Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1277

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-07-2019
Datum publicatie
19-07-2019
Zaaknummer
19/00909
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:630, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wet Bopz. Dwangbehandeling (art. 38c Wet Bopz). Dient bij dwangbehandeling op grond van het externe-gevaarscriterium na een overplaatsing naar een ander psychiatrisch ziekenhuis opnieuw beoordeling omtrent dwangbehandeling plaats te vinden? Overplaatsing naar andere vestiging van dezelfde zorginstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/00909

Datum 19 juli 2019

BESCHIKKING

In de zaak van

[betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKER tot cassatie,

hierna: betrokkene,

advocaat: mr. M.E. Bruning,

tegen

1. (DE BEHANDELAAR IN) DE KLINIEK 'DE FLINTER' VAN STICHTING GGZ-FRIESLAND,
gevestigd te Franeker,

2. (DE BEHANDELAAR IN) DE HIC-KLINIEK VAN GGZ STICHTING FRIESLAND,
gevestigd te Heerenveen,

VERWEERDERS in cassatie,

hierna: GGZ Friesland,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/17/163883 / BZ RK 18-775 van de rechtbank Noord-Nederland van 19 november 2018.

Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

GGZ Friesland heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Noord-Nederland.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Betrokkene verbleef krachtens een rechterlijke machtiging in de HIC-kliniek te Heerenveen van GGZ Friesland.

(ii) Aan betrokkene is een ‘aanzegging tot dwangbehandeling’ uitgereikt, ondertekend door de toen behandelend psychiater. Hierin is vermeld dat de dwangbehandeling is gebaseerd op ‘extern gevaar’, een duur heeft van maximaal drie maanden, en zal bestaan in het toedienen van depotmedicatie.

(iii) Betrokkene heeft bij de klachtencommissie van GGZ Friesland een klacht ingediend tegen deze beslissing van de behandelaar en verzocht om schorsing van de beslissing tot dwangbehandeling. De klachtencommissie heeft de klacht ongegrond verklaard.

2.2

Betrokkene heeft zijn klacht op de voet van art. 41a lid 1 Wet Bopz voorgelegd aan de rechtbank. Op het moment van de mondelinge behandeling van de klacht was betrokkene overgeplaatst van de HIC-kliniek te Heerenveen naar kliniek ‘De Flinter’ te Franeker van GGZ Friesland.

2.3

De rechtbank heeft de klacht ongegrond verklaard en het verzoek tot schorsing van de beslissing tot dwangbehandeling afgewezen.

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 1.a van het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat de door de toenmalige behandelaar in de kliniek te Heerenveen genomen beslissing tot dwangbehandeling zonder meer kan worden uitgevoerd in de kliniek te Franeker. Voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de overplaatsing van betrokkene van de kliniek te Heerenveen naar de kliniek in Franeker niet inhield dat hij naar een ander psychiatrisch ziekenhuis is overgeplaatst, omdat beide klinieken afdelingen zijn binnen dezelfde zorginstelling, namelijk GGZ Friesland, is dit onjuist, aldus onderdeel 1.b. De klinieken zijn immers ieder afzonderlijk aangemerkt als ‘psychiatrisch ziekenhuis’ in de zin van de Wet Bopz.

3.2

Art. 38c lid 1 Wet Bopz bepaalt dat dwangbehandeling kan plaatsvinden (a) voor zover aannemelijk is dat zonder die behandeling het gevaar dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene doet veroorzaken niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen (het ‘externe-gevaarscriterium’), of (b) voor zover dit volstrekt noodzakelijk is om het gevaar af te wenden dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene binnen de inrichting doet veroorzaken (het ‘interne-gevaarscriterium’). Art. 38c lid 2 Wet Bopz schrijft voor dat dwangbehandeling plaatsvindt krachtens een schriftelijke beslissing van de behandelaar.

3.3

De toelichting op onderdeel 1.a doet een beroep op een beschikking van de Hoge Raad van 21 september 2018.1 Daarin heeft de Hoge Raad voor het interne-gevaarscriterium van art. 38c lid 1, aanhef en onder b, Wet Bopz onder meer beslist dat bij overplaatsing van een patiënt naar een ander psychiatrisch ziekenhuis, de behandelaar van die patiënt in dat ziekenhuis (opnieuw) moet beoordelen of (ook) in dat ziekenhuis dwangbehandeling volstrekt noodzakelijk is, en of is voldaan aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. Bij een bevestigende beantwoording van deze vragen moet de behandelaar een schriftelijke beslissing tot (voortzetting van de) dwangbehandeling nemen op de voet van art. 38c lid 2 Wet Bopz.

Het onderdeel betoogt dat ook voor een dwangbehandeling op grond van het externe-gevaarscriterium van art. 38c lid 1, aanhef en onder a, Wet Bopz geldt dat na een overplaatsing naar een ander psychiatrisch ziekenhuis, de behandelaar in dat andere ziekenhuis opnieuw moet beoordelen of dwangbehandeling moet plaatsvinden en, zo ja, welke dwangbehandeling en voor hoe lang.

3.4

Als een patiënt na uitreiking van een schriftelijke beslissing tot dwangbehandeling wordt overgeplaatst naar een ander psychiatrisch ziekenhuis, zal dat doorgaans leiden tot wijziging van de behandelaar en de verantwoordelijk geneesheer-directeur. De wetgever heeft niet alleen aan de behandelaar bevoegdheden toegekend bij de dwangbehandeling, maar ook aan de geneesheer-directeur. De geneesheer-directeur informeert de inspectie over de dwangbehandeling en het beëindigen daarvan (art. 38c lid 5 Wet Bopz). Bij dwangbehandeling op grond van extern gevaar is niet de behandelaar, maar de geneesheer-directeur degene die uiteindelijk beslist over voortzetting van de dwangbehandeling, dan wel over een nieuwe dwangbehandeling binnen zes maanden na afloop van de termijn van de vorige dwangbehandeling (art. 38c lid 3 Wet Bopz). Daarmee is beoogd de beslissing “op een hoger niveau in de organisatie” te laten nemen.2 Uit een en ander valt af te leiden dat de wetgever voor ogen heeft gestaan dat ieder psychiatrisch ziekenhuis op dit punt beleid dient te voeren, en dat de behandelaar die de beslissing tot dwangbehandeling neemt en de geneesheer-directeur verbonden zijn aan het psychiatrisch ziekenhuis waar de behandeling plaatsvindt.

3.5

Op grond van het voorgaande moet worden aangenomen dat hetgeen is overwogen in de hiervoor in 3.3 genoemde beschikking van 21 september 2018, ook geldt voor een dwangbehandeling die berust op het externe-gevaarscriterium van art. 38c lid 1, aanhef en onder a, Wet Bopz. Na overplaatsing van een patiënt naar een ander psychiatrisch ziekenhuis moet de behandelaar van die patiënt in dat andere ziekenhuis dan ook (opnieuw) beoordelen of aannemelijk is dat zonder dwangbehandeling het gevaar dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene doet veroorzaken, niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen. Bij een bevestigende beantwoording van die vraag moet de behandelaar in dat andere ziekenhuis een schriftelijke beslissing tot (voortzetting van de) dwangbehandeling nemen op de voet van art. 38c lid 2 Wet Bopz. Is voldaan aan de voorwaarden van art. 38c lid 3 Wet Bopz dan geschiedt de (voortzetting van de) dwangbehandeling slechts krachtens een schriftelijke beslissing van de geneesheer-directeur van dat andere ziekenhuis.

3.6

Onderdeel 1.b stelt de vraag aan de orde of overplaatsing van de kliniek te Heerenveen naar de kliniek te Franeker geldt als overplaatsing naar een ander psychiatrisch ziekenhuis.

Onder een psychiatrisch ziekenhuis wordt ingevolge art. 1, aanhef en onder h, Wet Bopz verstaan: een door de minister (van thans: VWS) als ‘psychiatrisch ziekenhuis’ aangemerkte zorginstelling of afdeling daarvan. De op dit voorschrift gebaseerde Regeling aanmerking psychiatrisch ziekenhuis Bopz3 bepaalt in art. 1 lid 1 dat als zodanig worden aangemerkt “de zorginstellingen en afdelingen van zorginstellingen, opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling”. In de per 1 april 2018 geldende bijlage is zowel de kliniek van GGZ Friesland te Heerenveen als de kliniek van GGZ Friesland te Franeker opgenomen.4 Deze klinieken zijn dus afzonderlijk aangemerkt als ‘psychiatrisch ziekenhuis’. Dat beide klinieken tot dezelfde ‘instelling’ als bedoeld in art. 1, onder k, Wet Bopz behoren, maakt dat niet anders.

3.7

Uit het hiervoor overwogene volgt dat onderdeel 1.a slaagt voor zover het oordeel van de rechtbank erop berust dat de door de toenmalige behandelaar in de kliniek te Heerenveen genomen beslissing tot dwangbehandeling zonder meer kan worden uitgevoerd in de kliniek te Franeker. Voor zover het oordeel erop berust dat betrokkene bij de overplaatsing van de kliniek te Heerenveen naar de kliniek te Franeker binnen hetzelfde, voor de Wet Bopz als zodanig aangemerkte psychiatrisch ziekenhuis is gebleven, slaagt onderdeel 1.b.

3.8

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 19 november 2018;

- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de vicepresident E.J. Numann op 19 juli 2019.

1 HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1724 (zie rov. 3.4.5).

2 Kamerstukken I 2007/08, 30492, E, p. 11.

3 Stcrt. 1994, 12.

4 Stcrt. 2018, 21008.