Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1219

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-07-2019
Datum publicatie
19-07-2019
Zaaknummer
18/05493
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2018:4921
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 8:75 Awb; ten onrechte geen proceskostenvergoeding toegekend bij gegrond hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-07-2019
V-N Vandaag 2019/1710
FutD 2019-1926
V-N 2019/35.27 met annotatie van Redactie
NTFR 2019/1946 met annotatie van mr. M.F. Kossen
BNB 2019/146
NLF 2019/1721 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 18/05493

Datum 19 juli 2019

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM (hierna: het College)

op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 15 november 2018, nr. 17/00563, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 17/63) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2016 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] . De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de middelen

2.1

De waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] voor het jaar 2016 is op grond van artikel 17 van de Wet waardering onroerende zaken vastgesteld op € 748.500. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de vastgestelde waarde verminderd tot € 710.000. Ter motivering van dit bezwaar heeft belanghebbende een taxatierapport op laten stellen. Hiervoor zijn in de bezwaar- en beroepsfase geen kosten vergoed.

2.2

Het Hof heeft het hoger beroep gegrond verklaard omdat de kosten voor het opstellen van het in 2.1 vermelde taxatierapport van € 121 voor vergoeding in aanmerking komen. Het heeft aan belanghebbende een vergoeding voor de kosten van het bezwaar toegekend van € 370 (€ 249 + € 121). Het Hof heeft geen proceskostenvergoeding voor het hoger beroep toegekend. Het Hof heeft overwogen dat belanghebbende het geschilpunt over de vergoeding van de kosten van het taxatierapport ook al bij de Rechtbank had kunnen aanvoeren. Dat hij dit punt toen over het hoofd heeft gezien, is onvoldoende grond om de heffingsambtenaar ook in hoger beroep te veroordelen in de proceskosten, aldus het Hof.

2.3.

De middelen betogen onder meer dat ten onrechte geen kostenvergoeding is gegeven voor het instellen van hoger beroep omdat tussen partijen niet in geschil was dat belanghebbende recht had op een proceskostenvergoeding.

2.4.1

De middelen slagen. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift bij het Hof vermeld dat belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding voor het hoger beroep. In de gegrondverklaring van het hoger beroep had het Hof dan ook aanleiding behoren te zien daarvoor een proceskostenvergoeding toe te kennen.

2.4.2

De middelen voor het overige kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2.4.3

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van proceskosten voor de procedure bij het Hof.

3 Proceskosten

Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof doch uitsluitend voor zover het de beslissing inzake de proceskosten voor het hoger beroep betreft,

- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 126 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald,

- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

- veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam in de kosten van belanghebbende voor het geding bij het Hof, vastgesteld op € 512 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2019.