Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1185

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-07-2019
Datum publicatie
12-07-2019
Zaaknummer
18/05589
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2018:10264
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 6:15 Awb, doorzendplicht, kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-07-2019
V-N Vandaag 2019/1617
FutD 2019-1842 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2019/1679 met annotatie van Wendy Nent
NTFR 2019/1901 met annotatie van E.P. Hageman LLM
BNB 2019/137
FED 2019/142 met annotatie van E. POELMANN
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 18/05589

Datum 12 juli 2019

ARREST

In de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

het BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN & HOOGHEEMRAADSCHAP UTRECHT

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 november 2018, nr. 17/00884, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (UTR 17/836) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Utrecht. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het bestuur van de belastingsamenwerking van de gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de Belastingsamenwerking) heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Belastingsamenwerking heeft een conclusie van dupliek ingediend.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 29 mei 2019 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2019:701, met bijlage ECLI:NL:PHR:2019:702).

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2Beoordeling van de klachten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1

Aan belanghebbende is op 19 augustus 2016 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd door de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking (hierna: de heffingsambtenaar). Op het door belanghebbende ontvangen (duplicaat) aanslagbiljet is vermeld dat bezwaar schriftelijk kan worden ingediend. Het duplicaat vermeldt de naam en het postadres van de Belastingsamenwerking.

2.1.2

Belanghebbende heeft op 27 september 2016 door middel van het invullen van een reactieformulier op de website van de gemeente Utrecht bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Op 28 september 2016 heeft het klantcontactcentrum van de gemeente Utrecht belanghebbende bericht dat de heffing en invordering van gemeentebelastingen is overgegaan naar de Belastingsamenwerking en hem aangeraden daarmee contact op te nemen voor het bezwaarschrift.

2.1.3

Belanghebbende heeft op 19 oktober 2016 een bezwaarschrift gestuurd aan de Belastingsamenwerking en daarin verzocht om telefonisch te worden gehoord. Bij brief van 25 oktober 2016 heeft de heffingsambtenaar de ontvangst van het bezwaarschrift van 19 oktober 2016 bevestigd.

2.1.4

Bij uitspraak op bezwaar van 15 maart 2017 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn en het ontbreken van gronden.

2.2.1

In hoger beroep was onder andere in geschil of het bezwaar tijdig is ingediend en in het bijzonder of sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht als bedoeld in artikel 6:15, lid 3, Awb. Het Hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard.

2.2.2

Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat het duplicaat van de naheffingsaanslag een duidelijke en juiste rechtsmiddelverwijzing bevat en dat het de gemachtigde van belanghebbende als professionele rechtsbijstandverlener daarmee duidelijk was bij wie hij bezwaar moest maken. Naar het oordeel van het Hof wist de gemachtigde van belanghebbende dat hij het bezwaar niet indiende bij het juiste bestuursorgaan toen hij gebruik maakte van een webformulier van de gemeente Utrecht bedoeld voor “een algemene vraag, opmerking, compliment, wens of idee”. Onder deze omstandigheden is sprake van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht als bedoeld in artikel 6:15, lid 3, Awb, zodat als tijdstip van indiening van het bezwaarschrift geldt het tijdstip van ontvangst door het bevoegde bestuursorgaan. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard, aldus het Hof.

2.3

De klacht betoogt dat het oordeel van het Hof dat belanghebbende wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht geen beroep toekomt op de doorzendplicht van artikel 6:15, lid 3, Awb, onjuist en onbegrijpelijk is.

2.4.1

Met zijn hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het voor belanghebbende ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift duidelijk moest zijn dat het bezwaar werd ingediend bij een andere instantie dan het bestuursorgaan dat tot beslissing op het bezwaar bevoegd is, en dat belanghebbende geen aanvaardbare verklaring heeft gegeven voor het ongebruikt laten van het adres dat is vermeld in de rechtsmiddelverwijzing als bedoeld in artikel 3:45 Awb.

2.4.2

Het hierop berustende oordeel van het Hof dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht als bedoeld in artikel 6:15, lid 3, Awb geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is voorts niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet in verdergaande mate worden onderzocht. De tegen dit oordeel gerichte klacht faalt daarom.

2.5

De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2019.