste lid, Sv). Indien overeenkomstig deze voorschriften sprake is van een rechtsgeldige voeging als benadeelde partij, geldt deze voeging als het ‘instellen van een eis’ als bedoeld in art. 3:316, eerste lid, BW, waardoor de verjaring van de vordering van de benadeelde partij wordt gestuit (vgl. HR 21 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8780 met betrekking tot de voeging die geldt als het instellen van een ‘eis in de hoofdzaak’ als bedoeld in art. 700, derde lid, Rv).

2.5

Het middel gaat ervan uit dat het door de benadeelde partij ING Groep N.V. ingediende voegingsformulier dat op 11 februari 2009 is binnengekomen bij de Officier van Justitie, (nog) geen stuitende werking had, omdat het Hof niet heeft vastgesteld wanneer de verdachte op de hoogte is gekomen van die indiening. Uit wat hiervoor onder 2.4 is overwogen, volgt dat die opvatting onjuist is. Het middel faalt.

2.6

Opmerking verdient dat art. 3:310, vierde lid, BW per 1 april 2013 inhoudt dat indien de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt een strafbaar feit oplevert waarop de Nederlandse strafwet van toepassing is, de rechtsvordering tot vergoeding van schade tegen de persoon die het strafbare feit heeft begaan, niet verjaart zolang het recht tot strafvordering niet door verjaring of door de dood van de aansprakelijke persoon is vervallen.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2019.