Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:128

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
17/01376
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1393
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Opzetheling auto, art. 416.1.a Sr. Wist verdachte “ten tijde van” voorhanden krijgen van auto dat het een door misdrijf verkregen goed betrof? Hof heeft vastgesteld dat verdachte auto voorhanden had en dat deze auto op dat moment niet was voorzien van het originele kenteken. Hof heeft voorts geoordeeld dat, in aanmerking genomen dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd en in strijd met de waarheid heeft ontkend dat hij auto voorhanden had alsmede dat A moest tanken met in de auto aanwezige diesel, verdachte wist dat deze auto van misdrijf afkomstig was. Daarin ligt tevens als ’s Hofs oordeel besloten dat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven m.b.t. voorhanden hebben van deze auto en dat het niet anders kan dan dat verdachte ook "ten tijde van" voorhanden krijgen van auto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Gelet hierop is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd (vgl. ECLI:NL:HR:2019:97). Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/213
NJ 2019/311 met annotatie van N. Rozemond
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 januari 2019

Strafkamer

nr. S 17/01376

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 3 maart 2017, nummer 20/001710-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J. Bussink, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring, in het bijzonder over het onderdeel dat de verdachte "ten tijde van" het voorhanden krijgen van de auto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 30 november 2014 tot en met 24 december 2014 te Uden en/of Oss, in elk geval in Nederland, een goed, te weten een zwarte personenauto, merk Audi A5 Sportback, heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof."

2.2.2.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

"De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte kwam aanlopen en ging als bijrijder in de auto zitten. De medeverdachte, [betrokkene 1] , had derhalve die gestolen auto onder zich en niet verdachte. De belastende verklaringen in het dossier van de vader, de moeder en van een vriend van [betrokkene 1] , genaamd [betrokkene 2] , zijn allemaal afkomstig uit de familiesfeer van [betrokkene 1] en gericht op het uit de wind houden van de medeverdachte. Derhalve vormen deze verklaringen onvoldoende overtuigend bewijs dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de Audi, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt het volgende.

A. De getuige [betrokkene 1] verklaart als volgt
(p. 44-45, 48-49 van het dossier PL2100-2014198882): Verdachte is in de nacht van 23 december op 24 december 2014 bij hem aan de deur geweest en vertelde dat hij een mooie auto bij zich had die hij van een kennis had geleend. [betrokkene 1] verklaart dat deze auto een mooie Audi A5 was en dat hij de auto mocht lenen van verdachte om een cadeautje op te kunnen halen voor kerst. Omdat verdachte die nacht luid praatte, kwam de vader van [betrokkene 1] naar beneden om te vragen of verdachte wat zachter kon zijn. Toen [betrokkene 1] de auto leende lag er al een rood vest op de achterbank, een soort bodywarmer, en stonden er witte jerrycans achterin de auto, drie lege en één halfvol met diesel waarmee hij van verdachte moest tanken. Op 24 december 2014 is [betrokkene 1] met de auto een cadeautje op gaan halen in Nuenen. Omstreeks 20:00 uur kwam [betrokkene 1] aan bij verdachte. Verdachte vroeg hem toen mee te gaan naar een camping in Oss omdat verdachte daar een stroomkabel moest afgeven. [betrokkene 1] ging daarmee akkoord. [betrokkene 1] parkeerde de auto bij de slagboom en zag dat verdachte een zwartachtige kabel uit de achterbak haalde en daarmee rechtsaf het terrein op liep. Vervolgens kwam de politie het terrein op rijden. Vijf minuten later kwam verdachte teruggelopen naar de auto. [betrokkene 1] hoorde dat verdachte tegen de politie zei dat hij niet wist van wie de auto was.

B. De vader van [betrokkene 1] - eveneens [betrokkene 1] genaamd, en hierna 'vader [betrokkene 1] ' genoemd - verklaart als volgt (p. 91 en 93 van voormeld dossier): In de ochtend van 24 december 2014, vermoedelijk tussen 06:00 en 07:00 uur, werd hij wakker van verdachte die luid aan het praten was in de huiskamer. Vader [betrokkene 1] is toen naar de hal gelopen en heeft kenbaar gemaakt dat verdachte stil moest zijn. Vader [betrokkene 1] hoorde later die dag van zijn zoon, [betrokkene 1] , dat hij van verdachte een mooie Audi A5 te leen had. Vader [betrokkene 1] verklaart voorts dat zijn zoon, in bijzijn van zijn vriend [betrokkene 2] , met voornoemde Audi op 24 december 2014 een cadeautje is gaan kopen, waarna zijn zoon de Audi weer heeft teruggebracht bij verdachte, en is zijn zoon met verdachte kennelijk samen nog met de Audi op pad geweest.

C. De getuige [betrokkene 2] verklaart als volgt

(p. 94 van voormeld dossier). [betrokkene 2] is enkele dagen voorafgaand aan zijn verhoor d.d. 27 december 2014 bij [betrokkene 1] thuis geweest toen verdachte daar ook was. In die vroege ochtend is de vader van [betrokkene 1] mopperend naar beneden gekomen. Op 24 december 2014 rond 12:00 uur heeft [betrokkene 1] [betrokkene 2] opgehaald om een cadeautje te gaan kopen. [betrokkene 1] had toen een mooie Audi A5 bij zich, die hij naar eigen zeggen te leen had van verdachte.

D. Uit de aangifte van [betrokkene 3] namens [A] B.V. van diefstal van een Audi A5 tussen 30 november 2014 en 1 december 2014, met bijbehorende bijlage goederen (p. 73-76 van voormeld dossier), blijkt dat er verschillende goederen in de auto aanwezig waren op het moment dat de auto werd weggenomen. In de opsomming van deze goederen is geen melding gemaakt van een rood vest/rode bodywarmer, en ook niet van één of meerdere al dan niet gevulde jerrycans.

Het hof heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de aangever en de getuigen te twijfelen. Deze verklaringen zijn consistent en ondersteunen elkaar op belangrijke onderdelen. Hiertegenover staan de wisselende verklaringen van verdachte. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij op bezoek was bij een vriendin op de camping Naaldhof en dat hij daar al was sinds dinsdagnacht 23 december 2014. Op woensdagavond 24 december 2014 heeft hij een maat gebeld om hem op te halen, de medeverdachte, en is hij bij deze ingestapt. Verdachte heeft niet willen zeggen wie de vriendin was (p. 64, 68 en 70 van voormeld dossier).

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij bij de camping op bezoek was bij ene [betrokkene 4], waarvan hij de achternaam niet weet, en dat hij daar een uurtje was om een bakje koffie te drinken en toen zijn maat heeft gebeld om hem op te halen en daar toen bij [betrokkene 1] ( [betrokkene 1] : hof) is ingestapt en niet weet hoe [betrokkene 1] aan die auto kwam. Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor het gegeven dat er een rode Gaastra jas, die volgens zijn verklaring bij de politie van hem is, in de auto lag (p. 68 van voormeld dossier). Het hof hecht derhalve geen geloof aan de verklaring van verdachte.

Het hof acht op grond van de gebruikte bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de auto voorhanden had en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de in de tenlastelegging genoemde Audi A5.

Dat verdachte wist dat de Audi een door misdrijf verkregen goed betrof leidt het hof af uit het feit dat hij over de reden van zijn aanwezigheid in die auto wisselende verklaringen heeft afgelegd bij de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting en in strijd met de waarheid heeft ontkend dat hij het was die de auto voorhanden had. Het hof is van oordeel dat de verdachte met deze wisselende verklaringen heeft getracht de waarheid, dat hij opzettelijk de gestolen Audi A5 voorhanden had, te bemantelen. Ook het gegeven dat [betrokkene 1] van verdachte moest tanken met in de auto aanwezige diesel en zo kennelijk benzinestations moest mijden, wijst eveneens in die richting.

Onder deze feiten en omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat verdachte heeft geweten dat de Audi A5 een door misdrijf verkregen goed betrof, zodat er sprake is van opzetheling.

Het bewijsverweer wordt verworpen."

2.3.

Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte op 24 december 2014 de in de bewezenverklaring vermelde auto voorhanden had en dat deze auto op dat moment niet was voorzien van het originele kenteken. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat, in aanmerking genomen dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd en in strijd met de waarheid heeft ontkend dat hij de auto voorhanden had alsmede dat [betrokkene 1] moest tanken met in de auto aanwezige diesel, de verdachte wist dat deze auto van misdrijf afkomstig was. Daarin ligt tevens als het oordeel van het Hof besloten dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot het voorhanden hebben van deze auto en dat het niet anders kan dan dat de verdachte ook "ten tijde van" het voorhanden krijgen van de auto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Gelet hierop is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd (vgl. het heden uitgesproken arrest in de zaak 17/06060, ECLI:NL:HR:2019:97).

2.4.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twee maanden en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2019.