Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1141

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-07-2019
Datum publicatie
10-07-2019
Zaaknummer
16/03096
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:747
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Het houden van een groter aantal varkens dan het op het bedrijf rustende varkensrecht, art. 19 (oud) Meststoffenwet, jo. art. 51 Sr. Bewijsklacht: werden de naar een ‘ander’ bedrijf overgebrachte biggen nog gehouden door het ‘bedrijf’ van de verdachte rechtspersoon? HR: art. 81.1 RO. CAG: art. 80a RO. Samenhang tussen 16/03096 E en 16/03103 E P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/872
JM 2019/138 met annotatie van Pieters, S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 16/03096

Datum 9 juli 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, Economische Kamer, van 1 juni 2016, nummer 20/003526-13, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde beroep in cassatie.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 13.500,-, waarvan € 7.500,- voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. In de omstandigheid dat de Hoge Raad eerst uitspraak kan doen nadat meer dan 36 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, vindt de Hoge Raad aanleiding de opgelegde geldboete te verminderen met € 700,-.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete;

- vermindert de geldboete in die zin dat deze € 12.800,- bedraagt, waarvan € 7.500,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2019.