Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1112

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-07-2019
Datum publicatie
05-07-2019
Zaaknummer
17/03702
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1435
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1475
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting; art. 7, lid 4, Wet OB; fiscale eenheid; stichting voor onderwijsinstellingen die alle aandelen houdt in een besloten vennootschap die tegen vergoeding de schoonmaak van alle schoolgebouwen van de stichting verricht; uitleg economische verwevenheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 05-07-2019
V-N Vandaag 2019/1544
FutD 2019-1757 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2019/33.14 met annotatie van Redactie
NTFR 2019/1808 met annotatie van Mr. C.C. van den Berg
NLF 2019/1674 met annotatie van Barry Willemsen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

Derde Kamer

Nr. 17/03702

5 juli 2019

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 23 juni 2017, nrs. BK‑16/00444, BK‑16/00445, en BK17/00432 tot en met BK‑17/00438, op het hoger beroep van de Inspecteur alsmede het incidentele hoger beroep van [X] B.V. te [Z ] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 15/4660 en SGR 16/545) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan omzetbelasting over tijdvakken in de periode 1 januari 2013 tot en met 31 maart 2015. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.

De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 31 december 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van beide beroepen in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:1435 en daarbij behorende bijlage ECLI:NL:PHR:2018:1475).

Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1.

Belanghebbende, een besloten vennootschap, verricht tegen vergoeding schoonmaakwerkzaamheden en andere facilitaire werkzaamheden jegens uitsluitend de Stichting [A] te [Q] (hierna: de Stichting).

2.2.

De Stichting verzorgt onderwijs op twaalf basisscholen, een school voor speciaal basisonderwijs, een school voor speciaal voortgezet onderwijs, een scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs, en een school voor praktijkonderwijs. Naast het verzorgen van onderwijs aan leerlingen van de aangesloten scholen verricht de Stichting tegen vergoeding andere activiteiten zoals de exploitatie van de kantines van de scholen.

2.3.

Belanghebbende is door de Stichting opgericht bij akte van 6 mei 2009. De Stichting is enig aandeelhouder en enig bestuurder van belanghebbende. Twee bestuurders van de Stichting oefenen feitelijk het bestuur van belanghebbende uit.

2.4.

De Inspecteur had belanghebbende en de Stichting op hun verzoek met ingang van 6 mei 2009 aangemerkt als een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Bij beschikking van 21 december 2012 heeft de Inspecteur belanghebbende meegedeeld dat de fiscale eenheid met ingang van 1 januari 2013 wordt beëindigd. Vanaf die datum heeft belanghebbende telkens op aangifte omzetbelasting voldaan. Tegen die voldoeningen op aangifte heeft zij bezwaar gemaakt op de grond dat zij voor de heffing van omzetbelasting met de Stichting een fiscale eenheid vormt.

2.5.1.

Het Hof heeft het oordeel van de Rechtbank en de gronden waarop dit oordeel berust, overgenomen. Dit oordeel houdt in dat belanghebbende en de Stichting, beide ondernemer in de zin van artikel 7, lid 1, van de Wet, in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig met elkaar zijn verweven dat zij een eenheid vormen als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet.

2.5.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat is voldaan aan het vereiste van verwevenheid in economisch opzicht, omdat belanghebbende uitsluitend prestaties verricht ten behoeve van de Stichting. Aan dit oordeel doet – anders dan de Inspecteur in beroep betoogde - niet af dat de Stichting ook veel niet-economische activiteiten verricht en dat de prestaties van belanghebbende mede worden afgenomen met het oog op het verrichten van die niet-economische activiteiten, aldus het Hof.

3 Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen

3.1.

Middel I is gericht tegen het hiervoor in 2.5.1 en 2.5.2 weergegeven oordeel over het in artikel 7, lid 4, van de Wet neergelegde vereiste van economische verwevenheid. Het middel betoogt dat economische verwevenheid in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet niet kan bestaan tussen een ondernemer (de Stichting) die vrijwel uitsluitend niet-economische handelingen verricht en een ondernemer (belanghebbende) die (nagenoeg) uitsluitend presteert ten behoeve van de niet-economische activiteiten van de eerstgenoemde ondernemer. Vorming van een fiscale eenheid zou in een zodanig geval volgens het middel ertoe leiden dat een entiteit ontstaat die zeer beperkt belastingplichtig is omdat deze nauwelijks economische handelingen verricht. Volgens middel I kan alleen sprake zijn van nauwe economische betrekkingen tussen de te voegen ondernemers indien en voor zover het bij deze betrekkingen gaat om economische activiteiten van de beoogde fiscale eenheid.

3.2.1.

Middel I faalt. Daartoe overweegt de Hoge Raad het volgende.

In artikel 7, lid 4, van de Wet is bepaald dat als fiscale eenheid worden aangemerkt in Nederland gevestigde natuurlijke personen en lichamen die ondernemer zijn en die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven dat zij een eenheid vormen. De tekst van deze bepaling maakt duidelijk dat het aankomt op de onderlinge verwevenheid van die personen en lichamen. Noch de tekst van artikel 7, lid 4, van de Wet, noch het doel of de strekking van dit vierde lid, biedt steun voor de hiervoor in 3.1 weergegeven opvatting van het middel. Ook prestaties die een ondernemer jegens een andere ondernemer verricht en die dienstbaar zijn aan niet-economische activiteiten van laatstbedoelde ondernemer, moeten in aanmerking worden genomen bij de beoordeling of tussen die beide ondernemers economische verwevenheid bestaat in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet.

3.2.2.

Het bestaan van economische verwevenheid moet in elk geval worden aangenomen indien de activiteiten van de ene ondernemer in hoofzaak ten behoeve van de andere ondernemer worden uitgeoefend (vgl. HR 22 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC3993). Aangezien in cassatie vaststaat dat belanghebbende uitsluitend prestaties verricht ten behoeve van de Stichting, heeft het Hof terecht geoordeeld dat is voldaan aan de eis van economische verwevenheid.

3.3.

De middelen II en III kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beoordeling van de in het incidentele beroep voorgestelde middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Proceskosten

Wat betreft het principale beroep in cassatie zal de Staatssecretaris worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende voor het geding in cassatie heeft moeten maken.

Wat betreft het incidentele beroep in cassatie ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart de beide beroepen in cassatie ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.920 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, L.F. van Kalmthout, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2019.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 501.