Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1346

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
18/01486
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:903
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94a Sv op woning onder klaagster i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek tegen echtgenoot van klaagster t.z.v. verdenking van (gewoonte)witwassen. Rb heeft klaagschrift van klaagster (derde) ongegrond verklaard op de grond dat niet boven redelijke twijfel is verheven dat echtgenoot (beslagene) niet als (mede-)rechthebbende van inbeslaggenomen woning moet worden aangemerkt en dat belang van strafvordering zich verzet tegen gevraagde teruggave. Heeft Rb juiste maatstaf toegepast? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BL2823 m.b.t. toepasselijke maatstaf of buiten redelijke twijfel is dat derde die ex art. 552a Sv om teruggave verzoekt als eigenaar moet worden aangemerkt en, zo ja, of zich situatie van art. 94a.4 of 94a.5 Sv voordoet. Door te onderzoeken of boven redelijke twijfel is verheven dat beslagene niet als eigenaar van het pand kan worden aangemerkt, heeft Rb een andere dan de toepasselijke - en dus een onjuiste - maatstaf aangelegd. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 18/01485 B.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/2065
SR-Updates.nl 2019-0310
RvdW 2019/1000
NBSTRAF 2019/277
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/01486

Datum 17 september 2019

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 22 maart 2018, nummer RK 18/225, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend

door

[klaagster] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

hierna: de klaagster.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft H. Bakker, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1

Het middel klaagt onder meer dat de Rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift, voor zover dat strekt tot opheffing van het beslag op het pand aan de [a-straat 1] in Amsterdam , een onjuiste maatstaf heeft toegepast.

2.2

De Rechtbank heeft het namens de klaagster ingediende klaagschrift, dat onder meer strekt tot opheffing van het ten laste van de echtgenoot van de klaagster ( [betrokkene 1] ) op de voet van art. 94a Sv gelegde beslag op het in het middel bedoelde pand, ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

“In een geval als het onderhavige, waarin het klaagschrift is ingediend door de echtgenote van beslagene, die stelt eigenaar te zijn en niet de beslagene, dient de rechter te onderzoeken of zich het geval voordoet dat boven redelijke twijfel is verheven dat de beslagene niet als eigenaar van de goederen kan worden aangemerkt.

Uit voorgaande feiten en omstandigheden blijkt dat niet alleen de hypothecaire lening rustende op het pand aan de [a-straat 1] en de bijbehorende Aegon-bankrekening op naam van klaagster en [betrokkene 1] staan, maar dat er ook een relatie kan worden gelegd tussen de verdenking tegen [betrokkene 1] en dat pand. De rechtspersonen van [betrokkene 1] , die zich bezighouden met de verkoop van PGP-telefoons en telefoondiensten aan vermoedelijk criminelen, [A] B.V., [B] Holding B.V. en [C] , gebruiken/gebruikten de bovenste verdieping (27-4) als kantoor. Ook zijn grote hoeveelheden contant geld aangetroffen op de verschillende verdiepingen van het pand.

Gezien het voorstaande is, ondanks het feit dat klaagster eigenaar van het pand is en onder huwelijkse voorwaarden is getrouwd met [betrokkene 1] , niet boven redelijke twijfel verheven dat [betrokkene 1] niet als (mede-)rechthebbende van de nog inbeslaggenomen goederen moet worden aangemerkt. Hierbij komt dat ook, gelet op de relatie die gelegd kan worden tussen het pand en de verdenking tegen [betrokkene 1] , het belang van strafvordering zich verzet tegen de gevraagde teruggave.

(...)

De rechtbank zal het beklag dan ook ongegrond verklaren.”

2.3

Art. 94a Sv luidt:

“1. In geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete.

2. In geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslag genomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

3. Ingeval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

4. Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie, in het in het eerste lid bedoelde geval, de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie, in het in het tweede lid bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, of degene aan wie, in het in het derde lid bedoelde geval, de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht kan worden opgelegd, kunnen in beslag worden genomen indien voldoende aanwijzingen bestaan dat deze voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden.

5. In het geval, bedoeld in het vierde lid, kunnen tevens andere aan de betrokken persoon toebehorende voorwerpen in beslag worden genomen, tot ten hoogste de waarde van de in het vierde lid bedoelde voorwerpen.

6. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.”

2.4

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de rechter in een geval als het onderhavige, waarin op de voet van art. 94a Sv beslag rust op het inbeslaggenomen voorwerp en een derde in een beklagprocedure op de voet van art. 552a Sv om teruggave verzoekt, als maatstaf moet aanleggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat die derde als eigenaar van dat inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk moet geven. Indien die derde als eigenaar wordt aangemerkt zal de rechter tevens moeten onderzoeken, en daarvan blijk moeten geven, of zich de situatie van art. 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet. (Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.15.)

2.5

Door te onderzoeken of boven redelijke twijfel is verheven dat de beslagene ( [betrokkene 1] ) niet als eigenaar van het pand kan worden aangemerkt, heeft de Rechtbank een andere dan de toepasselijke - en dus een onjuiste - maatstaf aangelegd. De bestreden beschikking kan reeds daarom in zoverre niet in stand blijven.

2.6

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld en behoeft voor het overige geen bespreking.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden beschikking, maar uitsluitend wat betreft de beslissing van de Rechtbank tot ongegrondverklaring van het klaagschrift ten aanzien van het gelegde beslag op het pand aan de [a-straat 1] in Amsterdam ;

- wijst de zaak terug naar de Rechtbank Rotterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2019.