Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1413

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
17/02915
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:672
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verduistering, art. 321 Sr. Aanwezigheidsrecht. Dient bij politie opgegeven logeeradres te worden aangemerkt als adresopgave a.b.i. art. 588a.1.a Sv? Oproeping voor nadere tz. is uitgereikt aan huisgenoot van verdachte op diens BRP-adres (adres A). Verdachte heeft bij zijn eerste verhoor verklaard dat hij woont in pension van zijn neef op adres A maar dat hij, als in pension geen plaats is, bij die neef thuis verblijft op adres B. In de bestreden uitspraak ligt als ‘s Hofs oordeel besloten dat adres B niet behoefde te worden aangemerkt als een opgave van een adres in de zin van art. 588a.1.a Sv waaraan een afschrift van dagvaarding of oproeping van verdachte om op (nadere) tz. te verschijnen kon worden gezonden. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2019-0238
NJ 2019/383
RvdW 2019/991
NBSTRAF 2019/280
TPWS 2019/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/02915

Datum 24 september 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 22 december 2015, nummer 20/002011-14, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.W. Noorduyn, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzing of terugwijzing als de Hoge Raad gepast voorkomt.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1

Het middel klaagt over de beslissing van het Hof tot het verlenen van verstek tegen de niet verschenen verdachte en voert daartoe aan dat niet blijkt dat een afschrift van de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep van 8 december 2015 is verzonden naar het door de verdachte bij de politie opgegeven adres [b-straat 1] te Eindhoven.

2.2

De bestreden uitspraak is bij verstek gewezen. In de conclusie van de Advocaat-Generaal is onder 2.2 de inhoud van een aantal van de aan de Hoge Raad gezonden stukken weergegeven. Uit die stukken kan worden afgeleid dat de verdachte bij zijn eerste verhoor in deze zaak heeft verklaard te wonen in een pension van zijn neef op het adres [a-straat 1] te Eindhoven, maar dat hij, als in het pension geen plaats is, bij die neef thuis verblijft op het adres [b-straat 1] te Eindhoven.

2.3

In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het Hof besloten dat het adres [b-straat 1] te Eindhoven niet behoefde te worden aangemerkt als een opgave van een adres in de zin van art. 588a, eerste lid aanhef en onder a, Sv waaraan een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de (nadere) terechtzitting te verschijnen kon worden gezonden. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

2.4

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2019.