Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1415

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
17/05721
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:678
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 416.2 Sv (dubbel verstek) na veroordeling t.z.v. onverzekerd rijden, art. 30.4 WAM. Aanwezigheidsrecht. Aan schriftuur gehechte brief houdt in dat (kantoorgenoot van) raadsman van verdachte op dag en tijdstip van tz. in h.b. in gerechtsgebouw van Hof aanwezig was, zich bij bode heeft gemeld en bij zittingszaal stond te wachten. Noopte omstandigheid dat raadsman, die zich in h.b. heeft gesteld en aan wie last tot toevoeging is gegeven, niet ttz. in h.b. is verschenen Hof tot nader onderzoek naar diens afwezigheid? Opvatting dat enkele omstandigheid dat raadsman van verdachte niet ttz. in h.b. was verschenen, Hof verplichtte tot een onderzoek naar diens afwezigheid, vindt geen steun in het recht (vgl. ECLI:NL:HR:2003:AM0201). Dat laat onverlet dat het rechter wel vrijstaat om, naar in de rechtspraktijk ook niet ongebruikelijk is, in zo’n situatie onderzoek ttz. te onderbreken teneinde bijvoorbeeld telefonisch contact te doen zoeken met raadsman. Enkele melding in 2 weken na tz. in h.b. verzonden brief van raadsman van verdachte dat hij op dag en tijdstip van tz. in h.b. in gerechtsgebouw van Hof aanwezig was, zich bij bode had gemeld en zich bij dan wel onderaan trap naar zittingszaal ophield, kan evenmin tot cassatie leiden. Op die enkele grond kan immers in cassatie niet als vaststaand worden aangenomen dat het niet (tijdig) verschijnen van raadsman in zittingszaal, een niet voor rekening van verdachte en diens raadsman komende omstandigheid betrof. Volgt verwerping. CAG (anders): Hof niet heeft doen blijken te hebben onderzocht of raadsman op de hoogte was van zitting, terwijl uit dossier niet blijkt dat art. 48 Sv is nageleefd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2019-0240
NJB 2019/2125
NJ 2019/384
RvdW 2019/992
NBSTRAF 2019/281
TPWS 2019/105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/05721

Datum 24 september 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof

's-Hertogenbosch van 5 oktober 2017, nummer 20/000386-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte. Daartoe wordt aangevoerd dat de verstekverlening “klaarblijkelijk [is] geschied op basis van een onjuiste mededeling van de gerechtsbode inhoudende dat requirant noch zijn raadsman zijn verschenen”. Het middel klaagt niet over niet-naleving van art. 48 Sv en bestrijdt blijkens de toelichting evenmin dat de raadsman op de hoogte was van de dag en het tijdstip van de terechtzitting.

2.2

Het Hof heeft bij zijn bij verstek gewezen arrest van 5 oktober 2017 de verdachte met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

2.3

In cassatie zijn - door middel van aanhechting aan de schriftuur - overgelegd:
(i) een brief van 19 oktober 2017 van mr. R.B.M. Poppelaars, advocaat te Breda, gericht aan de strafgriffie van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Deze brief houdt onder meer het volgende in:

“Op 5 oktober jl. heeft de behandeling van de onderhavige zaak plaatsgevonden. Hedenmiddag is beroep in cassatie ingesteld. Ik verzoek u onderhavig schrijven te voegen in de cassatiestukken. Dit schrijven betreft namelijk de gang van zaken op 5 oktober jl. die van belang is voor de beoordeling van het beroep in cassatie.

De behandeling van de onderhavige zaak stond op genoemde datum om 15:00u gepland. Na aankomst in het paleis van justitie heb ik mij gemeld bij de bode. De bode heeft vervolgens een vinkje achter de naam van cliënt gezet, ten behoeve van de registratie van mijn aanwezigheid. De bode heeft mij naar de zittingszaal verwezen. Aangekomen bij de zittingszaal, trof ik een confrère. Hij vertelde mij dat ook zijn zaak om 15:00u zou worden behandeld in dezelfde zittingszaal, maar dat de behandeling van eerdere zaken uitliep. Ik heb hierop gewacht voor de zittingszaal. Een bode voor de zittingszaal heb ik niet gezien. Het was na 15:00u dat ik - voor de zittingszaal - nog telefonisch contact had met een kantoorgenoot. Vervolgens zag ik een andere kantoorgenoot onderaan de trap staan. Hier ben ik naartoe gelopen en heb luttele minuten met hem gesproken. De confrère die ook om 15:00u zitting had in die zittingszaal, zat toen ook nog te wachten. Na het korte onderhoud dat ik met mijn kantoorgenoot onderaan de trap had, ben ik weer terug gegaan naar de plek voor de zittingszaal. Die bevond zich bovenaan de trap.

Ik bemerkte dat mijn confrère die ook een zitting om 15:00u in die zittingszaal had, inmiddels weg was. Ik heb de deur van de zittingszaal geopend en zag dat die confrère bezig was met de behandeling van de zaak. Ik zag toen ook de bode in de zittingszaal zitten. Hij kwam de zittingszaal uit en ik vertelde hem dat ik voor onderhavige zaak kwam. Hij vertelde mij dat hij deze reeds had uitgeroepen en de enkelvoudige kamer deze vervolgens ook heeft behandeld. Het verzoek om de onderhavige zaak nogmaals te behandelen na de zitting van mijn confrère, werd afgewezen.”

(ii) een verzendrapport waaruit kan worden afgeleid dat deze brief op 19 oktober 2017 is verzonden naar het faxnummer van de administratie van het Hof.

2.4.1

Het middel berust op de opvatting dat de enkele omstandigheid dat de raadsman van de verdachte niet ter terechtzitting in hoger beroep was verschenen, het Hof verplichtte tot een onderzoek naar diens afwezigheid. Die opvatting vindt geen steun in het recht (vgl. HR 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AM0201). Dat laat onverlet dat het de rechter wel vrijstaat om, naar in de rechtspraktijk ook niet ongebruikelijk is, in zo’n situatie het onderzoek ter terechtzitting te onderbreken teneinde bijvoorbeeld telefonisch contact te doen zoeken met de raadsman.

2.4.2

De enkele melding in de hiervoor onder 2.3 weergegeven, twee weken na de terechtzitting in hoger beroep verzonden brief van mr. Poppelaars dat de raadsman van de verdachte op de dag en het tijdstip van de terechtzitting in hoger beroep in het gerechtsgebouw van het Hof aanwezig was, zich bij de bode had gemeld en zich bij dan wel onderaan de trap naar de zittingszaal ophield, kan evenmin tot cassatie leiden. Op die enkele grond kan immers in cassatie niet als vaststaand worden aangenomen dat het niet (tijdig) verschijnen van de raadsman in de zittingszaal, een niet voor rekening van de verdachte en diens raadsman komende omstandigheid betrof.

2.5

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2019.