Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1135

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-07-2019
Datum publicatie
09-07-2019
Zaaknummer
18/00168
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:483
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2017:3702, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Strafzaak tegen (ex)wethouder gemeente Roermond. Schending ambtsgeheim bij benoeming nieuwe burgemeester Roermond (art. 272 Sr), voorhanden hebben stembiljetten met oogmerk deze wederrechtelijk te gebruiken (art. Z3 Kieswet), passieve ambtelijke omkoping (art. 363 Sr) en witwassen (art. 420bis.1.b Sr). 1. Verwerping verweer dat Rb en Hof onbevoegd waren omdat verdachte (ook) Eerste Kamerlid was en sprake is van ambtsmisdrijf. Is HR in eerste en enige aanleg exclusief bevoegd? 2. Schenden van geheim, art. 272 Sr. 3. Oogmerk op wederrechtelijk gebruik stempassen en volmachtbewijzen.

Ad 1. HR zet wettelijke regeling vervolging van ambtsmisdrijven uiteen. Ex art. 119 Grondwet en art. 76 RO staan (gewezen) ministers, staatssecretarissen en leden van Staten-Generaal wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, in eerste en hoogste ressort terecht voor HR. Opdracht tot vervolging t.z.v. die misdrijven kan slechts worden gegeven bij koninklijk besluit of bij besluit van Tweede Kamer. Art. 76 RO bepaalt dat onder ambtsmisdrijven worden begrepen strafbare feiten, begaan onder een der verzwarende omstandigheden omschreven in art. 44 Sr, welke bepaling mede verwijst naar het geval dat ambt ambtenaar praktische mogelijkheid biedt feit te plegen. Door beslissing omtrent vervolging exclusief in handen te laten van regering of Tweede Kamer, worden betrokken ambtsdragers beschermd tegen op lichtvaardige gronden ingestelde vervolging (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BO0198). Mede gelet op bescherming van in art. 119 Grondwet bedoelde ambtsdragers tegen op lichtvaardige gronden ingestelde vervolging, die hiervoor omschreven regeling beoogt te bieden, dient rechter, indien - al dan niet n.a.v. daarop betrekking hebbend verweer - voldoende aanwijzingen bestaan dat verdachte (gewezen) ambtsdrager door begaan van tlgd. gedragingen bijzondere ambtsplicht heeft geschonden of dat hij bij begaan van strafbaar feit gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel, hem door zijn ambt geschonken, nader te onderzoeken of zich geval voordoet a.b.i. art. 119 Grondwet. Dit geldt ook indien tll. niet met zoveel woorden is toegesneden op in art. 44 Sr bedoelde strafverzwarende omstandigheid. ’s Hofs oordeel dat zo’n nader onderzoek niet noodzakelijk was, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, nu door verdediging ttz. in h.b. slechts is aangevoerd dat verdachte bij schending van zijn geheimhoudersplicht gebruik heeft gemaakt van telefoontoestel van Eerste Kamer. Voorts heeft Hof bewezenverklaard dat verdachte ambtelijke omkoping heeft begaan in zijn hoedanigheid van ambtenaar en wethouder van gemeente Roermond. Tegen deze achtergrond was Hof niet gehouden tot nadere motivering van zijn oordeel..

Ad 2. Bewezenverklaard is dat verdachte in zijn hoedanigheid van adviseur van vertrouwenscommissie voor benoeming van nieuwe burgemeester voor gemeente Roermond opzettelijk zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden o.m. door aan derden buiten vertrouwenscommissie namen van één of meer sollicitanten voor vacature van burgemeester van gemeente Roermond bekend te maken. Aan middel en ttz. in h.b. gevoerde verweer ligt opvatting ten grondslag dat voor schenden van geheim a.b.i. art. 272 Sr is vereist dat degene aan wie mededeling wordt gedaan, niet van desbetreffende informatie op de hoogte is. Die opvatting is onjuist (vgl.ECLI:NL:HR:2003:AF2343).

Ad 3. ’s Hofs oordeel dat gebruik van stempassen en volmachtbewijzen dat in strijd is met in Kieswet opgenomen regeling van stemmen bij volmacht kan worden aangemerkt als in art. Z3 Kieswet bedoeld ‘wederrechtelijk gebruik’ van die stempassen en volmachtbewijzen, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet hierop en op bepalingen van Kieswet, getuigt ’s Hofs oordeel dat het kiezer is die bij stemmen bij volmacht moet bepalen wie persoon is die hij machtigt om voor hem te stemmen, dat dit hier telkens niet het geval is geweest en dat verdachte en zijn mededaders in bewezenverklaring genoemde stempassen en volmachtbewijzen derhalve voorhanden hebben gehad om deze wederrechtelijk te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, niet van onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel toereikend gemotiveerd. Mede gelet op door Hof in aanmerking genomen omstandigheid dat verdachte hierbij handelde in zijn hoedanigheid van stemcoördinator van politieke partij in Roermond, geeft ’s Hofs oordeel dat oogmerk van verdachte aldus op dit wederrechtelijk gebruik was gericht, evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk.

Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/867
NJB 2019/1754
NBSTRAF 2019/259
SR-Updates.nl 2019-0297
NJ 2019/417 met annotatie van N. Jörg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/00168

Datum 9 juli 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 december 2017, nummer 22/003351-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G.J.J.G. Stevens‑Waltmans, advocaat te Roermond, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1

Het middel klaagt dat het Hof het verweer dat de Rechtbank in eerste aanleg en mitsdien ook het Hof niet bevoegd was tot kennisneming van onder meer het onder 1 en 5 tenlastegelegde, ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

2.2

Aan de verdachte is onder meer tenlastegelegd dat:

“1.

(zaaksdossier 01)

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 29 augustus 2012 tot en met 27 september 2012 te Roermond en/of Meerssen, althans in Nederland,

een ambtenaar, te weten [betrokkene 1] (burgemeester van de gemeente Meerssen),

(een) gift(en) en/of (een) belofte(n) heeft gedaan en/of (een) dienst(en) heeft verleend en/of aangeboden, te weten

- een overzicht(je) van/over veiligheid en/of (informatie over) vragen en/of een toelichting en/of (gewenste) antwoorden op vragen die gesteld zouden worden tijdens het sollicitatiegesprek voor de vacature van burgemeester van de gemeente Roermond en/of

- (geheime) informatie over (de uitkomst(en) van) de beraadslagingen van de vertrouwenscommissie,

althans enige gift en/of belofte en/of dienst,

(1o) (telkens) met het oogmerk om die [betrokkene 1] te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht iets te doen en/of na te laten, te weten

- het anders dan om zakelijke redenen begunstigen van hem, verdachte en/of

- het geven van een voorkeursbehandeling aan hem, verdachte en/of

- het laten ontstaan en/of onderhouden van een zodanige relatie tussen hem, verdachte en die [betrokkene 1] dat die [betrokkene 1] tegenover hem, verdachte, niet meer zo neutraal en/of zo vrij en/of zo onbeïnvloedbaar en/of onafhankelijk en/of objectief was/kon zijn bij het nemen van beslissingen in relatie tot verdachte als in het geval dat die [betrokkene 1] die gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) niet had aangenomen

en/of

(2o) (telkens) ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door die [betrokkene 1] in zijn huidige en/of vroegere bediening, als burgemeester van de gemeente Meerssen, in strijd met zijn plicht is gedaan en/of nagelaten, te weten

- het anders dan om zakelijke redenen begunstigen van hem, verdachte en/of

- het geven van een voorkeursbehandeling aan hem, verdachte

- het verstrekken van informatie over (het eventuele lidmaatschap van de VVD van) één van de kandidaten voor de vacature van burgemeester van de gemeente Roermond, te weten [betrokkene 2] en/of

- het voordragen van hem, verdachte, als gedeputeerde (van de provincie Limburg) en/of

- het (openlijk) steunen van die voordracht;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 29 augustus 2012 tot en met 27 september 2012 te Roermond en/of Meerssen, althans in Nederland, enig geheim, waarvan hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat hij uit hoofde van ambt en/of beroep en/of wettelijk voorschrift, te weten

- artikel 61c van de Gemeentewet en/of

- (de bepalingen in) de Circulaire procedureregels bij burgemeestersbenoemingen en/of

- (de bepalingen in) de Circulaire benoeming, functioneringsgesprekken en herbenoeming burgemeester van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en/of (de bepalingen in) het besluit van de gemeenteraad van Roermond met betrekking tot de taak, samenstelling, werkwijze en geheimhouding van de vertrouwenscommissie (raadsbesluit 2012/035/03),

althans enig wettelijk voorschrift,

verplicht was dat geheim te bewaren, (telkens) opzettelijk heeft geschonden, immers heeft hij, verdachte, als wethouder van de gemeente Roermond en/of adviseur van de vertrouwenscommissie (voor de benoeming van de nieuwe burgemeester voor de gemeente Roermond)

aan [betrokkene 1]

- een overzicht(je) van/over veiligheid verstrekt en/of

- (informatie over) vragen en/of een toelichting en/of (gewenste) antwoorden op vragen die gesteld zouden worden tijdens het sollicitatiegesprek voor de vacature van burgemeester van de gemeente Roermond verstrekt en/of

- informatie over (de uitkomst(en) van) de beraadslagingen van de vertrouwenscommissie, verstrekt en/of

- het standpunt van een lid van de vertrouwenscommissie, te weten [betrokkene 3] , bekend gemaakt,

en/of

aan [betrokkene 4]

- (informatie over) vragen en/of een toelichting en/of (gewenste) antwoorden op vragen die gesteld zouden worden tijdens het sollicitatiegesprek voor de vacature van burgemeester van de gemeente Roermond verstrekt en/of

- informatie over de beoordeling (door een aantal leden van de vertrouwenscommissie) van zijn gesprek met de vertrouwenscommissie verstrekt en/of

- informatie over de (uitkomst(en)van), de beraadslagingen van de vertrouwenscommissie verstrekt

en/of

aan (andere) derden (buiten de vertrouwenscommissie)

- de namen van één of meer sollicitanten voor de vacature van burgemeester van de gemeente Roermond bekend gemaakt, te weten:

- de naam van [betrokkene 2] aan [betrokkene 5] en/of [betrokkene 1] , en/of

- de naam van [betrokkene 1] aan [betrokkene 6] en/of [betrokkene 7] en/of

- de naam van [betrokkene 4] aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 7] ;

(...)

5.

(zaaksdossier 04)

dat hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 juli 2006 tot en met 21 september 2012, althans op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de jaren 2006 tot en met 2012, in de gemeente(n) Roermond en/of Weert en/of elders in Nederland,

alleen, althans tezamen en in vereniging met een of meer ander(en),

meermalen, althans eenmaal,

als ambtenaar, één of meer gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en), te weten - zakelijk weergegeven -:

- één of meer girale geldbedrag (en) groot 8.330,00 euro, althans één of meer girale geldbedrag(en) in en/of: via [A] B.V. en/of

- een financiële bijdrage van 1.190,00 euro, althans enige financiële bijdrage aan de verkiezingscampagne voor de Tweede Kamerverkiezingen van 2012 (in de vorm van een reclamezuil met billboard met de afbeelding van [betrokkene 8] ),

althans enige gift en/of belofte en/of dienst, gedaan/te doen en/of verleend/te verlenen en/of aangeboden/aan te bieden door [betrokkene 9] (in privé en/of in zijn hoedanigheid van (indirect) bestuurder van [B] B.V. en/of [C] B.V. en/of [D] B.V.) en/of [betrokkene 10] (in zijn hoedanigheid van senior projectontwikkelaar van [D] B.V.) en/of [B] B.V. en/of [C] B.V. en/of [D] B.V.

A. heeft aangenomen, terwijl hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn medeverdachte(n) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat deze gift(en) en/of belofte(n) en/of deze dienst(en) hem/hun werd(en) gedaan en/of verleend en/of aangeboden,

(1°) (telkens) teneinde hem, verdachte, te bewegen om, al dan niet in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten

en/of

(2°) (telkens) ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door hem, verdachte, al dan niet in strijd met zijn plicht, in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan en/of nagelaten en/of

B. heeft gevraagd,

(3°) (telkens) teneinde hem, verdachte, te bewegen om, al dan niet in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten

en/of

(4°) (telkens) ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door hem, verdachte, al dan niet in strijd met zijn plicht, in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan en/of nagelaten,

te weten (telkens) - zakelijk weergegeven -:

- het laten ontstaan en/of in stand houden en/of onderhouden en/of verbeteren van een zodanige relatie tussen hem, verdachte, en die [betrokkene 9] en/of [betrokkene 10] en/of één of meer aan die [betrokkene 9] en/of die [betrokkene 10] gelieerde vennootschap(pen) dat hij, verdachte, tegenover die (rechts)perso(o)n(en) voornoemd niet meer zo neutraal en/of zo vrij en/of onbeïnvloed en/of onafhankelijk en/of objectief was/kon zijn bij het nemen van beslissingen in relatie tot voornoemde (rechts)perso(o)n (en) als in het geval dat hij, verdachte, die gift (en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) niet had aangenomen en/of gevraagd en/of

- het geven van een voorkeursbehandeling aan die [betrokkene 9] en/of [betrokkene 10] en/of één of meer aan die [betrokkene 9] gelieerde, vennootschap(pen) en/of

- het (anders dan om zakelijke redenen) begunstigen van die [betrokkene 9] en/of [betrokkene 10] en/of één of meer aan die [betrokkene 9] gelieerde vennootschap(pen) en/of

- het verstrekken/delen van geheime en/of vertrouwelijke en/of interne/gemeentelijke en/of niet-openbare en/of concurrentiegevoelige informatie aan/met die [betrokkene 9] en/of [betrokkene 10] en/of één of méér aan die [betrokkene 9] gelieerde vennootschap(pen) en/of

- het (anders dan om zakelijke redenen) ten gunste van die [betrokkene 9] en/of [betrokkene 10] en/of één of meer aan die [betrokkene 9] gelieerde vennootschap(pen) verstrekken van (eenzijdige) informatie en/of het onthouden en/of achterhouden van informatie ten behoeve van/ter gelegenheid van besluitvormingsprocedures (binnen de gemeente Roermond) en/of

- het (anders dan om zakelijke redenen) (adviseren tot het) verstrekken en/of (ver)gunnen en/of betalen door de gemeente Roermond van werken en/of opdrachten en/of projecten aan die [betrokkene 9] en/of [betrokkene 10] en/of één of meer aan die [betrokkene 9] gelieerde vennootschap(pen),

terwijl hij, verdachte, voornoemd(e) feit(en) telkens heeft begaan in verband met zijn hoedanigheid als wethouder van de gemeente Roermond.”

2.3

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“4. Bevoegdheid

De raadsvrouw van de verdachte heeft voorts ter zake van het onder 1 (burgemeestersbenoeming), 3 (stempas van […] ) en ter zake van feit 5 (reclamezuil met billboard met de afbeelding van [betrokkene 8] ), bepleit dat het hof niet bevoegd is kennis te nemen van deze beschuldigingen. Daartoe heeft zij naar voren gebracht - zakelijk weergegeven - dat ter zake van de burgemeesters benoeming sprake is van een verdenking van een ambtsmisdrijf dat de verdachte heeft gepleegd als lid van de Staten-Generaal, nu de verdachte in de periode waarin hij lid was van Eerste Kamer der Staten-Generaal, informatie heeft verstrekt gebruikmakend van een telefoontoestel van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. De verdachte heeft aldus gebruik gemaakt van een middel hem door het ambt van Eerste Kamerlid ter beschikking gesteld. Met betrekking tot de stempas en de reclamezuil is het, aldus de raadsvrouw, volstrekt duidelijk dat er sprake is van een verdenking van een ambtsmisdrijf in de hoedanigheid van senator. Deze zaken hebben immers geen enkele connectie met de verdachte als wethouder van de stad Roermond.

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte de ambtelijke corruptiefeiten op de dagvaarding in zijn hoedanigheid van ambtenaar en wethouder van de gemeente Roermond heeft gepleegd, zodat het hof bevoegd is van deze feiten kennis te nemen en daarover een oordeel te geven.

Het hof overweegt hiertoe het navolgende.

De Grondwet (hierna: Gw.) bepaalt in artikel 119 onder andere dat de leden van de Staten‑Generaal wegens ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen in die betrekking gepleegd ook na hun aftreden terechtstaan voor de Hoge Raad der Nederlanden.

Artikel 76, tweede lid van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (hierna: Wet RO) bepaalt dat onder ambtsmisdrijven begrepen zijn: strafbare feiten begaan onder een van de verzwarende omstandigheden omschreven in artikel 44 van het Sr. Daarin wordt als verzwarende omstandigheid opgenomen: “gebruik maken van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken.”

Het hof is van oordeel dat de vraag naar de bevoegdheid van de rechter moet worden beantwoord op de grondslag van de tenlastelegging (artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)). Blijkens de tenlastelegging ter zake van bovengenoemde feiten vervolgt het Openbaar Ministerie de verdachte niet voor enig feit ter zake waarvan de Hoge Raad der Nederlanden op grond van artikel 119 Gw, 76 Wet RO juncto artikel 44 Sr bevoegd is kennis te nemen, nu ter zake van het onder 1, 3 en 5 ten laste gelegde, niet is opgenomen dat de feiten zijn gepleegd door de verdachte als lid van de Eerste Kamer en ook niet de volgende passage:

“terwijl hij door het begaan van het strafbaar feit een bijzondere ambtsplicht heeft geschonden of bij het begaan van een strafbaar feit gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken”

(vgl. Hoge Raad 8 december 1998, NJ 1999, 224).

Gelet op het vorenoverwogene is het hof bevoegd tot kennisneming van de feiten onder 1 (burgemeestersbenoeming), 3 (stempas van […] ) en ter zake van feit 5 (reclamezuil met billboard met de afbeelding van [betrokkene 8] ).

Het verweer wordt mitsdien verworpen.”

2.4

Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 119 Grondwet:

“De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.”

- art. 76 Wet op de Rechterlijke Organisatie:

“1. De Hoge Raad neemt in eerste instantie, tevens in hoogste ressort, kennis van de ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen begaan door de leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen.

2. Onder ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen worden hier begrepen strafbare feiten begaan onder een der verzwarende omstandigheden omschreven in artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht.

3. In de gedingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, is de Hoge Raad tevens bevoegd kennis te nemen van de vordering tot vergoeding van kosten en schaden ten behoeve van de benadeelde partij.

4. In de gedingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, oordeelt de Hoge Raad met een aantal van tien raadsheren. Bij het staken der stemmen wordt een uitspraak ten voordele van de verdachte gedaan.”

- art. 44 Sr:

“Indien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzondere ambtsplicht schendt of bij het begaan van een strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, kan de op het feit gestelde straf, met uitzondering van geldboete, met een derde worden verhoogd.”

- art. 483 (oud) Sv:

“1. De artikelen 4-19 der wet van den 22 April 1855 (Staatsblad n°. 33), houdende regeling der verantwoordelijkheid van de hoofden der Ministeriëele Departementen, blijven van kracht.

2. Zij zijn van overeenkomstige toepassing op alle ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen, begaan door de in artikel 76 van de Wet op de rechterlijke organisatie opgenoemde personen. Onder ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen worden hier begrepen strafbare feiten begaan onder eene der verzwarende omstandigheden, omschreven in artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht.

3. De procureur-generaal bij den Hoogen Raad is verplicht aan den ontvangen last tot vervolging onmiddellijk gevolg te geven.”

- art. 4 (oud) Wet ministeriële verantwoordelijkheid:

“De Hoofden der Ministeriële Departementen staan ter vervolging, hetzij van Onzentwege, hetzij van wege de Tweede Kamer, te regt voor den Hoogen Raad.”

2.5.1

Ingevolge art. 119 Grondwet en art. 76 RO staan (gewezen) ministers, staatssecretarissen en leden van de Staten-Generaal wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, in eerste en hoogste ressort terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging ter zake van die misdrijven kan slechts worden gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer (art. 119 Grondwet; art. 4 (oud) Wet van 22 april 1855, Stb. 33, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de hoofden der Ministeriële Departementen; art. 483, eerste en tweede lid (oud), Sv, zie thans: art. 3 en 4 Wet ministeriële verantwoordelijkheid).
Art. 76 RO bepaalt dat onder ambtsmisdrijven worden begrepen strafbare feiten, begaan onder een der verzwarende omstandigheden omschreven in art. 44 Sr. Gelet op dat voorschrift is - naast de delicten, vermeld in Titel XXVIII van het Tweede boek en Titel VIII van het Derde boek van het Wetboek van Strafrecht - derhalve sprake van een ambtsmisdrijf, indien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzondere ambtsplicht schendt of bij het begaan van een strafbaar feit gebruikmaakt van macht, gelegenheid of middel, hem door zijn ambt geschonken. Art. 44 Sr verwijst aldus mede naar het geval dat het ambt de ambtenaar de praktische mogelijkheid biedt het feit te plegen.

2.5.2

Bij hernieuwde weging en vervolgens handhaving van deze bevoegdheid van art. 119 Grondwet is tijdens de parlementaire behandeling door de regering beklemtoond dat, doordat de beslissing tot vervolging van de in art. 119 Grondwet genoemde politieke ambtsdragers in handen van politieke organen bij uitstek is gebleven (hetzij de regering, hetzij de Tweede Kamer), recht wordt gedaan aan de omstandigheid dat de beoordeling van de draagwijdte en de inhoud van ambtsmisdrijven van Kamerleden, ministers en staatssecretarissen in sterke mate een politiek karakter draagt (Kamerstukken II 1979/80, 16 164 (R 1147), nr. 3, onder 5). Daaraan werd toegevoegd dat door de beslissing omtrent vervolging exclusief in handen te laten van de regering of de Tweede Kamer, de betrokken ambtsdragers worden beschermd tegen een op lichtvaardige gronden ingestelde vervolging. (Vgl. HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0198.)

2.6.1

Mede gelet op de bescherming van de in art. 119 Grondwet bedoelde ambtsdragers tegen een op lichtvaardige gronden ingestelde vervolging, welke bescherming de hiervoor omschreven regeling beoogt te bieden, dient de rechter, indien - al dan niet naar aanleiding van een daarop betrekking hebbend verweer - voldoende aanwijzingen bestaan dat de verdachte (gewezen) ambtsdrager door het begaan van de tenlastegelegde gedragingen een bijzondere ambtsplicht heeft geschonden of dat hij bij het begaan van een strafbaar feit gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel, hem door zijn ambt geschonken, nader te onderzoeken of zich een geval voordoet als in art. 119 Grondwet bedoeld. Dit geldt ook indien de tenlastelegging niet met zoveel woorden is toegesneden op de in art. 44 Sr bedoelde strafverzwarende omstandigheid.

2.6.2

In het oordeel van het Hof ligt besloten dat het zo een nader onderzoek niet noodzakelijk achtte, omdat van dergelijke aanwijzingen in het onderhavige geval niet is gebleken. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat door de verdediging ter terechtzitting van het Hof in dat verband naar de kern genomen slechts is aangevoerd dat de verdachte bij de onder 1 tenlastegelegde schending van zijn geheimhoudingsplicht (ook) gebruik heeft gemaakt van een telefoontoestel van de Eerste Kamer. Voorts heeft het Hof bewezenverklaard dat de verdachte het onder 5 tenlastegelegde heeft begaan in zijn hoedanigheid van ambtenaar en wethouder van de gemeente Roermond, terwijl het Hof in hetgeen door de verdediging hieromtrent is aangevoerd - er slechts op neerkomend dat tussen het tenlastegelegde en de hoedanigheid van de verdachte als wethouder juist geen connectie bestond - geen aanleiding behoefde te zien om deze gedraging aan te merken als een ambtsmisdrijf gepleegd in de hoedanigheid van Eerste Kamerlid. Tegen deze achtergrond was het Hof ook niet gehouden tot een nadere motivering van zijn oordeel.

2.7

Het middel faalt in zoverre.

3 Beoordeling van het vierde middel

3.1

Het middel klaagt dat het Hof, mede in het licht van een door de verdediging gevoerd verweer, een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de onder 1 bewezenverklaarde en aan art. 272 Sr ontleende woorden ‘schenden van een geheim’.

3.2

Onder 1 is, kort samengevat, bewezenverklaard dat de verdachte in zijn hoedanigheid van adviseur van de vertrouwenscommissie voor de benoeming van de nieuwe burgemeester voor de gemeente Roermond, telkens opzettelijk zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden, onder meer door aan derden buiten de vertrouwenscommissie de namen van één of meer sollicitanten voor de vacature van burgemeester van de gemeente Roermond bekend te maken.

3.3

Het Hof heeft, naar aanleiding van een namens de verdachte gevoerd verweer, ter zake van dit onderdeel van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

“De raadsvrouw heeft voorts nog aangevoerd dat de namen van de in de tenlastelegging genoemde sollicitanten bij de gesprekspartners van de verdachte al bekend waren, zodat er op dat punt geen sprake kan zijn geweest van een schending van de geheimhoudingsplicht door de verdachte.

Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat de gesprekspartners van de verdachte op de hoogte zijn van de namen van sollicitanten nog niet met zich brengt dat de geheimhoudingsplicht voor de verdachte daarmee wordt opgeheven. De verdachte had, als adviseur van de vertrouwenscommissie, deze gesprekken niet mogen voeren.

De verweren worden verworpen.”

3.4

Aan het middel en het ter terechtzitting van het Hof gevoerde verweer ligt de opvatting ten grondslag dat voor het schenden van een geheim in de zin van art. 272 Sr is vereist dat degene aan wie de mededeling wordt gedaan, niet van de desbetreffende informatie op de hoogte is. Die opvatting is onjuist (vgl. HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2343).

3.5

Het middel faalt.

4 Beoordeling van het vijfde en het zevende middel

4.1

Het vijfde middel bevat de klacht dat het Hof ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde ten onrechte heeft aangenomen dat het op verzoek of met instemming van een kiezer (doen) uitbrengen van een stem op basis van een volmachtbewijs zonder dat de kiezer de gevolmachtigde heeft aangewezen, wederrechtelijk is in de zin van art. Z3 Kieswet. Het zevende middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte het onder 2 bewezenverklaarde oogmerk had de stempassen en volmachtbewijzen wederrechtelijk te gebruiken. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 1 februari 2010 tot en met 2 maart 2011 in de gemeente Roermond, tezamen en in vereniging met anderen, stempassen en volmachtbewijzen op naam van

- [betrokkene 11] en

- [betrokkene 12] en

- [betrokkene 13] en

- [betrokkene 14] (e.v. [betrokkene 13] ) en

- [betrokkene 15] en

- [betrokkene 16] en

- [betrokkene 17] en

- [betrokkene 18]

en volmachtbewijzen op naam van de volgende volmachtgevers:

- [betrokkene 19] en

- [betrokkene 20] en

- [betrokkene 21] en

- [betrokkene 22] en

- [betrokkene 23] en

- [betrokkene 24] en

- [betrokkene 25] en

- [betrokkene 26] en

- [betrokkene 27]

voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad op 3 maart 2010 en/of de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer op 9 juni 2010 en/of voor de verkiezing voor de leden van de provinciale staten op 2 maart 2011 voorhanden heeft gehad met het oogmerk om die stempassen en die volmachtbewijzen wederrechtelijk te gebruiken en door anderen te doen gebruiken, immers hebben hij en zijn medeverdachte(n) toen aldaar - zakelijk weergegeven -

A.

telkens een door die [betrokkene 11] en [betrokkene 12] en [betrokkene 13] en [betrokkene 14] e.v. [betrokkene 13] en [betrokkene 15] en [betrokkene 16] en [betrokkene 17] en [betrokkene 18] ondertekende volmachtbewijzen op de achterzijde van de stempassen in ontvangst genomen, terwijl daarop nog niet de persoons- en adresgegevens van de persoon die namens de stempashouder de stem zou uitbrengen waren ingevuld, om vervolgens

- daarop de persoons- en adresgegevens van een door hem, verdachte, of zijn medeverdachten aangewezen persoon als gemachtigde van de volmachtgever in te vullen en

- vervolgens door deze door hem verdachte of zijn medeverdachten aangewezen persoon die volmachtbewijzen te laten ondertekenen als gevolmachtigde van de volmachtgever en deze persoon vervolgens daarmee een stem te laten uitbrengen, en

B.

telkens middels een verzoek om bij volmacht te mogen stemmen verkregen volmachtbewijzen op naam van die volmachtgevers [betrokkene 19] en [betrokkene 20] en [betrokkene 21] en [betrokkene 22] en [betrokkene 23] en [betrokkene 24] en [betrokkene 25] en [betrokkene 26] en [betrokkene 27] verkregen terwijl het verzoek om bij volmacht te mogen stemmen niet op de voorgeschreven wijze en onvolledig door de volmachtgevers was ingevuld.”

4.2.2

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring - voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang - voorts het volgende overwogen:

“11.2 Feit 2: Wederrechtelijk gebruik van stempassen en volmachtbewijzen.

(...)

Vaststaande feiten en omstandigheden

Uit de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat aan kiezers die aan de verdachte of aan andere medewerkers van de VVD Roermond hadden aangegeven hun stem per volmacht te willen uitbrengen, werd verzocht om enkel hun eigen naam, adres en handtekening op hun stempas dan wel op het L8 formulier (een verzoek aan de burgemeester om bij volmacht te mogen stemmen) te plaatsen. Vervolgens werden deze ingevulde documenten door de verdachte of zijn medewerkers naar het zogenaamde campagnehuis gebracht, waar zij werden verdeeld onder partijleden van de VVD, en familieleden en bekenden van de verdachte die zich op verzoek van de verdachte bereid hadden verklaard om bij gelegenheid van de verkiezingen als gevolmachtigde op te treden. Daarna werden de stempassen en de L8 formulieren van de naam, adres en de handtekening van de gevolmachtigde voorzien. Daarmee waren de stempassen gereed voor gebruik door de gevolmachtigde. Na inwilliging van het verzoek van het L8-formulier werd het zogenaamde volmachtbewijs door de gemeente aan de op het formulier aangegeven gevolmachtigde gestuurd. Met dit volmachtbewijs kan de gemachtigde namens de volmachtgever een stem uitbrengen.

Ten slotte was het de bedoeling dat de gevolmachtigden op de verkiezingsdatum hun eigen stem en die van de respectieve volmachtgevers uit zouden brengen. De verdachte heeft in dat verband verklaard dat hij tijdens de Tweede Kamerverkiezingen en de Gemeenteraadsverkiezingen in 2010, de Provinciale Statenverkiezingen van 2011 en de Tweede Kamerverkiezingen in 2012 de stemcoördinator van de VVD in Roermond was. Ter terechtzitting in eerste aanleg en ook in hoger beroep heeft de verdachte de hierboven weergegeven gang van zaken in grote lijnen bevestigd.

Uit de omstandigheid dat diverse kopieën van volmachtbewijzen bij de verdachte zijn aangetroffen, leidt het hof af dat de L8 formulieren bij de gemeente zijn ingediend.

Beoordeling

Uit de Memorie van Toelichting bij de voorgestelde wijziging van de Kieswet (TK 1987-1988, 20264, p. 67) blijkt zonneklaar, dat het initiatief tot het verzoek om bij volmacht te stemmen en de keuze van de gemachtigde bij de kiezer behoort te liggen.

“De volmachtregeling is niet bedoeld om groeperingen de gelegenheid te bieden de stembevoegdheid van kiesgerechtigden die om hen moverende redenen niet aan de verkiezingen wensen deel te nemen, over te nemen en door een nader aan te wijzen derde te doen uitoefenen”, aldus die Memorie.

Deze opvatting van de wetgever is niet veranderd bij gelegenheid van de daarop volgende wijzigingen van de Kieswet. Een en ander kan ook worden afgeleid uit het bepaalde in artikel L10, aanhef en sub a Kieswet, waaruit volgt dat een verzoek als bedoeld in artikel L8 (via het zogenaamde L8-formulier) door de burgemeester dient te worden afgewezen, indien blijkt dat de kiezer niet zelf de gemachtigde heeft aangewezen. De heer Kummeling, voorzitter van de Kiesraad, heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de rechter-commissaris op 8 december 2015 verklaard:

“De bedoeling van de wetgever is geweest dat de volmachtgever gekend is en dat willens en wetens aan een bepaalde persoon de volmacht wordt verleend. (...) Het is dus niet de bedoeling een blanco volmacht te verstrekken met hooguit de handtekening erop met de gedachte: ‘Ik zie wel waar ze terechtkomen.”

Met andere woorden: de kiezer moet bepalen wie de persoon is die hij machtigt om voor hem te stemmen. Uit de hierboven weergegeven gang van zaken stelt het hof vast dat dit niet het geval is geweest.

Vrijwel alle volmachtgevers die in dit verband door de Rijksrecherche, de rechter-commissaris of de raadsheer-commissaris zijn gehoord, hebben aangegeven dat zij (de naam van) de persoon, die voor hen als gemachtigde is opgetreden, niet kennen. De stelling van de raadsvrouw dat deze gang van zaken ook in andere Nederlandse gemeenten voorkomt, kan niet leiden tot een ander oordeel over de strafbaarheid van de gedraging die aan de verdachte wordt verweten.

(...)

Gelet op het bovenstaande stelt het hof vast dat de verdachte en zijn mededaders de stempassen en de volmachtbewijzen voorhanden hebben gehad om deze wederrechtelijk te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Onder wederrechtelijk gebruik kan in dat verband worden verstaan: het gebruik dat strijdig is met de hierboven weergegeven regeling, met betrekking tot het stemmen bij volmacht uit de Kieswet.

Voor het onderdeel van de tenlastelegging dat de verdachte en/of zijn mededaders met deze stempassen en volmachtbewijzen daadwerkelijk een stem hebben laten uitbrengen is onvoldoende bewijs in het dossier voorhanden, zodat de verdachte van dit onderdeel zal worden vrijgesproken.”

4.3.1

Het onder 2 tenlastegelegde is toegesneden op art. Z3 Kieswet. Deze bepaling luidt:

“Degene die stembiljetten, stempassen, kiezerspassen, volmachtbewijzen of briefstembewijzen voorhanden heeft met het oogmerk deze wederrechtelijk te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”

4.3.2

In hoofdstuk L van de Kieswet zijn de regels voor het stemmen met volmacht neergelegd. Paragraaf 2 van hoofdstuk L regelt de schriftelijke aanvraag om bij volmacht te stemmen. Paragraaf 3 van hoofdstuk L bevat regels voor het verlenen van volmacht door overdracht van de stempas aan een andere kiezer. De voor de beoordeling van het middel relevante bepalingen uit deze paragrafen luidden ten tijde van het tenlastegelegde als volgt:

in § 2 over de schriftelijke aanvraag om bij volmacht te stemmen:

- art. L8 Kieswet:

“1. De kiezer die bij volmacht wenst te stemmen, dient uiterlijk op de veertiende dag voor de stemming daartoe een verzoekschrift in bij de burgemeester van de gemeente waar hij op de dag van de kandidaatstelling als kiezer is geregistreerd. (...).

2. In zijn verzoekschrift wijst de kiezer een gemachtigde aan. (...).

3. Bij het verzoekschrift wordt ingediend een verklaring van de gemachtigde dat deze bereid is als zodanig op te treden (...).”

- art. L10 Kieswet:

“Het verzoek wordt afgewezen, indien:

a. blijkt dat de kiezer niet zelf de gemachtigde heeft aangewezen;

b. aan de kiezer die het verzoek heeft ingediend reeds een kiezerspas of een briefstembewijs is verstrekt;

c. degene die als gemachtigde is aangewezen, de aanwijzing in strijd met het bepaalde in artikel L 4 heeft aangenomen;

d. degene die als gemachtigde is aangewezen, niet als kiesgerechtigde is geregistreerd binnen het gebied waarvoor de verkiezing geldt.”

in § 3 over het verlenen van volmacht door overdracht van de stempas aan een andere kiezer:

- art. L14 Kieswet:

“1. De kiezer kan een andere kiezer die op de dag van de kandidaatstelling in dezelfde gemeente als hij als kiezer is geregistreerd machtigen om voor hem te stemmen in een stembureau binnen die gemeente.

2. Hij tekent daartoe het formulier dat voorkomt op de stempas en laat de pas door de gemachtigde mede-ondertekenen.

3. Hij draagt de aldus in een volmachtbewijs omgezette stempas aan de gemachtigde over.”

4.4

Het Hof heeft onder meer vastgesteld dat de verdachte stemcoördinator van de VVD in Roermond was, dat kiezers die hadden aangegeven hun stem per volmacht te willen uitbrengen werd verzocht om alleen hun eigen gegevens in te vullen op de stempas of het volmachtformulier, dat de ingevulde documenten vervolgens op het campagnehuis werden verzameld en over partijleden van de VVD en familieleden en bekenden van de verdachte werden verdeeld, waarna de gegevens van de gevolmachtigden werden ingevuld. In aansluiting hierop heeft het Hof vastgesteld dat de volmachtgevers de gegevens van de gevolmachtigde dus niet zelf invulden en veelal ook niet wisten wie als gevolmachtigde zou optreden. Voorts volgt uit de vaststellingen van het Hof dat op deze wijze de stempassen en volmachtformulieren gereed werden gemaakt voor gebruik en dat het de bedoeling was dat de gevolmachtigden op de verkiezingsdatum hun eigen stem en die van de hen op deze wijze toebedeelde volmachtgever(s) zouden uitbrengen.

4.5

Het oordeel van het Hof dat het gebruik van stempassen en volmachtbewijzen dat in strijd is met de in de Kieswet opgenomen regeling van het stemmen bij volmacht kan worden aangemerkt als het in art. Z3 Kieswet bedoelde ‘wederrechtelijk gebruik’ van die stempassen en volmachtbewijzen, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet hierop en op de hiervoor onder 4.3.2 weergegeven bepalingen van de Kieswet, getuigt het oordeel van het Hof dat het de kiezer is die bij het stemmen bij volmacht moet bepalen wie de persoon is die hij machtigt om voor hem te stemmen, dat dit hier telkens niet het geval is geweest en dat de verdachte en zijn mededaders de in de bewezenverklaring onder 2A en 2B genoemde stempassen en volmachtbewijzen derhalve voorhanden hebben gehad om deze wederrechtelijk te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel toereikend gemotiveerd. Mede gelet op de door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de verdachte hierbij handelde in zijn hoedanigheid van stemcoördinator van de VVD in Roermond, geeft het oordeel van het Hof dat het oogmerk van de verdachte aldus op dit wederrechtelijk gebruik was gericht, evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk.

4.6

De middelen falen.

5 Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2019.