Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1308

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
10-09-2019
Zaaknummer
18/01399
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:749
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Uitkeringsfraude. Medeplegen valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.1 Sr) en medeplegen opzettelijk gebruik maken van vals geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.2 Sr). Vervolg op ECLI:NL:HR:2016:2586 (art. 80a RO). Kunnen de verklaringen van getuigen die zijn afgelegd op openbare zitting van CRvB en uitspraak van CRvB worden aangemerkt als novum ex art. 457.1.c. Sv? HR: Op gronden vermeld in CAG kan het in de aanvraag aangevoerde niet worden aangemerkt als gegeven ex art. 457.1.c. Sv. Afwijzing aanvraag. CAG: Enkele omstandigheid dat bestuursrechter anders oordeelt dan strafrechter, betekent niet dat sprake is van novum. Verklaringen van getuigen zoals afgelegd op zitting van CRvB wijken niet af van verklaringen die deze getuigen destijds in strafzaak hebben afgelegd. Desbetreffende verklaringen leveren geen gegevens op die bij onderzoek ttz. aan Hof niet bekend waren en die op zichzelf of i.v.m. de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnen, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien deze gegevens bekend zouden zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak van aanvrager.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2019-0307
RvdW 2019/978
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/01399

Datum 10 september 2019

ARREST

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof Den Haag van 24 maart 2015, nummer 22/001067-13, ingediend door N. Gonzales Bos, advocaat te Amsterdam,

namens

[de aanvraagster] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

hierna: de aanvraagster.

1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Den Haag van 28 februari 2013 – de aanvraagster ter zake van 1. “Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en 2. “Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

2 De aanvraag tot herziening

2.1

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2

De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat indien de rechter bekend was geweest met de inhoud van de verklaringen zoals de getuigen [getuige 3] , [getuige 4] en [getuige 1] die hebben afgelegd op de openbare zitting van de Centrale Raad van Beroep van 1 juli 2015, alsmede met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 juni 2016, nr. 13/754 WW, ECLI:NL:CRVB:2016:1992, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de aanvraagster.

3 De conclusie van de Advocaat-Generaal

De Advocaat-Generaal F.W Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag ongegrond zal verklaren.

4 Beoordeling van de aanvraag

4.1

Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

4.2

Op de door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie vermelde gronden kan het in de aanvraag aangevoerde niet worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. De aanvraag is dus ongegrond en moet ingevolge art. 470 Sv worden afgewezen.

5 Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 september 2019.