Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:114

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
17/02770
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1303
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Medeplegen opzettelijk ten vervoer aanbieden van gevaarlijke stof (kwik) met luchtvaartuig zonder verleende erkenning (art. 6.55.1 Wet luchtvaart) en medeplegen opzettelijk met luchtvaartuig ten vervoer aanbieden van 5 verfblikken met gevaarlijke stof (kwik) (art. 6.51.1 Wet luchtvaart) door op naam van andere persoon bij koeriersbedrijf doos met verfblikken ter verzending naar zus in Suriname aan te bieden en daartoe kwik in verfblikken te doen. Wordt uitleg bestanddeel “gevaarlijke stoffen” uitsluitend bepaald door Wet luchtvaart of ook door Verordening (EG) 1102/2008? Middel berust - in navolging van gevoerd verweer - op opvatting dat art. 1.1 Verordening (EG) 1102/2008 bij uitleg van begrip "gevaarlijke stoffen" in art. 6.51.1 en 6.55.1 Wet luchtvaart (een bepalende) betekenis heeft. Die opvatting vindt, gelet op wetsgeschiedenis van Wet luchtvaart en preambule van Verordening, geen steun in het recht. HR neemt daarbij in aanmerking dat Wet luchtvaart strekt tot bescherming van veiligheid van luchtvaart en Verordening beoogt risico op blootstelling aan kwik in het algemeen te beperken d.m.v. uitvoerverbod en opslagverplichting. ’s Hofs oordeel dat aan in tll. voorkomende woorden "gevaarlijke stoffen" een betekenis mag worden verleend die onafhankelijk is van het bepaalde in Verordening, geeft derhalve niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/225
NBSTRAF 2019/72
SR-Updates.nl 2019-0153
JM 2019/56 met annotatie van Pieters, S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 januari 2019

Strafkamer

nr. S 17/02770 E

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, Economische Kamer, van 30 mei 2017, nummer 23/002767-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1954.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat aan de in de tenlastelegging voorkomende woorden 'gevaarlijke stoffen' een betekenis mag worden verleend die onafhankelijk is van het bepaalde in de Verordening (EG) 1102/2008 inzake het verbod op de uitvoer van metallisch kwik en andere kwikverbindingen en -mengsels en de veilige opslag van metallisch kwik (PbEU L 304/75) (hierna ook: de Verordening).

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging bewezenverklaard dat:

"feit 1

hij op 19 oktober 2012 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een gevaarlijke stof zoals aangewezen in artikel 2 Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht, te weten kwik (UN nr. 2809, Mercury) welke stof tevens genoemd is in de gevaarlijke stoffenlijst (tabel 3-1) van de ICAO-TI 2011/2012, ten vervoer heeft aangeboden met een luchtvaartuig, zonder een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verleende erkenning;

feit 2

hij op 19 oktober 2012 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk vijf verfblikken gevuld met een gevaarlijke stof zoals aangewezen in artikel 2 Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht, te weten kwik (UN nr. 2809, Mercury) welke stof tevens genoemd is in de gevaarlijke stoffenlijst (tabel 3-1) van de ICAO-TI 2011/2012, met een luchtvaartuig ten vervoer heeft aangeboden."

2.2.2.

Het Hof heeft, door het vonnis van de Rechtbank te bevestigen, ten aanzien van de bewijsvoering, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

"3.4. Bewijsoverweging

Door de raadsman van verdachte is, kort weergegeven en zoals geformuleerd in zijn pleitnotitie, bepleit dat vrijspraak dient te volgen voor het bestanddeel 'gevaarlijke stof(fen)'. De raadsman wijst daarbij op Verordening (EG) nr. 1102/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het verbod op de uitvoer van metallisch kwik en andere kwikverbindingen en -mengsels en de veilige opslag van metallisch kwik (hierna: EG-verordening). Artikel 1 lid 1 van de EG-verordening verbiedt onder meer de uitvoer uit de Gemeenschap van mengsels van metallisch kwik met andere substanties met een kwikconcentratie van ten minste 95%. Deze EG-verordening is ex artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de EU verbindend en rechtstreeks van toepassing. De verwezenlijking van de doelstellingen van de EG-verordening wordt uitdrukkelijk in handen van de Gemeenschap geplaatst, en bovendien wordt duidelijk gesteld dat het handhaven van 'oude' wetgeving na 15 maart 2011 alsmede verdergaande wetgeving niet is toegestaan. Derhalve moet het 'Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht' zo gelezen worden dat zij in overeenstemming is met de EG-verordening, wat betekent dat het verbod op de uitvoer van metallisch kwik uit de Gemeenschap geldt voor mengsels van metallisch kwik met een concentratie van ten minste 95%. Gezien de onderzoeksbevindingen van het NFI voldoet het door verdachte aangeboden mengsel hier niet aan en dient vrijspraak te volgen, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat het 'Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht' een uitwerking is van artikel 6.53 van de Wet luchtvaart. Het besluit betreft hernieuwde implementatie van internationale regelgeving, te weten Annex 18 behorende bij het 'Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaartorganisatie' (het Verdrag van Chicago, Trb. 1973, 109), waarin globale regels worden gegeven voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht. Artikel 2 van het besluit bepaalt dat vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht slechts mag plaatsvinden voor zover toegestaan ingevolge Annex 18 en de uitwerking van de daarin opgenomen globale regels in de Technische voorschriften voor het veilige vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht (ICAO-TI). Het belang dat deze regelgeving beschermt is de veiligheid van de luchtvaart, nu het niet in acht nemen van voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht zeer ernstige gevolgen kan hebben (Wijziging van de Wet luchtvaart [vervoer gevaarlijke stoffen en van dieren], Kamerstuk 26 902 nr. 3, Memorie van Toelichting).

De rechtbank overweegt verder dat de doelstelling van de voornoemde EG-verordening blijkens de preambule onder nr. 22 is de blootstelling aan kwik door middel van een uitvoerverbod en een opslagverplichting te verlagen. Onder nr. 5 van deze preambule wordt voorts overwogen dat een verbod op de uitvoer van onder meer metallisch kwik met een kwikconcentratie van ten minste 95 gewichtsprocent beoogt het wereldwijde aanbod van metallisch kwik aanzienlijk te verlagen.

De rechtbank komt gezien het voorstaande tot de conclusie dat de EG-verordening andere belangen beschermt dan het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht. Derhalve kan niet gezegd worden dat voornoemd besluit een verdergaande uitwerking is van de EG-verordening en daarom onverbindend moet worden verklaard wegens strijd met hogere regelgeving. Ook kan niet gezegd worden dat het voornoemde besluit in overeenstemming moet worden gelezen met de EG-verordening. De bepalingen van het besluit ten aanzien van hetgeen onder het begrip 'gevaarlijke stoffen' moet worden geschaard, zijn gericht op het beveiligen van de burgerluchtvaart en niet op de bescherming van het leefmilieu. Wegens dit verschil in strekking kan het besluit dan ook niet worden gezien als vallend binnen de reikwijdte van de EG-verordening. Eventuele strijdigheid daarmee, als gevolg waarvan aan de EG-verordening voorrang zou moeten worden verleend, is daarom niet aan de orde. Eveneens bestaat niet de verplichting het besluit te interpreteren in het licht van de EG-verordening, op grond waarvan slechts kwik met een gewichtspercentage van meer dan 95% als bijtende stof aangemerkt zou mogen worden. Aan de in de tenlastelegging voorkomende woorden 'gevaarlijke stof(fen)' mag daarom een betekenis worden verleend onafhankelijk van het bepaalde in de EG-verordening. Gezien het hiervoor overwogene verwerpt de rechtbank de verweren van de raadsman."

2.3.1.

Het in deze zaak aan de orde zijnde juridisch kader is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6 tot en met 12. Voor de beoordeling van het middel zijn in het bijzonder de volgende bepalingen van belang:

- art. 6.51, eerste lid, Wet luchtvaart:

"Het is verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevaarlijke stoffen met een luchtvaartuig te vervoeren, ten vervoer aan te bieden of aan te nemen, alsmede te laden in of te lossen uit een luchtvaartuig, of tijdens het vervoer neer te leggen."

- art. 6.55, eerste lid, Wet luchtvaart:

"Het is verboden gevaarlijke stoffen ten vervoer aan te bieden, te vervoeren, te doen of laten vervoeren met luchtvaartuigen, zonder een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu verleende erkenning."

- art. 1, eerste lid, Verordening (EG) 1102/2008:

"De uitvoer van metallisch kwik (Hg, CAS RN 7439-97-6), cinnabererts, kwik (I) chloride (Hg2Cl2, CAS RN 10112-91-1), kwik (II) oxide (HgO, CAS RN 21908-53-2) en mengsels van metallisch kwik met andere substanties, met inbegrip van kwiklegeringen, met een kwikconcentratie van ten minste 95 gewichtsprocent uit de Gemeenschap wordt met ingang van 15 maart 2011 verboden."

2.3.2.

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 12 oktober 2000, houdende wijziging van de Wet luchtvaart (vervoer van gevaarlijke stoffen en van dieren), Stb. 2000, 468, houdt onder meer het volgende in:

"I Algemeen deel

Inleiding

In het raamwerk van de herziening van de luchtvaartwetgeving (zie Kamerstukken II 1995/96, 24 513, nrs 1-3) is het nu voorliggende wetsvoorstel het derde op rij. Dit voorstel geeft invulling aan titel 6.5 en titel 6.6 van hoofdstuk 6 van de nieuwe wet. In dit hoofdstuk zullen alle bepalingen met betrekking tot het vervoer en de vervoerde personen en goederen bijeen worden gebracht. Het gaat daarbij om de diverse vormen van vervoer en de daarbij behorende vergunning of toestemming, alsmede de door de luchtvaartmaatschappijen te berekenen tarieven.

(...)
In de voorliggende voorgestelde titels 6.5 en 6.6 worden de regels met betrekking tot die categorieën van vervoer, die bijzondere regels vergen gehercodificeerd. Het gaat daarbij om het vervoer van gevaarlijke stoffen en het vervoer van dieren.

Verder zullen de overtredingen van de bepalingen van dit hoofdstuk als economisch delict worden aangemerkt, dit in afwijking tot nu toe van de overige hoofdstukken van deze wet maar in overeenstemming met gelijksoortige bepalingen in andere wetgeving. Het gaat hierbij om overtredingen, welke direct de economische mededinging raken en de overtreder ten onrechte in een gunstige concurrentiepositie plaatsen ten opzichte van degene, die zich aan de regelgeving houdt.

(...)

§ 1 Vervoer van gevaarlijke stoffen

(...)

Vanuit een oogpunt van toegankelijke regelgeving is in bijgaand wetsvoorstel een duidelijke wettelijke basis neergelegd voor regelgeving op het gebied van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij is, voor zover de eigen aard van de luchtvaart dat toelaat, aangesloten bij de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS). Hiermee wordt bereikt, dat zowel op het luchtvaartgedeelte als op het aansluitende inlandtransportgedeelte zoveel mogelijk dezelfde soort regelgeving van toepassing is.

(...)

Voorts is wat de wetgevingssystematiek betreft in dit voorstel van wet bepaald dat gevaarlijke stoffen in beginsel niet mogen worden vervoerd, met uitzondering van een aantal stoffen mits daarbij aan nader te stellen regels wordt voldaan (art. 6.51). Deze systematiek sluit in materiële zin aan bij die van de WVGS. De beperking van de reikwijdte van titel 6.5, Vervoer van gevaarlijke stoffen, sluit geheel aan bij de WVGS.

Naast de regeling van het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht wordt in titel 6.5 ook een regeling voorgesteld met betrekking tot de erkenning van natuurlijke personen en rechtspersonen, die zich bezig houden met het vervoer van gevaarlijke stoffen, met inbegrip van radioactieve stoffen. Het is verboden de desbetreffende handelingen - het gaat om (doen of laten) vervoeren en ten vervoer aanbieden - te verrichten als de betrokkene daartoe niet erkend is.

(...)

Zoals in de Inleiding reeds is opgemerkt, wordt op grond van de daar aangegeven reden voorgesteld overtreding van de regels met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht aan te merken als economisch delict. Een tweede reden hiervoor is de aansluiting bij de WVGS, die ook onder de werking van de Wet economische delicten is gebracht. Daarmee wordt bereikt, dat voor het gehele vervoerstraject hetzelfde strafrechtelijke regime zal gelden.

(...)

§ 4 Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Het bereiken van het doel dat met deze regelgeving wordt beoogd, wordt in sterke mate beïnvloed door het toezicht op de naleving daarvan. Omdat het niet in acht nemen van de voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht zeer ernstige gevolgen kan hebben, is een intensief en effectief toezicht op de naleving van de voorschriften en opsporing van overtredingen van het grootste belang." (Kamerstukken II 1999/2000, 26 902, nr. 3, p. 1-4)

2.3.3.

De overwegingen 1, 3, 5 en 22 van de preambule van de Verordening (EG) 1102/2008 luiden als volgt:

"(1) Het vrijkomen van kwik wordt erkend als een mondiale bedreiging die maatregelen op plaatselijk, regionaal, nationaal en mondiaal niveau noodzakelijk maakt.

(...)

(3) Op communautair niveau genomen maatregelen moeten worden beschouwd als onderdeel van een wereldwijd streven om het risico op blootstelling aan kwik te beperken, met name in het kader van het programma voor kwik van het UNEP (United Nations Environment Programme).

(...)

(5) De uitvoer van metallisch kwik, cinnabererts, kwik (I) chloride, kwik (II) oxide en mengsels van metallisch kwik met andere substanties, met inbegrip van kwiklegeringen met een kwikconcentratie van ten minste 95 gewichtsprocent, uit de Gemeenschap dient te worden verboden teneinde het wereldwijde aanbod van kwik aanzienlijk te verlagen.

(...)

(22) Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk de blootstelling aan kwik door middel van een uitvoerverbod en een opslagverplichting verlagen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, gelet op de effecten op het verkeer van goederen en het functioneren van de interne markt alsmede de grensoverschrijdende aard van kwikverontreiniging, beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken."

2.4.

Het middel berust - in navolging van het gevoerde verweer - op de opvatting dat art. 1, eerste lid, Verordening (EG) 1102/2008 bij de uitleg van het begrip 'gevaarlijke stoffen' in art. 6.51, eerste lid, en 6.55, eerste lid, Wet luchtvaart (een bepalende) betekenis heeft. Die opvatting vindt, gelet op de hiervoor aangehaalde geschiedenis van de totstandkoming van de Wet luchtvaart en de hiervoor weergegeven overwegingen van de preambule van de Verordening, geen steun in het recht. De Hoge Raad neemt daarbij in aanmerking dat de Wet luchtvaart strekt tot bescherming van de veiligheid van de luchtvaart en dat de Verordening beoogt het risico op blootstelling aan kwik in het algemeen te beperken door middel van een uitvoerverbod en een opslagverplichting. Het oordeel van het Hof dat aan de in de tenlastelegging voorkomende woorden 'gevaarlijke stoffen' een betekenis mag worden verleend die onafhankelijk is van het bepaalde in de Verordening, geeft derhalve niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

2.5.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2019.