Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:138

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-02-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
18/01914
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1338
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1454
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2018:1334
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 4:17 Awb, artikel 10 Wet op de loonbelasting 1964. Geen loonbelasting over dwangsom die door overheidswerkgever wordt uitgekeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-02-2019
V-N Vandaag 2019/345
FutD 2019-0413 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2019/414 met annotatie van mr. D. Westerman
NLF 2019/0406 met annotatie van Touria El Ouardi
V-N 2019/11.6 met annotatie van Redactie
BNB 2019/75 met annotatie van P. KAVELAARS
NJB 2019/1073
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 februari 2019

Nr. 18/01914

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 maart 2018, nr. 16/00539, op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 15/4814) betreffende het van belanghebbende ingehouden bedrag aan loonheffingen over het tijdvak 1 oktober 2014 tot en met 31 oktober 2014. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.

Partijen hebben de zaak doen toelichten, de Staatssecretaris door C.M. Bergman, advocaat te Den Haag, en belanghebbende door M. Hendriks en J. Berns, advocaten te Nijmegen.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 27 november 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:1338).

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende is werkzaam bij de politie. Hij heeft zijn werkgever gevraagd om herwaardering van zijn functie. De werkgever heeft dat verzoek afgewezen. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De werkgever heeft op dat bezwaar niet tijdig beslist. Met toepassing van artikel 4:17 Awb is vastgesteld dat de werkgever aan belanghebbende een dwangsom van € 490 is verschuldigd. De dwangsom is aan belanghebbende betaald bij het salaris over de maand oktober 2014, onder inhouding van loonheffingen.

2.2.

Voor het Hof was in geschil of terecht loonheffingen zijn ingehouden op de aan belanghebbende betaalde dwangsom. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Daartoe heeft het Hof overwogen dat de dwangsom verschuldigd is geworden doordat het bestuursorgaan in gebreke is gebleven tijdig op het bezwaar te beslissen en dat belanghebbende recht op die dwangsom heeft in zijn hoedanigheid van maker van bezwaar. Een dergelijke bate vindt niet zozeer grond in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten loon moet worden aangemerkt, aldus het Hof.

2.3.

Tegen dit oordeel richt zich het middel met het betoog dat het Hof is uitgegaan van een te beperkte opvatting van het fiscale loonbegrip.

2.4.

Artikel 4:17 Awb bevat een regeling voor het verbeuren en verschuldigd worden van een dwangsom door een bestuursorgaan dat een beschikking op aanvraag niet tijdig heeft gegeven. Een op die bepaling gebaseerde dwangsom wordt het bestuursorgaan uitsluitend verschuldigd in zijn hoedanigheid van bestuursorgaan. Daarbij is niet van belang of de aanvrager van een beschikking in een dienstbetrekking staat tot dat bestuursorgaan. De vaststelling door een bestuursorgaan van een aan haar werknemer op grond van artikel 4:17 Awb verschuldigde dwangsom vindt als zodanig geen grondslag in die dienstbetrekking en strekt niet tot nakoming van een uit die dienstbetrekking voortvloeiende verplichting, maar strekt uitsluitend tot naleving van de algemene uit artikel 4:14 Awb en artikel 4:15 Awb voortvloeiende verplichting van het bestuursorgaan om tijdig op een aanvraag te beslissen. Het oordeel van het Hof dat de dwangsom niet zozeer grond vindt in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten loon moet worden aangemerkt, is juist. Het middel faalt.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.072 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2019.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 508.