Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1454

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
01-10-2019
Zaaknummer
17/00380
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:755
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Oplichting (meermalen gepleegd) door via “onzinverhalen” tegenover kwetsbare oudere dame andere personen uit haar kennissenkring te bewegen tot afgeven van geldbedragen t.g.v. verdachte, art. 326 Sr. Voor oplichting ex art. 326.1 Sr is vereist dat iemand door oplichtingsmiddel wordt "bewogen" tot in die bepaling bedoelde handelingen. Niet vereist is dat oplichtingsmiddel rechtstreeks wordt aangewend jegens degene die wordt bewogen tot desbetreffende handelingen. Oplichting kan ook geschieden door tegenover (niet-strafbare) tussenpersoon oplichtingsmiddel aan te wenden, mits verdachte daarbij heeft gehandeld met in art. 326 Sr bedoeld oogmerk (vgl. HR NJ 1923, p. 20 en ECLI:NL:HR:2005:AU2246). Voor vervulling van daarvoor vereist oogmerk is voorwaardelijk opzet niet toereikend (ECLI:NL:HR:1983:AC8152). Bewezenverklaringen, v.zv. inhoudende dat verdachte zich telkens schuldig heeft gemaakt aan oplichting van personen A t/ I, kunnen niet z.m. worden afgeleid uit ’s Hofs bewijsvoering. Hof heeft omtrent het oogmerk van verdachte niet meer overwogen dan dat hij “op zijn minst de aanmerkelijke kans [heeft] aanvaard dat door zijn handelen derden werden bewogen tot het afgeven van geld”. Daarnaast heeft Hof onvoldoende feiten en omstandigheden vastgesteld waaruit kan worden afgeleid dat het verdachte is geweest die rechtstreeks of indirect door in bewezenverklaringen vermelde oplichtingshandelingen daarin genoemde personen heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2019-0316
NJB 2019/2181
RvdW 2019/1060
JIN 2019/165 met annotatie van Oort, C. van
NBSTRAF 2019/300
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/00380

Datum 1 oktober 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 17 januari 2017, nummer 21/000369-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep - dat blijkens de daarvan opgemaakte akte niet is gericht tegen de vrijspraak van de onder 1 en 2 telkens als tweede feit tenlastegelegde verduisteringen - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 ten laste gelegde, behoudens voor zover betrekking hebbend op [benadeelde 2] , en van de beslissingen ter zake van het onder 2 ten last gelegde, en van de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1

Het middel keert zich tegen de bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde oplichtingen.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 juli 2012, in de gemeente(s) Epe en/of Amsterdam en/of/althans (elders) in Nederland, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels diverse personen, onder wie:

- [benadeelde 1] en

- [benadeelde 2] en

- [benadeelde 3] en

- [benadeelde 4] en

- [benadeelde 5] en

- [benadeelde 6] en

- [benadeelde 7] en

- [benadeelde 8] en [benadeelde 10] ,

telkens heeft bewogen tot afgifte van geld, hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- zich tegenover voornoemde personen voorgedaan als bonafide lener en/of als (voormalig) universitair student, welke in het bezit was van een universitair diploma en/of als bezoldigd medewerker op Europees niveau en/of als medewerker van/bij de EU en/of van/bij de NAVO en/of

telkens voornoemde personen meegedeeld:

- dat hij, [verdachte] , geld nodig had voor betaling van zijn ziektekosten en/of (om reizen te maken) om zijn baan bij de EU en/of de NAVO en/of op Europees niveau te kunnen krijgen of behouden en/of dat hij, [verdachte] , het geld niet anders/op een andere manier kon verkrijgen, aangezien zijn bankrekening was geblokkeerd en/of dat het niet mogelijk was om een bankrekening of lening op eigen naam te openen, vanwege (onder andere) een (negatieve) BKR‑registratie en de schulden van die [verdachte] en/of

- dat indien hij, [verdachte] , zijn baan bij de EU en/of NAVO en/of op Europees niveau niet kon krijgen/behouden, die [verdachte] op straat zou moeten slapen en/of

(daarbij) (telkens) voornoemde personen voorgehouden:

- dat hij, [verdachte] , gelet op zijn veelbelovende/bliksem carrière en (toekomstige) hoge salaris/aanzienlijke financiële middelen en/of door middel van het opmaken en overleggen van schuldbekentenissen, het doen van mondelinge toezeggingen, het versturen van sms-berichten, het (valselijk) opmaken en versturen/overleggen van e-mailberichten, voornoemde personen, op een zo'n kort mogelijke termijn zou (gaan) terug betalen,

waardoor voornoemde diverse personen telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 12 mei 2014, in de gemeente(s) Amstelveen en/of Amsterdam en/of/althans (elders) in Nederland, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 9] , telkens heeft bewogen tot de afgifte van geld, hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- zich tegenover voornoemde [benadeelde 9] voorgedaan als bonafide lener en/of als hulpbehoevend(e) patiënt en/of

(daarbij) (telkens) voornoemde [benadeelde 9] meegedeeld:

- dat hij, [verdachte] , (dringend) geld nodig had voor de betaling van/het ondergaan van (enkele) speciale medische behandelingen/injecties, welke hij, [verdachte] , (in een (speciale) kliniek in Bussum) (in verband met een (hele) slechte knie) moest ondergaan/zou krijgen en/of

(daarbij) (telkens) voornoemde [benadeelde 9] voorgehouden/beloofd:

- dat hij, [verdachte] , op een zo'n kort mogelijke termijn voornoemde [benadeelde 9] zou (gaan) terug betalen,

waardoor voornoemde [benadeelde 9] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.”

2.2.2

Deze bewezenverklaringen steunen onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

“9. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, gevoegd als bijlage bij voormeld proces-verbaal, p. 152, inhoudende - zakelijk weergegeven - als vragen (V) en opmerkingen (O) van de verbalisanten en als verklaring van verdachte (A):

V: Heb je ooit tegen [betrokkene 1] gezegd dat je een baan hebt?

A: Ik heb haar een heleboel onzin verteld. [betrokkene 1] vertelde de mensen hoe goed het mij ging op basis van wat ik haar heb verteld. Ik heb [betrokkene 1] verteld dat het goed ging, terwijl dat niet het geval was. Ik heb [betrokkene 1] de indruk gegeven dat er iets bij de EU was en dat er iets zou komen.

V: Je wilde eigenlijk niet aan [betrokkene 1] laten blijken dat het niet goed met je ging, daarom vertelde je dat je bij de EU werkte en dit verhaal is een eigen leven gaan leiden?

A: Ja. Daar zet ik mijn handtekening onder.

(...)

19. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, gevoegd als bijlage bij voormeld proces-verbaal, p. 1009 e.v., inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van aangever [benadeelde 2] :

[betrokkene 1] vroeg op 14 december 2008 aan mij om [verdachte] te helpen. Het verhaal over [verdachte] klonk aannemelijk. Ik heb in goed vertrouwen tweeëneenhalf duizend euro gegeven op 15 december 2018. [betrokkene 1] vertelde mij dat het bedrag binnen twee weken zou worden terugbetaald. Dit zou geschieden via een rekening van [verdachte] bij de ABN AMRO naar mijn rekening bij de Rabobank. [betrokkene 2] van de ABN AMRO zou dit allemaal regelen.

Men had tegen mij gezegd dat de rekening van [verdachte] was geblokkeerd vanwege een gerechtelijke uitspraak die nu teniet was gedaan. Hij vertelde dat hij voor de EU te Brussel werkte en dat hij voortdurend moest reizen naar het buitenland, zoals Moskou, New York, London, et cetera. Hij had geld nodig voor logies, transport, et cetera. Hij moet het uit eigen zak betalen omdat zijn rekening was geblokkeerd.

[betrokkene 1] vertelde mij dat hij minimaal zeventigduizend euro onkostenvergoeding tegoed had plus zijn hoge salaris van maanden.

Op 22 december 2008 gaf ik duizend euro aan [verdachte] op Schiphol, want hij moest gelijk doorvliegen naar Londen.

Op 3 januari 2009 gaf ik vijfhonderd euro aan [betrokkene 1] .

Op 6 januari gaf ik persoonlijk een bedrag van duizend euro aan [verdachte] op station Sloterdijk te Amsterdam.

Op 11 januari 2009 werd het laatste bedrag voor [verdachte] aan [betrokkene 1] gegeven.

Het totale bedrag was zevenduizend euro waarvan ik een schuldbekentenis overleg. Die schuldbekentenis is getekend door [verdachte] .

(…)

21. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, gevoegd als bijlage bij voormeld proces-verbaal, p. 1015 e.v., inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van aangever [benadeelde 2] , afgelegd op 18 maart 2013:

[verdachte] woonde bij [betrokkene 1] . [betrokkene 1] heeft mij benaderd. Ik hoorde haar zeggen dat [verdachte] een goede baan had bij de EU, dat hij veel moest rijden en dat hij tijdelijk in financiële problemen zat. Ik zou het geld snel terug krijgen.

In totaal heb ik 7.000 euro uitgeleend aan [verdachte] . Ik heb hier nooit een cent van terug ontvangen.

Als ik had geweten dat [verdachte] niet een baan bij de EU had of überhaupt geen baan had, dan had ik nooit geld aan hem uitgeleend.

(…)

35. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, gevoegd als bijlage bij voormeld proces-verbaal, p. 81 e.v., inhoudende - zakelijk weergegeven - als vragen (V) en opmerkingen (O) van de verbalisanten en als verklaring van medeverdachte [betrokkene 1] (A):

V: Waarom heef u [benadeelde 3] , wonende te Epe, om geld gevraagd?

A: Ik heb haar geld gevraagd omdat [verdachte] dit nodig had.

V: Weet u nog wanneer u dit aan [benadeelde 3] heeft gevraagd?

A: Het zou eind 2009 kunnen zijn.

V: Voor wie was dit geld?

A: Voor [verdachte] .

V: Waarom was dit geld voor [verdachte] ?

A: [verdachte] had geld nodig voor de reizen voor zijn werk.

V: Wat vertelde u aan [benadeelde 3] ?

A: Ik vertelde haar dat [verdachte] bij de EU werkte, dat er iets met zijn geld was, dat hij er niet aan kon komen en dat hij nu toch geld nodig had omdat hij anders zijn baan kwijt zou kunnen raken.

O: [verdachte] zou werken bij de EU, waar hij een bliksemcarrière zou maken en daardoor in de toekomst over behoorlijk wat financiële middelen gaan beschikken. Hij kon niet bij zijn geld komen, waar hij recht op had werd ons gezegd. Hierdoor kon hij zijn reizen niet maken, wat zijn net verworven baan zou kunnen kosten.

V: Heeft u dit verteld aan aangeefster [benadeelde 3] ?

A: Ik heb haar verteld dat [verdachte] over sommen geld beschikte maar er niet bij kon.

O: Tonen stukken

- brief gericht aan deelnemers studiereis v/d Masterclass vergelijkende Politicologie

- mail d.d. 01-08-2007 van [betrokkene 3] aan [verdachte]

- mail d.d. 13-05-2008 van [betrokkene 3] aan [verdachte]

- mail d.d. 29-05-2008 van [betrokkene 3] aan [verdachte]

V: Zijn dit de stukken die u aan [benadeelde 3] heeft overhandigd?

A: Ja. Ik heb die stukken de laatste keer overhandigd aan een buurman van haar, een gepensioneerde politieman (het hof begrijpt: [betrokkene 4] ).

V: Waarom heeft u deze stukken overhandigd?

A: Om haar gerust te stellen dat ze niet beduveld werd. Ik geloofde er zelf echt wel in.

V: Hoeveel geld heeft u totaal aan [benadeelde 3] gevraagd?

A: Ik vroeg elke keer het bedrag dat [verdachte] nodig had. [verdachte] zei dan weer dat hij wat moest betalen voor zijn werk en dan vroeg ik het weer aan [benadeelde 3] . Dat verschilde per keer.

V: Hoe zijn de betalingen van [benadeelde 3] aan u verlopen?

A: Soms contant als ik naar haar toe ging. Later heb ik haar gevraagd om geld over te maken op rekening van [benadeelde 5] en [benadeelde 6] . Ik gaf hun rekeningnummers door aan [benadeelde 3] zodat ze geld over kon maken. [benadeelde 3] wilde liever geld overmaken op een bankrekening.

Via [benadeelde 5] of [benadeelde 6] kreeg ik dit geld contant in handen. Ik nam dan het geld cash mee. Ik overhandigde dit persoonlijk aan [verdachte] .

V: Wat heeft u van haar (het hof begrijpt: [benadeelde 3] ) ontvangen?

A: Dat was ruim vierhonderdduizend euro.

V: Wat voor verhaal had u aan [benadeelde 6] verteld zodat zij haar rekening ter beschikking stelde aan [benadeelde 3] ?

A: Waarschijnlijk heb ik gezegd dat ik geen bankrekening had en gevraagd of [benadeelde 3] het geld op haar rekening mocht storten. [benadeelde 6] vond dat goed.

V: Kunt u ons vertellen hoe u dit met [benadeelde 3] en [benadeelde 6] afsprak?

O: [benadeelde 6] vertelde dat u ook weleens bij de bank stond te wachten. Zodra [benadeelde 6] het geld eraf haalde kreeg u dit in handen.

A: Ja, dat klopt. Ik belde met [benadeelde 3] die mij dan zei dat ze het direct overmaakte naar [benadeelde 6] . Ik belde dan naar [benadeelde 6] en sprak met haar af dat ze het kwam brengen of dat ik liet kwam halen.

V: Wat voor verhaal had u aan [benadeelde 5] verteld zodat hij zijn rekening ter beschikking stelde aan [benadeelde 3] ?

A: Ik heb hetzelfde verhaal aan [benadeelde 5] verteld als aan [benadeelde 6] .

V: Kunt u ons vertellen hoe u met [benadeelde 3] en [benadeelde 5] afsprak betreffende het storten en overhandigen van het geld aan u?

A: Hetzelfde als met [benadeelde 6] .

V: Hoe zouden al deze bedragen worden terugbetaald?

A: [verdachte] zou van het geld bulken en zou dat allemaal terugbetalen.

V: Wat heeft u met het ontvangen geld gedaan?

A: Doorgesluisd naar [verdachte] .

V: Hoe ging dit in zijn werk?

A: Ik reisde vaak naar Duitsland af om geld te brengen.

V: Wat beloofde u [benadeelde 3] met betrekking tot het geleende geld?

A: Dat zij het allemaal terug zou krijgen.

O: Volgens verstuurde sms berichten is met uw telefoon heel veel naar [benadeelde 3] ge-sms't over geld dat er zo aan zou komen.

V: Wat wilt u hierover verklaren?

A: Ja, dat klopt.

O: Volgens de bankafschriften heeft aangeefster [benadeelde 3] ook geld overgemaakt naar [benadeelde 9] t.b.v. [verdachte] .

V: Wie is deze persoon?

A: Dat is een mevrouw die pianoles van mij kreeg.

V: Waarom moest daar op 10 januari 2012 geld naartoe worden overgemaakt ten behoeve van [verdachte] ?

A: Misschien omdat iemand op vakantie was en het daarom even via een ander moest.

O: Volgens de bankafschriften heeft aangeefster [benadeelde 3] ook geld overgemaakt naar [betrokkene 1] ten behoeve van [verdachte] .

V: Wie is deze persoon?

A: Dat is mijn nicht.

V: Waarom moest op 14 en 15 oktober 2011 op deze rekening geld worden overgemaakt ten behoeve van [verdachte] ?

A: Waarschijnlijk hetzelfde verhaal, omdat iemand er niet was. [benadeelde 6] (het hof begrijpt: [benadeelde 6] ) was wel vaak op reis.

V: heeft u weleens een bedrag aan [benadeelde 3] terugbetaald?

A: Nee, Ik leende voor [verdachte] en die moest het terugbetalen.

O: Volgens aangeefster [benadeelde 3] werd er uiteindelijk op 1 april 2012 een schuldbekentenis voor een bedrag van 500.000 euro ondertekend door [verdachte] . Volgens aangeefster heeft u een enveloppe aan haar overhandigd, met daarin deze schuldbekentenis.

V: Wat weet u hiervan?

A: [verdachte] had altijd een smoes om niet naar [benadeelde 3] te gaan. De ene keer was hij ziek de andere keer was er weer wat anders. Volgens mij durfde hij gewoon niet. Uiteindelijk heb ik haar die schuldbekentenis gebracht.

36. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, gevoegd als bijlage bij voormeld proces-verbaal, p. 1416 e.v., inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [benadeelde 6] afgelegd op 10 oktober 2013:

V: Kent u [verdachte] en wat kunt u over hem vertellen?

A: Ik ken hem. Hij woonde bij mijn pianojuffrouw, [betrokkene 1] . [betrokkene 1] ging [verdachte] ondersteunen. Op een gegeven moment vroeg zij mij om daarin ook een bijdrage te leveren. Ik betaalde voor mijn pianoles al geld aan haar. Vervolgens heb ik een tijd contant geld, wat ik van mijn spaarrekening haalde, aan [betrokkene 1] gegeven.

Toen ik door mijn spaargeld heen raakte, bedacht [betrokkene 1] dat zij nog een andere vriendin kende, [benadeelde 3] genaamd, die geld op mijn rekening kon storten, zodat ik dit weer kon ophalen en overhandigen aan [betrokkene 1] .

V: Kent u [benadeelde 3] (ook wel [benadeelde 3] genoemd) uit Epe?

A: Zij maakte gigantische bedragen op mijn rekening over. Dit geld heb ik aan [betrokkene 1] overhandigd. Dit geld zou zij vervolgens aan [verdachte] overhandigen.

V: Wat kunt u vertellen [benadeelde 3] (ook wel [benadeelde 3] genoemd)?

A: [betrokkene 1] kende deze persoon heel goed. Ik zou dit geld van [benadeelde 3] op mijn bankrekening gestort krijgen. Volgens het verhaal van [betrokkene 1] had [verdachte] haar pasje, zat hij op dat moment in het buitenland, kon zij daardoor niet direct geld van de bank halen en werd ik hiervoor als tussenpersoon benaderd.

V: Klopt het dat uw bankrekening [rekeningnummer] is?

A: Ja dat klopt.

O: Wij hebben uw bankafschriften opgevraagd van bovenvermeld nummer over de periode van 1 maart 2009 tot en met 30 juli 2012.

V: Wat denkt u dat wij voor opvallende overboekingen hebben geconstateerd?

A: Dat zullen de overboekingen van [benadeelde 3] zijn geweest. Zij heeft telkens bedragen van 2.000 a 3.000 euro naar mij overgemaakt.

V: Heeft u enig idee om hoeveel transacties het ging en hoeveel euro er totaal met deze transacties was overgemaakt? (81 transacties in totaal van 146.874 euro)

A: Het gebeurde over het algemeen onder hoge tijdsdruk. Ik ging s' morgens vroeg al naar de bank. Dit vroeg [betrokkene 1] mij te doen. Zij kwam dan ook bij de bank en nam het geld mee.

O: tonen lijst met data waarop [benadeelde 6] geld van [benadeelde 3] ontving (bijlage 1)

V: Heeft u enig idee waar dit geld vandaan kwam?

A: Dit kwam allemaal van de rekening van [benadeelde 3] .

V: Wat stond er meestal als omschrijving bij?

A: Dat zou ik even moeten nakijken.

O: Vervolgens wordt er door [benadeelde 6] gekeken naar haar afschriften, waarop zij zei:

A: “tbv [verdachte] ”.

O: Tonen rekenafschrift d.d. 30 april 2009 blad 1+2 (bijlage 2+3)

O: Bij de omschrijvingen van de overboekingen werd meestal vermeld "tbv [verdachte] " of woorden van gelijke strekking. Het geld wat werd gestort op voormelde rekening door [benadeelde 3] , werd er dezelfde dag of de dag erna weer werd afgehaald.

V: Wat kunt u ons daarover vertellen?

A: [betrokkene 1] belde mij op als er geld werd gestort en vroeg mij dringend om dit geld er zo snel mogelijk weer af te halen en aan haar te overhandigen.

V: Wie haalde het geld eraf ?

A: Ik heb dit geld eraf gehaald.

V: Aan wie werd dit geld gegeven?

A: Alleen aan [betrokkene 1] .”

2.2.3

Het Hof heeft ten aanzien van deze bewezenverklaringen het volgende overwogen:

“Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van al het hem tenlastegelegde. Zij heeft hiertoe, kort gezegd, aangevoerd dat verdachte nimmer gewild heeft dat [betrokkene 1] bij derden leningen zou aangaan ten behoeve van hem. [betrokkene 1] benaderde op eigen initiatief derden uit haar netwerk, bij wie zij veel vertrouwen genoot, voor haar leningen ten behoeve van verdachte. Dat [betrokkene 1] verdachte op een bepaalde manier neerzette om de leningsaanvragen te onderbouwen is haar keuze en kan niet aan verdachte worden tegengeworpen. Er hebben nooit ontmoetingen plaatsgevonden tussen verdachte en deze derden. Verdachte wist ten tijde van aangaan van de leningen niet dat [betrokkene 1] de leningen aanging, met wie, met welke onderbouwing en voor hoeveel. Hij is op geen enkele wijze betrokken bij het aangaan van deze leningen. Wanneer [betrokkene 1] geld aan verdachte verstrekte vertelde ze hem niet waar het geld vandaan kwam. Het tekenen van schuldbekentenissen door verdachte vond plaats nadat de leningen al waren aangegaan. Het tekenen van de schuldbekentenissen leidde niet tot de afgifte van geld.

(...)

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft door een specifieke, voldoende ernstige vorm, van bedrieglijk handelen bij anderen een onjuiste voorstelling van zaken in het leven geroepen teneinde daar misbruik van te kunnen maken. Hij heeft hiertoe verschillende oplichtingsmiddelen gehanteerd. Zo heeft hij uitingen gedaan die bij anderen een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven hebben geroepen. Ook heeft verdachte meerdere misleidende feitelijke handelingen verricht en een valse hoedanigheid aangenomen. Die onjuiste voorstelling van zaken werd door verdachte in het leven geroepen teneinde daarvan misbruik te maken.

Verdachte heeft op zeer geraffineerde wijze misbruik gemaakt van een oudere dame, [betrokkene 1] , die het goed met hem voorhad. Tegenover haar deed hij zich op allerlei manieren voor als slachtoffer van omstandigheden, dat op korte termijn weer over geld zou kunnen beschikken. Zo heeft verdachte erkend dat hij tegen [betrokkene 1] verschillende onzinverhalen heeft verteld. Hij vertelde onder meer dat hij werkzaam was bij de Europese Unie dan wel de NAVO, voor die baan veel moest reizen en hij niet over zijn geld kon beschikken omdat zijn rekening was geblokkeerd dan wel vanwege een registratie bij het BKR. Voorts heeft hij diverse berichten, zoals e-mailberichten van zogenaamde werkgevers en sms-berichten, vals opgemaakt om zijn onzinverhalen kracht bij te zetten. [betrokkene 1] had toegang tot deze stukken, en gebruikte de informatie als ze geld vroeg aan anderen ten behoeve van verdachte.

Op aangever [benadeelde 2] na, waar verdachte zelf tegen heeft gelogen om geld los te krijgen, zijn de aangevers aanvankelijk steeds benaderd door [betrokkene 1] . Zij heeft, nadat haar eigen financiële mogelijkheden ten behoeve van verdachte waren uitgeput, mensen uit haar kennissenkring gevraagd om verdachte financieel te ondersteunen. Op die manier kreeg verdachte toegang tot mensen die hij anders wellicht nooit succesvol had kunnen benaderen: ouderen, die gelet op de (soms al decennia bestaande) vriendschap met [betrokkene 1] vol vertrouwen waren. [betrokkene 1] vertelde de onzinverhalen die verdachte haar vertelde door aan haar kennissenkring. Vaststaat dat al die over verdachte vertelde verhalen ‘verzinsels’ van verdachte betroffen. Aangevers zijn vervolgens overgegaan tot het geven van geld aan [betrokkene 1] ten behoeve van verdachte. [betrokkene 1] leidde dit geld telkens door naar verdachte. Aangeefster [benadeelde 1] verklaart dat verdachte het geld in het begin zelf kwam halen. In totaal zijn er tonnen bij verdachte terechtgekomen en door hem uitgegeven. Toen aangevers, tevergeefs, probeerden hun geld terug te krijgen heeft verdachte ze eindeloos aan het lijntje gehouden en tegen hen gelogen. Het dossier bevat vele schrijnende voorbeelden van het optreden van verdachte jegens aangevers nadat zij het geld hadden afgegeven.

Naar het oordeel van het hof valt het handelen van verdachte, zoals hierboven omschreven, onder de wettelijke definitie van oplichting. Blijkens artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat iemand door een oplichtingsmiddel wordt ‘bewogen’ tot de in die bepaling bedoelde handelingen, in dit geval het afgeven van geld.

Van het in het bestanddeel ‘beweegt’ tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot in dit geval het afgeven van geld. In dit concrete geval hebben de handelingen van verdachte (de onzinverhalen, zijn valse hoedanigheid en de opgemaakte stukken) er causaal toe geleid dat de derden geld hebben verstrekt aan [betrokkene 1] ten behoeve van verdachte. Dat verdachte zijn verhalen niet direct tegen de aangevers heeft verteld, en aanvankelijk wellicht niet precies heeft geweten wie zij waren, leidt niet per definitie niet tot oplichting van die derden. Het hof is ervan overtuigd dat verdachte wist dat [betrokkene 1] zijn verhalen en stukken zou aanwenden om hem financieel te ‘ondersteunen’ en dat zijn opzet gericht was op het hierdoor verkrijgen van geld van derden. Hij heeft op zijn minst de aanmerkelijke kans aanvaard dat door zijn handelen derden werden bewogen tot het afgeven van geld. Alle door verdachte verrichte handelingen zijn door hem verricht met het oogmerk zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen. Het hof is van oordeel dat de situatie dat slachtoffers de in de gedragingen van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken hadden moeten doorzien, zich niet voordoet.

Aldus is het hof, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, van oordeel dat verdachte zich in alle gevallen schuldig heeft gemaakt aan oplichting.”

2.3

Voor oplichting in de zin van art. 326, eerste lid, Sr is vereist dat iemand door een oplichtingsmiddel wordt “bewogen” tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Niet vereist is dat het oplichtingsmiddel rechtstreeks wordt aangewend jegens degene die wordt bewogen tot de desbetreffende handelingen. Oplichting kan ook geschieden door tegenover een (niet-strafbare) tussenpersoon het oplichtingsmiddel aan te wenden, mits de verdachte daarbij heeft gehandeld met het in art. 326 Sr bedoelde oogmerk (vgl. HR 16 oktober 1922, NJ 1923, p. 20 en HR 6 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2246). Voor de vervulling van dat oogmerk is voorwaardelijk opzet niet toereikend (vgl. HR 25 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC8152, ten aanzien van het bestanddeel ‘oogmerk’ in art. 310 Sr).

2.4.1

Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof onder meer vastgesteld dat de verdachte zich mede met behulp van “onzinverhalen” tegenover een oudere dame, [betrokkene 1] , heeft voorgedaan als een slachtoffer van omstandigheden dat op korte termijn weer over geld zou kunnen beschikken. Nadat haar eigen financiële mogelijkheden waren uitgeput, heeft [betrokkene 1] die verzinsels doorverteld aan diverse personen uit haar kennissenkring en deze gevraagd om de verdachte financieel te ondersteunen. Die personen hebben vervolgens geld gegeven aan [betrokkene 1] ten behoeve van de verdachte. Uit de bewijsvoering volgt voorts dat, op aangever [benadeelde 2] na, tegen wie de verdachte zelf heeft gelogen teneinde deze te bewegen tot afgifte van geldbedragen, de aangevers aanvankelijk steeds door [betrokkene 1] zijn benaderd om geldbedragen af te geven.

2.4.2

De bewezenverklaringen, voor zover inhoudende dat de verdachte zich telkens schuldig heeft gemaakt aan oplichting van [benadeelde 1] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] , [benadeelde 10] en [benadeelde 9] , kan niet zonder meer worden afgeleid uit de door het Hof gehanteerde bewijsvoering. De bestreden uitspraak is in zoverre, mede in het licht van hetgeen hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld, niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof omtrent het oogmerk van de verdachte om zich door de in de bewezenverklaringen genoemde oplichtingsmiddelen wederrechtelijk te bevoordelen niet meer heeft overwogen dan dat de verdachte “op zijn minst de aanmerkelijke kans [heeft] aanvaard dat door zijn handelen derden werden bewogen tot het afgeven van geld” en dat het Hof onvoldoende feiten en omstandigheden heeft vastgesteld waaruit kan worden afgeleid dat het de verdachte is geweest die rechtstreeks of indirect door de in de bewezenverklaringen vermelde oplichtingshandelingen de daarin genoemde personen heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen.
Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

2.5

Voor zover het middel de klacht bevat dat uit de gebruikte bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte telkens [benadeelde 2] op de bewezenverklaarde wijze heeft opgelicht, kan deze klacht niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

Gelet op de hierna volgende beslissing behoeft het middel geen bespreking.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van de onder 1 en 2 telkens als eerste feit tenlastegelegde oplichting van [benadeelde 1] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] , [benadeelde 10] en [benadeelde 9] , alsmede de strafoplegging;

- wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2019.