Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1137

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-07-2019
Datum publicatie
09-07-2019
Zaaknummer
17/01682
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:751
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Witwassen van geldbedragen door contante stortingen op verschillende bankrekeningen te doen, art. 420bis.1.b Sr. Voldoende concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor legale herkomst van geldbedragen. HR herhaalt in ECLI:NL:HR:2018:2352 gegeven samenvatting van zijn eerdere rechtspraak over bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf”. 1. ’Is Hof door vaststelling dat “er (...) vanaf 2008 kennelijk geen vermogen was” voorbijgegaan aan hetgeen verdachte onder overlegging van bescheiden heeft gesteld omtrent gelden die legaal zijn verkregen voorafgaand aan bewezenverklaarde periode en die nadien zijn aangewend voor stortingen op bankrekeningen? 2. Is Hof zonder nadere motivering voorbijgegaan aan hetgeen namens verdachte is aangevoerd - ter verklaring van herkomst van geldbedragen - omtrent (a) doen van stortingen op bankrekeningen van contante gelden en (b) stortingen van contante gelden die daaraan voorafgaand waren onttrokken aan ondernemingen van verdachte en/of zijn echtgenote?

Ad 1. In ’s Hofs vaststellingen ligt als ’s Hofs oordeel besloten dat met enkel aanwijzen van legale verkrijging van gelden door verdachte in tijdvak (ruim) voor aanvang van bewezenverklaarde periode niet concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is gegeven dat in bewezenverklaring bedoelde geldbedragen die tijdens bewezenverklaarde periode contant zijn gestort niet van misdrijf afkomstig zijn en dat ook anderszins niet aanwezigheid van (legaal) vermogen bij aanvang van bewezenverklaarde periode is gebleken waaruit deze contante stortingen (kunnen) worden verklaard. Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat enerzijds administratie of documentatie ontbreekt terwijl verdachte geen nadere onderbouwing of toelichting heeft gegeven m.b.t. contante geldstromen leidend tot contante stortingen op in bewezenverklaring vermelde bankrekeningen en dat anderzijds uit resultaten van onderzoek naar fiscale aangiftes door verdachte en zijn echtgenote over bewezenverklaarde periode naar voren komt dat verdachte daarin telkens geen vermogen heeft opgegeven en dat ook overigens niets is verantwoord m.b.t. “kennelijk tussen de fiscale peildata opduikende en weer verdwijnende contante vermogens”, zodat aangenomen moet worden dat er vanaf 2008 geen (legaal) vermogen was waaruit contante stortingen kunnen worden verklaard. Gelet hierop is ’s Hofs oordeel niet onbegrijpelijk.

Ad 2. Redenen die ertoe hebben geleid dat Hof is afgeweken van hetgeen omtrent deze stortingen is aangevoerd, liggen besloten in ’s Hofs overwegingen over niet inzichtelijk geworden verloop van contante geldstromen voorafgaand en ook tijdens bewezenverklaarde periode, op grond waarvan Hof heeft geoordeeld dat verdachte niet concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat in bewezenverklaring bedoelde geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn.

Volgt verwerping. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/860
NJB 2019/1755
NBSTRAF 2019/252
NJ 2019/350 met annotatie van J.M. Reijntjes
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/01682

Datum 9 juli 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 25 november 2016, nummer 22/003696-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1

Het middel klaagt onder meer dat de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat de verdachte geldbedragen voorhanden heeft gehad en heeft omgezet die “afkomstig waren uit misdrijf”, ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:

“hij omstreeks de periode van 01 januari 2008 tot en met 18 juni 2014, te 's-Gravenhage zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, voorwerpen, te weten geldbedragen te weten:

- contante stortingen op de ABN AMRO [rekeningnummer 1] en

- contante stortingen op de ING bank [rekeningnummer 2] en

- contante stortingen op de ING bank [rekeningnummer 3] ,

voorhanden gehad en omgezet, terwijl hij wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijf.”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“10. Een proces-verbaal van bevindingen ten behoeve van de straf- en/of ontnemingszaak betreffende het onderzoek naar witwassen d.d. 27 augustus 2014 van de politie Eenheid Den Haag met nr. 2012 263157. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (ZD/WITWASSEN/AH/1-21) :

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

ten behoeve van het strafrechtelijk (financieel) onderzoek en het opmaken van dit proces-verbaal is gebruik gemaakt van de volgende gegevens:

- Belastingdienst

Op 25 maart 2013 werden door de belastingdienst de gevorderde gegevens over de periode
1 januari 2008 - 1 januari 2013 verstrekt;

- Uitkeringsinstellingen

Op 31 januari 2013 werden door UWV de gevorderde gegevens over de periode 1 januari 2008 tot en met 31 januari 2013 verstrekt.

- Financiële instellingen

Op verschillende data werden door ABN Amro NV en de ING Bank NV de gevorderde gegevens over de periode 1 januari 2008 tot en met 1 januari 2013 verstrekt, bestaande uit

• Rekeningafschriften van [rekeningnummer 1]

• Rekeningafschriften van [rekeningnummer 2] .

Uit de opgevraagde informatie bij de Belastingdienst blijkt dat de verdachte [verdachte] over de jaren 2008 tot en met 2010 aangifte heeft gedaan voor de inkomstenbelasting. Uit de aangiften blijkt dat verdachte zowel in box 1, box 2 als box 3 een belastbaar inkomen heeft van
€ 0,-. Voor het indienen van de aangifte Inkomstenbelasting 2011 is uitstel gevraagd. Derhalve zijn voor verdachte [verdachte] geen legale inkomsten bronnen bekend. Bij navraag blijkt dat verdachte [verdachte] over de afgelopen 5 jaar geen uitkering heeft genoten.

[medeverdachte] (Hof: de echtgenote van de verdachte) is blijkens de aangiften Inkomstenbelasting betrokken bij de volgende ondernemingen:

- Vennootschap onder Firma [E]

- Eenmanszaak [F]

- [H] B.V.

Gedurende de onderzoeksperiode van 1 januari 2008 tot en met 18 juni 2014 is sprake van legale contante ontvangsten uit diverse ondernemingen van [medeverdachte] van
€ 16.001,03. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met een legale contante ontvangst van € 997,00 aan contant opgenomen bedragen bij GWK Travelex via prepaid creditcardkaarten.

Het totaal bedrag aan legale contante privé-inkomsten bedraagt: € 16.998,03.

Uit onderzoek blijkt dat de verdachte [medeverdachte] beschikt over een ING-bank betaalrekening met het [rekeningnummer 3] Deze bankrekening wordt onder andere gebruikt voor het betalen van de volgende uitgaven:

- huur gezamenlijke woning aan de [a-straat 1] te Den Haag

- Eneco Energie

- Aegon levensverzekeringspolis

- CJIB

11. De eigen verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 10 november 2016, - zakelijk weergegeven - :

De stortingen op de in de dagvaarding genoemde rekeningen hebben plaatsgevonden in een periode van enkele jaren. Als we op onze bankrekeningen tekort kwamen om rekeningen te betalen, dan stortte ik weer wat geld.

12. Een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot contante opnamen en stortingen op bankrekening [rekeningnummer 1] d.d. 14 augustus 2014 van de politie Eenheid Den Haag met nr. 2012 263157. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (ZD/WITWASSEN/AH/512-514):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

uit onderzoek is gebleken dat de [verdachte] gebruik maakt van een bankrekening met [rekeningnummer 1] .

In de periode van 1 januari 2008 tot en met 18 juni 2014 blijkt dat er voor een totaalbedrag van
€ 130.025.-, aan diverse contante geldstortingen hebben plaatsgevonden.

Het gaat per jaar om de volgende bedragen in € :

Jaar Contante stortingen

2008 30.850,00

2009 41.300,00

2010 41.125,00

2011 14.550,00

2012 1.900,00

2013 300,00

2014 0, 00

Totalen in € 130.025,00

13. Een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot contante opnamen en stortingen op bankrekening [rekeningnummer 2] d.d. 13 augustus 2014 van de politie Eenheid Den Haag met nr. 2012 263157. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (ZD/WITWASSEN/AH/940-943):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

uit onderzoek is gebleken dat de [verdachte] gebruik maakt van een bankrekening van de ING bank met [rekeningnummer 2] .

In de periode van 1 januari 2008 tot en met 18 juni 2014 blijkt dat er voor een totaalbedrag van
€ 43.060,-, aan diverse contante geldstortingen hebben plaatsgevonden.

Het gaat per jaar om de volgende bedragen in € :

Jaar Contante stortingen

2008 3.610,00

2009 14.820,00

2010 8.140,00

2011 2.100,00

2012 12.510,00

2013 1.880,00

2014 0,00

Totalen in € 43.060,00

14. Een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot contante opnamen en stortingen op bankrekening [rekeningnummer 3] d.d. 13 augustus 2014 van de politie Eenheid Den Haag met nr. 2012 263157. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (ZD/WITWASSEN/AH/1100-1102):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

uit onderzoek is gebleken dat de [verdachte] gebruik maakt van een bankrekening van de ING bank met [rekeningnummer 3] .

In de periode van 1 januari 2008 tot en met 18 juni 2014 blijkt dat er voor een totaalbedrag van
€ 141.606,53, aan diverse contante geldstortingen hebben plaatsgevonden.

Het gaat per jaar om de volgende bedragen in € :

Jaar Contante stortingen

2008 2.965,00

2009 2.500,00

2010 14.515,00

2011 20.752,00

2012 54.785,00

2013 33.425,00

2014 12.664,53

Totalen in € 141.606,53.”

2.2.3

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

“Aan de verdachte is onder feit 4 ten laste gelegd - onder meer - dat hij, al dan niet tezamen en in vereniging, in de periode vanaf 1 januari 2008 tot en met 18 juni 2014 aanzienlijke bedragen heeft witgewassen.

Op drie bankrekeningen, waarover de verdachte kon beschikken, zijn in deze periode bedragen gestort van in totaal meer dan € 300.000,-. (...)

Met de rechtbank stelt het hof vast dat de ten laste gelegde periode slechts voor een klein deel samenvalt met de pleegperiodes van de andere feiten waarvoor de [verdachte] wordt vervolgd (te weten de maanden januari en februari 2014). Er valt geen rechtstreeks verband te leggen tussen de in de tenlastelegging opgenomen gestorte bedragen en bepaalde door de verdachte begane misdrijven. (...)

Indien een dergelijke situatie zich voordoet, kan witwassen desalniettemin bewezen worden verklaard, wanneer komt vast te staan dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Om daartoe te kunnen concluderen dient allereerst het openbaar ministerie een ernstig vermoeden van witwassen aan te tonen (stap i). Indien dit ernstig vermoeden wordt aangetoond, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld (stap ii). Die herkomst moet vervolgens concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk zijn aan te merken (stap iii). Als de verdachte een zodanige verklaring geeft moet het openbaar ministerie daarnaar vervolgens onderzoek doen (stap iv). Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden (...).

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, overeenkomstig zijn pleitaantekeningen, betoogd dat aan stap i niet is voldaan voor wat betreft de - in hoger beroep niet meer aan de orde zijnde - contante opname en vervolgens op latere momenten contante stortingen van bedragen voortvloeiend uit een bijschrijving van € 42.848,90 van 'De Goudse' op [rekeningnummer 2] (het Hof begrijpt: [rekeningnummer 2] ) d.d. 9 juli 2008.

Op deze rekening zou bovendien van een 'constante, legale inkomstenstroom' blijken (kinderbijslag, kindertoeslag en andere betalingen van de Belastingdienst) en daarom zou ten aanzien van de contante stortingen op de ING bank [rekeningnummer 2] aan stap (i) niet zijn voldaan en derhalve zou een vrijspraak moeten volgen.

Voor het overige meent de raadsman dat de inhoud van het witwasdossier zodanig is, dat het openbaar ministerie inzichtelijk heeft gemaakt dat er kennelijk forse contante geldstromen over de bankrekeningen lopen en dat daarmee aan stap (i) is voldaan.

(...)

Oordeel van het hof met betrekking tot de contante stortingen

Het hof zal om een aantal hierna te noemen redenen niet komen tot een bewezenverklaring van de concreet genoemde geldbedragen en zal het verweer met betrekking tot de contante stortingen op de ING bank [rekeningnummer 2] op dit punt derhalve niet bespreken.

Voor wat betreft de in de tenlastelegging genoemde stortingen op de bankrekeningen geldt naar het oordeel van het hof dat er sprake was van een ernstig vermoeden van witwassen. Een aantal hier genoemde witwastypologieën is van toepassing.

Het is een feit van algemene bekendheid dat de handel in verdovende middelen winsten in contant geld genereert en dat in het drugscircuit, en ook in de wietteelt en wiethandel grote bedragen omgaan. Uit het onderzoek 'Basiel' (dat werd gestart naar aanleiding van belastende informatie over de verdachte, binnengekomen bij de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid Haaglanden) is gebleken dat de verdachte veel contacten onderhield met personen met criminele (Opiumwet)antecedenten op een wijze die past bij drugshandel (hij communiceerde via meerdere en/of frequent wisselende mobiele (prepaid) telefoonaansluitingen al dan niet met gebruikmaking van een encryptie en had een voorkeur voor persoonlijke ontmoetingen in openbare horeca-gelegenheden) en dat hij eerder voor dergelijke feiten is veroordeeld.

Van belang is verder dat de hoogte van de op de bankrekeningen gestorte bedragen, genoemd in de tenlastelegging, niet in verhouding staat tot de bij het hof bekende inkomsten van de verdachten. Er is immers alles bij elkaar meer dan € 300.000,- gestort.

De verdachte en diens echtgenote, hebben - voor zover bekend uit de fiscale aangiften - in die jaren wel enige inkomsten genoten maar die kunnen de gestorte bedragen niet verklaren.

Aan stap (i) is daarom voldaan.

Vervolgens is het (stap ii) aan de verdachte, om een verklaring te geven over de herkomst van het in de ten laste gelegde periode contant gestorte geld. In grote lijnen komen de gegeven verklaringen van de verdachte erop neer, dat vóór januari 2008 grote sommen geld zijn verworven uit de verkoop van twee panden, pokerwinst, inkomsten uit een snackbar en wat dies meer zij. Dat geld is thuis contant bewaard en ook wel bij vrienden gestald. Af en toe zou geld op bankrekeningen zijn gestort met het oog op betalingen die nu eenmaal niet anders dan giraal konden worden gedaan. In de tenlastegelegde periode zou € 7.500,- zijn verworven (en vervolgens contant gestort) vanwege de verkoop van beeldjes en goud en waren er pachtinkomsten (vanaf 26 augustus 2013 maandelijks een bedrag van € 3.872,-).

Het hof zal eerst de hoofdstelling van de verdachte bespreken, namelijk dat er aanzienlijke sommen geld contant werden bewaard en dat daaruit stortingen werden gedaan. Wat dit betreft blijft het bij een bewering van de verdachte. Hij kan over de periode van 2008 tot half 2014 geen enkel schriftelijk stuk laten zien waaruit blijkt dat werd geadministreerd wat het verloop was van de contante geldstromen waarvan hier sprake is. Op schrift beschikt het hof slechts over de inkomstenbelastingaangiften over 2008 tot en met 2012 gedaan door de verdachten.

Daaruit blijkt dat de verdachte in genoemde periode noch inkomsten, noch inkomen uit vermogen noch inkomen uit dividenden heeft opgegeven. Zijn echtgenote had blijkens die aangiften een relatief laag inkomen waaruit de contante stortingen waarvan hier sprake is, onmogelijk kunnen worden verklaard.

Over de jaren 2013 en 2014 zijn geen relevante gegevens bekend over het verzamelinkomen voor de Inkomstenbelasting, evenmin is uit de administratie/jaarrekeningen van de ondernemingen die aan verdachtes echtgenoot kunnen worden gelieerd, gebleken van salaris en/of dividendinkomsten.

Ondanks eerdere toezeggingen van de kant van verdachte dat hij een 'compleet historisch overzicht met gegevens' zou verstrekken op een USB-stickje (politieverhoor van de verdachte d.d. 27 juni 2014) dan wel dat een en ander allemaal was na te gaan bij zijn boekhouder en dat hij 'alles' in zijn kasboek had genoteerd (proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 25 juni 2015, p. 3) is door of namens de verdachte een dergelijk totaal overzicht niet verstrekt. Afgaande op de enige tot nu toe wel geproduceerde stukken afkomstig van de verdachte en diens echtgenote die zien op de ten laste gelegde periode (te weten de hierboven genoemde aangiften) moet het er voor worden gehouden dat er - wat er zij van contante 'potjes', kluisgeld of geld gestald bij vrienden in de jaren vóór 2008 - vanaf 2008 kennelijk geen vermogen was, althans niet op de peildata van de aangiften; dat de herkomst van de bedragen die contant zijn gestort in geen enkele het hof bekende administratie voorkomen, dat niets is verantwoord van de kennelijk tussen de fiscale peildata opduikende en weer verdwijnende contante vermogens waaruit contant bedragen op de in de tenlastelegging genoemde rekeningen werden gestort en dat de verdachte ook niets concreets heeft verklaard over de herkomst van die - kennelijke - vermogensaanwas waaruit die contante stortingen werden gedaan. De verdachte heeft met andere woorden op geen enkele wijze concreet en min of meer verifieerbaar gemaakt wat de herkomst was van de contant gestorte bedragen.

Bij deze stand van zaken komt het hof tot de conclusie, dat stap iii door de verdachte niet succesvol is genomen en dat stap iv daarom niet meer aan de orde is.

Gelet op alle voornoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat er in redelijkheid geen andere conclusie mogelijk is dan dat de in de tenlastelegging bedoelde en bewezen geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte daarvan op de hoogte was. Het hof stelt derhalve vast dat geldbedragen zijn witgewassen op genoemde rekeningen. De precieze hoogte van de stortingen per rekening blijft in het midden, en dat hangt samen met hetgeen door de verdachte is gesteld over de contante opbrengsten in de ten laste gelegde periode uit de verkoop van Swarovskibeeldjes, sloopgoud en uit cash ontvangen pachtinkomsten. Dat zou een (relatief gering) deel van de stortingen verklaren.

Nu de advocaat-generaal in zijn repliek heeft laten weten dat hij aanneemt dat er sprake was van een contante opbrengst uit de verkoop van de beeldjes en het goud, en het hof daarbij in het voordeel van de verdachten aanneemt dat er vanaf augustus 2013 cash ontvangen pachtinkomsten zijn gestort, en het hof overigens niet kan vaststellen op welke rekeningen die contante bedragen zijn gestort, zal het hof bewezen verklaren het witwassen van de contante gestorte geldbedragen op de drie nader aangeduide rekeningen, met weglating van de hoogte van die bedragen.”

2.2.4

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de bij het proces-verbaal gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover in cassatie van belang, in:

“Cliënt vindt het lastig om in een situatie te worden gebracht waarin hij moet bewijzen dat de herkomst van zijn gelden legaal is, terwijl het openbaar ministerie in zijn ogen 'volstaat' met een optelsom van stortingen. En daar komt dan nog bij dat cliënt geconfronteerd wordt met (a) een langdurige periode (bijna zes en een half jaar), die (b) ook nog eens een behoorlijke poos geleden is.

En zeker van dat laatste vind ik dat cliënt daar een punt heeft. Want het bleek, om door cliënt gisteren ter zitting al benoemde omstandigheden, behoorlijk ingewikkeld en soms zelfs feitelijk onmogelijk voor cliënt om stukken waarmee hij zijn gelijk kon aantonen terug te vinden en/of (laten) reproduceren. In dat kader wijs ik bijvoorbeeld op de email-berichten die ik als bijlage 1b aan deze pleitnotitie hecht.

Uit het email-bericht van cliënt aan [naam] van ABN-AMRO d.d. 3 november 2015 en de reactie d.d. 4. november 2015 van [naam] van ABN-AMRO aan cliënt blijkt dat het niet meer mogelijk was om bankafschriften van voor 26 april 2001 te reproduceren.

Daardoor kan cliënt niet aan de hand van bankafschriften onderbouwen dat het door hem te ontvangen bedrag na de verkoop van [b-straat 1] te 's-Gravenhage (bijlage 1a) door hem is ontvangen en daarna weer opgenomen.

(...)

De Hoge Raad duidt in het Air Holland arrest hoe de rechter of het OM in een witwaszaak toch tot een bewezenverklaring zou kunnen concluderen, indien er géén rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald gronddelict.

(...)

Dat moet gaan in 4 stappen:

Stap 1. Het OM moet een 'ernstig vermoeden' van witwassen aantonen;

Stap 2. Als dat is gelukt mag vervolgens van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld;

Stap 3. Die herkomst moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk zijn aan te merken; (n.b. de verdachte hoeft het niet te bewijzen)

Stap 4. Het OM moet die herkomst vervolgens onderzoeken.

(...)

Stap 1. Het OM moet een 'ernstig vermoeden' van witwassen aantonen;

Het OM heeft een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld naar cliënten en heeft er daarbij voor gekozen om zo ver terug te gaan als ze konden: 1 januari 2008.

Uit dat onderzoek blijkt dat er gedurende de onderzoeksjaren veel contante stortingen op de bankrekeningen van cliënten worden gedaan.

Het dossier bevat overzichten met totaalbedragen en daaruit blijken behoorlijke saldi.

[rekeningnummer 2]

Eén bankrekening valt uit de toon, dat is de rekening die als tweede staat genoemd op de tenlastelegging: de [rekeningnummer 2] .

Die rekening valt uit de toon omdat daarop het opgenomen bedrag (behoorlijk veel) hoger is dan het gestorte bedrag (43.060 - 81.650).

Wat bij deze bankrekening in het bijzonder opvalt, is een bijschrijving op 9 juli 2008 van € 42.848,90 van 'De Goudse' (...).


Wat daarnaast opvalt is dat dat bedrag op dezelfde dag dat het wordt bijgeschreven, bijna volledig wordt opgenomen - daar kom ik later nog op terug).

Het betreft hier dus een giraal bijgeschreven bedrag, met een duidelijke herkomst.

Cliënten kiezen ervoor om dat contant te maken - dat mag.

En heeft kennelijk dit geld op latere momenten weer bijgestort - dat mag ook.

Nu het opgenomen bedrag het gestorte bedrag op deze rekening ruimschoots overstijgt, de herkomst uit de analyse van de bankafschriften kenbaar is en bovendien blijkt van een constante legale inkomstenstroom op deze rekening (kinderbijslag, kindertoeslag, andere betalingen van de Belastingdienst) ben ik van mening dat het OM ten aanzien van de onder het tweede gedachtestreepje genoemde bedragen aan 'stap 1' niet heeft voldaan en dat alleen al daarom voor die punten een vrijspraak moet volgen.

Beschouw ik de inhoud van het witwasdossier verder, dan stel ik vast dat het OM inzichtelijk heeft gemaakt dat er kennelijk forse contante geldstromen over de bankrekeningen lopen en dat daarmee aan stap 1 wel is voldaan.

(...)

Stap 2. Als dat is gelukt, mag vervolgens van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld;

(...)

[verdachte] heeft ter terechtzitting van meet af aan duidelijk gemaakt hoe hij tegen de witwasbeschuldiging aankijkt.

- Op 29 september 2014 heeft cliënt aangegeven dat hij zich niet aan witwassen

schuldig heeft gemaakt en dat hij zijn inkomen kan verantwoorden.

Client heeft gesteld dat hij kan aantonen dat hij grote geldbedragen heeft ontvangen en heeft opgenomen, zonder dat die bedragen van witwassen afkomstig zijn.

- Op 19 november 2014 heeft mijn kantoorgenoot mr. Nieuwburg voor zover toen mogelijk was inzicht gegeven in de financiële situatie van cliënt. Daarbij is onder andere opgemerkt dat:

• Het OM er ten onrechte vanuit gaat dat cliënt in 2008 voor het eerst het levenslicht heeft gezien, waardoor een aanvangskapitaal ten onrechte volledig buiten beschouwing blijft (m.a.w. een kasopstelling is in deze context niet geschikt).

• Cliënt heeft in het verleden inkomsten gehad die doorwerken in de periode van de tenlastelegging, zoals

(i) de ontslagvergoeding bij [A]

(ii) inkomsten uit coffeeshop [B]

(iii) inkomsten uit diverse bloemenzaken

(iv) inkomsten uit de verkoop van auto's

• Verder is benoemd dat cliënt een thuisbankier is: hij neemt bijschrijvingen op zijn bankrekening direct op - in dat kader verwijs ik naar de eerder genoemde bijschrijving en opnamen van
€ 42.000 van de Goudse.

Ter onderbouwing van die stellingen heeft Nieuwburg per email voorafgaand stukken aan de rechtbank en aan het OM doen toekomen.

Die stukken betroffen:

(i) de winst van € 23.207,00 bij een pokertoernooi

(ii) de opbrengst van € 3.500,00 van de verkoop van Swarovksi beeldjes

(iii) de opbrengst van € 4.000 van de verkoop van sloopgoud

(iv) jaaropgaven van 2002 en 2003 waaruit bleek van legaal inkomen uit die jaren

(v) een bijschrijving van Fl 153.222,85 vanwege de verkoop van onroerend goed aan de [c-straat 1] te Den Haag (10 mei 1999)

(vi) de opbrengst van Fl. 365.000 voor de verkoop van het [b-straat 1] te Den Haag (23 maart 2001) *

(vii) maandelijkse pachtinkomsten van de [D] te Den Haag € 3.872,00 over de periode van 26 augustus 2013 tot heden

(viii) de opbrengst van een uitkoopbedrag van [E] ad € 45.000

(ix) een bedrag van € 35.000 voor de verhuizing van [I]

Aan de pleitnotitie van eerste aanleg zijn vervolgens nog enkele nieuwe stukken gehecht.

(x) Twee stukken van Senter Zwolle

Daaruit blijkt dat aan cliënt € 33.433 + € 22.055 aan compensatie is toegekend.

(xi) Cliënt heeft stukken achterhaald waaruit blijkt dat de compensatie voor het verplaatsen van zijn snackcar € 52.062,50 is geweest.

(xii) Jaaropgaven 2004

In hoger beroep zijn er nog enkele stukken door cliënt verstrekt.

Die stukken heb ik op 9 november jl. al per email aan het hof doen toekomen en zijn ook aan deze pleitnotitie gehecht.

* Ten aanzien van het eerder vermelde stuk (vi) merk ik op dat het bedrag op de in hoger beroep verstrekte afrekening van de verkoop van [b-straat 1] staat dat er Fl. 162.138,76 wordt uitgekeerd. Cliënt stelt dat hij dat bedrag heeft ontvangen en heeft opgenomen.

Opname uit onderneming

Opname uit onderneming (zou volgens de berekening in het dossier ruim € 16.000 zijn), is wel verdisconteerd in de totaalberekening in het dossier, maar door de redactie van de tenlastelegging nu niet in de beschuldiging. Dat bedrag moet 'ergens' in mindering worden gebracht nu de legale herkomst daarvan inzichtelijk is.

Als bijlage 5 A t/m C heb ik een overzicht van een door [verdachte] ingeschakelde boekhouder gevoegd. Daaruit blijkt dat de opname uit onderneming veel hoger is geweest dan in het dossier wordt gesteld, namelijk € 81.357. Nu de berekening in het dossier er vanuit gaat dat deze post moet worden verdisconteerd, meen ik dat dat voor dit hogere bedrag dus ook geldt.

Voor wat betreft de vraag of cliënt aan 'stap 2' heeft voldaan, vind ik dat dat zo is.

Hij heeft niet gezwegen. Hij heeft niet iets geroepen zonder daarna met stukken te komen. Hij heeft van meet af aan een stelling ingenomen en die stelling naar zijn beste kunnen onderbouwd.

Wat dat betreft vind ik de stukken die in hoger beroep nog zijn verstrekt ook erg belangrijk. Uit de bankafschriften van bijlage 2 en 3 blijkt bijvoorbeeld dat de betalingen van Senter inderdaad bij cliënt zijn binnengekomen en ook dat er daarna grote bedragen zijn opgenomen - in totaal € 35.000,00.


Hij heeft niet verzonnen dat hij bedragen van Senter heeft ontvangen en hij heeft ook niet verzonnen dat hij grote contante bedragen heeft opgenomen.

Stap 3. Die herkomst moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk zijn aan te merken;

Van alle bedragen die cliënt heeft benoemd, zijn stukken overgelegd waarop data, kenmerken, contactpersonen en contactgegevens zijn vermeld (zie ook email van Nieuwburg). Daarmee zijn bovengenoemde inkomsten concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken. Daarmee heeft cliënt dan meteen voldaan aan de derde stap van het Air Holland arrest.

En dan komt de bal dus weer bij het OM te liggen.”

2.3

In zijn arrest van 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352 heeft de Hoge Raad zijn eerdere rechtspraak over het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf”, zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen (art. 420bis e.v. Sr), als volgt samengevat:

“2.3.2. Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.

2.3.3.

Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.”

2.4

Blijkens de onder 2.2.3 weergegeven overweging heeft het Hof geoordeeld dat de daarin vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode geldbedragen voorhanden heeft gehad en heeft omgezet die – onmiddellijk of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat derhalve van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld.

2.5

Het Hof heeft blijkens de bewijsvoering vastgesteld dat in de bewezenverklaarde periode op drie bankrekeningen waarvan de verdachte gebruikmaakte, diverse contante stortingen zijn gedaan tot een bedrag van meer dan € 300.000,-. Voorts heeft het Hof met betrekking tot de in de bewezenverklaring vermelde periode vastgesteld dat uit de belastingaangiften van de verdachte en zijn echtgenote over 2008 tot en met 2012 niet blijkt van inkomsten, noch van inkomsten uit vermogen, noch inkomen uit dividenden alsmede dat in die belastingaangiften met betrekking tot verdachtes echtgenote een relatief laag inkomen is opgegeven waaruit, naar het oordeel van het Hof, de contante stortingen niet kunnen worden verklaard. Het Hof heeft voorts vastgesteld dat over de jaren 2013 en 2014 geen relevante gegevens bekend zijn over het verzamelinkomen inkomstenbelasting terwijl evenmin uit de administratie/jaarrekeningen van de ondernemingen die aan verdachtes echtgenote kunnen worden gelieerd, is gebleken van salaris en/of dividendinkomsten.

Met betrekking tot hetgeen namens de verdachte is aangevoerd ter zake van door hem uit legale bron (i) voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode verworven grote geldbedragen die de verdachte al dan niet zelf contant heeft bewaard en die nadien zijn aangewend voor stortingen op de hiervoor vermelde bankrekeningen, (ii) gedurende de bewezenverklaarde periode ontvangen bedragen op de in de bewezenverklaring vermelde bankrekeningen, in het bijzonder ING [rekeningnummer 2] , die door de verdachte zijn opgenomen en nadien kennelijk weer zouden zijn teruggestort op die bankrekening, en (iii) aan ondernemingen onttrokken gelden die kennelijk eveneens later op in de bewezenverklaring vermelde bankrekening(en) zijn gestort, heeft het Hof vastgesteld dat het verloop van die contante geldstromen niet uit enige administratie of document blijkt, terwijl de verdachte – niettegenstaande zijn toezeggingen daartoe – niet door middel van een overzicht van gegevens dan wel anderszins dat verloop heeft onderbouwd of inzichtelijk heeft gemaakt. Voor zover het gaat om de verkoop van beeldjes en sloopgoud alsmede de ontvangst van pachtinkomsten vanaf augustus 2013 heeft het Hof ten gunste van de verdachte wel aangenomen dat hieruit een relatief gering deel van de contante stortingen kan worden verklaard.

Op grond van één en ander heeft het Hof geoordeeld dat, behoudens de verkoop van beeldjes en sloopgoud alsmede de ontvangst van pachtinkomsten, de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van de contante stortingen en dat mede gelet daarop de in de bewezenverklaring bedoelde geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig zijn.

2.6

Het middel klaagt allereerst over de vaststelling van het Hof dat “er (...) vanaf 2008 kennelijk geen vermogen was” en voert daartoe aan dat het Hof aldus is voorbijgegaan aan hetgeen de verdachte onder overlegging van bescheiden heeft gesteld omtrent de gelden die legaal zijn verkregen voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode en die nadien zijn aangewend voor stortingen op de in de bewezenverklaring vermelde bankrekeningen.

In de onder 2.5 weergegeven vaststellingen ligt als oordeel van het Hof besloten dat met het enkel aanwijzen van de legale verkrijging van gelden door de verdachte in een tijdvak (ruim) voor de aanvang van de bewezenverklaarde periode niet een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is gegeven dat de in de bewezenverklaring bedoelde geldbedragen die tijdens de bewezenverklaarde periode contant zijn gestort niet van misdrijf afkomstig zijn, en dat ook anderszins niet de aanwezigheid van (legaal) vermogen bij aanvang van de bewezenverklaarde periode is gebleken waaruit deze contante stortingen (kunnen) worden verklaard.

Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat, enerzijds, administratie of documentatie ontbreekt terwijl de verdachte geen nadere onderbouwing of toelichting heeft gegeven met betrekking tot contante geldstromen leidend tot contante stortingen op de in de bewezenverklaring vermelde bankrekeningen en dat, anderzijds, uit de resultaten van het onderzoek naar, kort gezegd, de fiscale aangiftes door de verdachte en zijn echtgenote over de bewezenverklaarde periode, naar voren komt dat de verdachte daarin telkens geen vermogen heeft opgegeven en dat ook overigens niets is verantwoord met betrekking tot “kennelijk tussen de fiscale peildata opduikende en weer verdwijnende contante vermogens”, zodat aangenomen moet worden dat er vanaf 2008 geen (legaal) vermogen was waaruit de contante stortingen kunnen worden verklaard. Gelet hierop is het voornoemde oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk, zodat de klacht faalt.

2.7

Het middel klaagt voorts dat het Hof zonder nadere motivering is voorbijgegaan aan hetgeen namens de verdachte is aangevoerd – ter verklaring van de herkomst van de in de bewezenverklaring bedoelde geldbedragen – omtrent (a) het doen van stortingen op de in de bewezenverklaring vermelde bankrekeningen van contante gelden die daaraan voorafgaand waren opgenomen van diezelfde rekeningen en welke opnames ten dele ook verband houden met op die bankrekeningen door derden overgemaakte gelden, en (b) stortingen van contante gelden die daaraan voorafgaand waren onttrokken aan ondernemingen van de verdachte en/of zijn echtgenote.

Ook deze klacht faalt, nu de redenen die ertoe hebben geleid dat het Hof is afgeweken van hetgeen omtrent deze stortingen is aangevoerd, besloten liggen in de – hiervoor onder 2.5 samengevat weergegeven – overwegingen van het Hof over het niet inzichtelijk geworden verloop van de contante geldstromen voorafgaand en ook tijdens de bewezenverklaarde periode, op grond waarvan het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte niet een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat de in de bewezenverklaring bedoelde geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn.

2.8

Het middel faalt in zoverre.

3 Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze tien maanden en drie weken beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, V. van den Brink, E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2019.