Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1086

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-07-2019
Datum publicatie
05-07-2019
Zaaknummer
18/03263
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:371, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2018:1134, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Kinderalimentatie. Hoogte alimentatie in relatie tot draagkracht alimentatieplichtige. Art. 1:397 BW. Invloed van schulden op draagkracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/1668
RvdW 2019/820
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 18/03263

Datum 5 juli 2019

BESCHIKKING

In de zaak van

[de man],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

hierna: de man,

advocaat: mr. C.G.A. van Stratum,

tegen

[de vrouw],
wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

hierna: de vrouw,

advocaat: aanvankelijk mr. S. Kousedghi, thans mr. H.J.W. Alt.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de beschikking in de zaak C/10/515102 van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2017.

b. de beschikking in de zaak 200.220.474/01 van het gerechtshof Den Haag van 9 mei 2018.

De man heeft tegen de beschikking van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.
De vrouw heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De beschikking van het hof, het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 9 mei 2018 en tot verwijzing.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De man en de vrouw zijn de ouders van een zoon, geboren op [geboortedatum] 2012 (hierna: de minderjarige).

(ii) Partijen zijn in 2012 feitelijk uit elkaar gegaan.

(iii) De minderjarige heeft zijn gewone verblijfplaats bij de vrouw.

2.2.1

De vrouw verzoekt in deze procedure vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. De rechtbank heeft deze bijdrage (hierna: kinderalimentatie) met ingang van 23 november 2016 bepaald op € 452,50 per maand.

2.2.2

Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en, voor zover thans van belang, de door de man te betalen kinderalimentatie over de periode van 23 november 2016 tot en met 31 december 2017 bepaald op € 279,-- per maand en over 2018 op € 308,-- per maand.

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1.1 Onderdeel 1 van het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de man over de periode van 23 november 2016 tot en met 31 december 2017 € 279,-- per maand aan kinderalimentatie dient te betalen. Volgens het onderdeel is dit oordeel onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd, nu het hof de draagkracht van de man heeft vastgesteld op € 145,-- per maand.

3.1.2 Het hof heeft, samengevat weergegeven, de behoefte van de minderjarige over de hiervoor in 3.1.1 genoemde periode vastgesteld op € 327,-- per maand, de draagkracht van de vrouw op € 25,-- per maand en de draagkracht van de man op € 145,-- per maand. (rov. 5.4-5.5 en 5.9). Vervolgens heeft het na een draagkrachtvergelijking het aandeel van de man in de te betalen kinderalimentatie bepaald op € 279,-- per maand. (rov. 5.10)

3.1.3 Ingevolge art. 1:397 lid 1 BW dient bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie enerzijds rekening te worden gehouden met de behoefte van het kind en anderzijds met de draagkracht van de alimentatieplichtige. Het hof heeft de door de man te betalen kinderalimentatie bepaald op een bedrag dat groter is dan de door het hof vastgestelde draagkracht van de man. Aldus heeft het hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting hetzij zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd. De klacht is dus gegrond.

3.2.1 Onderdeel 2, dat opkomt tegen het oordeel van het hof over de schuldenlast van de man, klaagt dat onbegrijpelijk is dat het hof bij het bepalen van de draagkracht van de man slechts een aflossingsbedrag van € 500,-- per maand in aanmerking heeft genomen. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof heeft verzuimd in te gaan op de met stukken onderbouwde stelling van de man dat er loonbeslag ligt, dat hij daarom slechts de beslagvrije voet krijgt uitgekeerd en dat hij daarmee in 2017 € 761,89 op zijn schulden heeft afgelost en ter zake in 2018 € 1.135,26 per maand aflost.

3.2.2 Het hof heeft, voor zover thans van belang, het volgende overwogen (rov. 5.8, tweede alinea):

“Het hof overweegt ten aanzien van de door de man gestelde schulden dat het in totaal om een bedrag ad € 54.049,-- gaat. Gelet op de stellingen van partijen ten aanzien van de (afbetaling van de) schulden als voornoemd, acht het hof het redelijk om bij de bepaling van de draagkracht van de man rekening te houden met een aflossing van € 500,-- per maand in de periode van 1 december 2016 tot en met 31 december 2018 (…).”

3.2.3 Het hof heeft niet toegelicht waarom het redelijk is rekening te houden met een aflossing van € 500,-- per maand en is niet ingegaan op de stelling van de man dat hij door middel van loonbeslag in 2017 een bedrag van € 761,89 per maand afloste en in 2018 een bedrag van € 1.135,26 per maand. Het oordeel van het hof met betrekking tot het aflossingsbedrag van € 500,-- per maand is derhalve ontoereikend gemotiveerd. De klacht slaagt.

3.2.4 De overige klachten van onderdeel 2 kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beoordeling van het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep

4.1.1 Het beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat onderdeel 2 in het principale cassatieberoep slaagt, welke voorwaarde is vervuld (zie hiervoor in 3.2.3).

4.1.2 Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de door de man gestelde schulden in totaal € 54.049,-- bedragen. Volgens het middel heeft de man in de procedure steeds wisselende standpunten ingenomen ten aanzien van (de hoogte van) zijn schulden. Deze staan dan ook niet vast. Bovendien komt men bij optelling van de door de man genoemde bedragen niet op het door het hof in aanmerking genomen bedrag van € 54.049,--, aldus de klacht.

4.1.3 De klacht slaagt. Het hof heeft in rov. 5.6 een aantal schulden van de man genoemd. Optelling daarvan resulteert niet in een bedrag van € 54.049,--. De vrouw heeft deze schulden bovendien betwist. Zonder nadere toelichting is dan ook onbegrijpelijk dat het hof uitgaat van een schuldenlast van de man van € 54.049,--.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale en in het incidentele beroep:

- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 9 mei 2018;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Fierstra op 5 juli 2019.