Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1152

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-07-2019
Datum publicatie
09-07-2019
Zaaknummer
17/05470
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:553
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk tot gevolg heeft door als politieagent bij aanhouding een man bij zijn keel te pakken, en meerdere keren hard met een vuist in het gezicht te stompen. 1. Klachten dat letsel (gebroken neus en afgebroken tand) niet het gevolg is van bewezenverklaarde gedragingen en dat letsel niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. 2. Verwerping beroep op art. 42 Sr (“niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een wettelijk voorschrift”). HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/881
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/05470

Datum 9 juli 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 7 november 2017, nummer 21/000865-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2019.