Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1424

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
19/01561
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2019:1286
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

art. 228a Gemeentewet, Verordening rioolheffing gemeente Menterwolde (inmiddels: Midden Groningen), toevoeging aan egalisatievoorziening, last ter zake van riolering, bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-09-2019
V-N Vandaag 2019/2113
FutD 2019-2497
NTFR 2019/2433 met annotatie van A. Oosters
V-N 2019/46.20 met annotatie van Redactie
NLF 2019/2213 met annotatie van Olga Menger
BNB 2019/181 met annotatie van J.A. MONSMA
Belastingblad 2019/415 met annotatie van E.G. Borghols
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/01561

Datum 27 september 2019

ARREST

In de zaak van

HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE MENTERWOLDE (thans: gemeente Midden Groningen)

tegen

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 februari 2019, nrs. 17/00033 en 17/00034, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Menterwolde tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 14/2689 en 14/5298) betreffende aan belanghebbende voor de jaren 2013 en 2014 opgelegde aanslagen in de rioolheffing. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Menterwolde, thans gemeente Midden Groningen, (hierna: het College) heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

Het College heeft een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1

Aan belanghebbende, een woningcorporatie, zijn door de heffingsambtenaar van de gemeente Menterwolde (hierna: de gemeente) aanslagen in de rioolheffing opgelegd van € 361.307 voor het jaar 2013 en € 373.174 voor het jaar 2014.

2.1.2

In de begroting van de gemeente voor het jaar 2013 zijn de baten van de rioolheffing geraamd op € 1.428.910 en de lasten op € 1.429.911. Tot de begrote lasten is onder meer gerekend een post ‘Mutatie egalisatiereserve’ van € 155.560.

2.1.3

In de begroting van de gemeente voor het jaar 2014 zijn de baten van de rioolheffing geraamd op € 1.455.680 en de lasten ook op € 1.455.680. Tot de begrote lasten is onder meer gerekend een post ‘Mutatie egalisatiereserve’ van € 306.110.

2.2.1

Voor het Hof was onder meer in geschil of in de ramingen van de gemeente de post ‘Mutatie egalisatiereserve’ terecht als last ter zake van de riolering in aanmerking is genomen.

2.2.2

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende voldoende gemotiveerd betwist dat ten aanzien van de post ‘Mutatie egalisatiereserve’ sprake is van een last ter zake van de riolering. Daarom ligt het naar het oordeel van het Hof op de weg van de heffingsambtenaar om daarover informatie te verschaffen.

2.2.3

Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat de toevoeging aan de egalisatiereserve kan worden aangemerkt als een last ter zake van de riolering, zodat daarmee geen rekening mag worden gehouden. De door de heffingsambtenaar in hoger beroep overgelegde stukken maken slechts duidelijk dat de post ‘Mutatie egalisatiereserve’ een sluitpost is, te weten het verschil tussen de geraamde baten en de geraamde lasten. Er is geen aansluiting te vinden met voorgenomen vervangingsinvesteringen en/of onderhoudskosten, aldus het Hof.

2.2.4

Volgens het Hof mag bij de raming van de lasten niet alsnog rekening worden gehouden met (niet in de ramingen opgenomen) omzetbelasting die als gevolg van de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit dat fonds, en met perceptiekosten.

2.2.5

Het Hof heeft geconcludeerd dat de post ‘Mutatie egalisatiereserve’ niet in aanmerking genomen mag worden als last ter zake van de riolering en dat dan de geraamde baten de geraamde lasten met meer dan 10 procent overschrijden, zodat de Verordeningen rioolheffing van de gemeente voor beide jaren onverbindend zijn.

2.3.1

De middelen 1, 2 en 5 richten zich tegen het in 2.2.3 weergegeven oordeel van het Hof met de stelling dat de toevoeging aan de egalisatiereserve een last ter zake van de riolering is, reeds omdat die reserve een voorziening is als bedoel in artikel 44, lid 2, van het Besluit begroting en verantwoording Gemeenten en Provincies. De middelen falen. In artikel 228a, lid 1, van de Gemeentewet is bepaald dat rioolheffing kan worden geheven ter bestrijding van de in dat artikellid vermelde kosten. Het Hof heeft daarom terecht bij de beoordeling of de toevoeging aan de egalisatievoorzienig een last is ter zake van de riolering beslissend geacht of die voorziening is gevormd voor kosten als bedoeld in dit artikellid.

2.3.2

Middel 6, dat is gericht tegen het in 2.2.4 weergeven oordeel van het Hof, wordt terecht voorgesteld voor zover het de (niet in de ramingen opgenomen) omzetbelasting over de voor de riolering gemaakte kosten betreft die als gevolg van de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit dat fonds. Zoals is overwogen in het arrest van 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1016, rechtsoverweging 2.4.9, mocht de heffingsambtenaar die omzetbelasting alsnog in aanmerking nemen als last ter zake van de riolering.

2.3.3.

Middel 6 faalt echter voor zover het de perceptiekosten van de rioolheffing betreft omdat die kosten geacht worden te zijn begrepen in de begroting van de gemeente. Het achteraf alsnog in aanmerking nemen van die kosten als last ter zake van de riolering zou leiden tot een afwijking van de vastgestelde begroting dan wel tot het tweemaal in aanmerking nemen van die kosten.

2.3.4

Ten aanzien van het jaar 2014 kan hetgeen hiervoor in 2.3.2 is overwogen niet tot cassatie leiden. Uit de stukken kan niet anders worden afgeleid dan dat ook bij het alsnog in aanmerking nemen van het door de heffingsambtenaar opgevoerde bedrag aan omzetbelasting voor het jaar 2014, de geraamde baten van de rioolheffing de geraamde lasten voor dat jaar met meer dan 10 procent overschrijden, zodat het Hof terecht de Verordening voor het jaar 2014 onverbindend heeft geacht (vgl. HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7248).

2.3.5

Uit de stukken kan niet worden afgeleid of bij het alsnog in aanmerking nemen van het door de heffingsambtenaar opgevoerde bedrag aan omzetbelasting voor het jaar 2013, de geraamde baten van de rioolheffing de geraamde lasten voor dat jaar met meer dan 10 procent overschrijden.

2.3.6

Voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2.3.7

Hetgeen hiervoor in 2.3.5 is overwogen leidt ertoe dat het beroep in cassatie gegrond is en de uitspraak van het Hof moet worden vernietigd voor zover het de aanslag voor het jaar 2013 betreft. Verwijzing moet volgen voor een nader onderzoek naar het bedrag van de alsnog voor het jaar 2013 in aanmerking te nemen omzetbelasting en de gevolgen van het alsnog in aanmerking nemen daarvan voor de aanslag voor dat jaar.

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof doch uitsluitend voor zover deze de aanslag in de rioolheffing voor het jaar 2013 betreft,

- verwijst het geding naar het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2019.