Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1083

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
18/00043
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:482
Nadere conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:902
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

HR ambtshalve: OM n-o in vervolging. Verdachte overleden (art. 69 Sr). Samenhang met ECLI:NL:HR:2019:1135.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/996
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/00043

Datum 17 september 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van

20 december 2017, nummer 22/003428-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E. Maessen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het gerechtshof Den Haag en van het vonnis van de rechtbank Rotterdam en tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in de vervolging.

2 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Blijkens een aan de Hoge Raad overgelegd, door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Roermond gewaarmerkt afschrift van een akte van de burgerlijke stand van die gemeente is de verdachte op 9 juli 2019 aldaar overleden.

Daarom is volgens art. 69 Sr in deze zaak het recht tot strafvordering vervallen, zodat als volgt moet worden beslist.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag en de uitspraak van de

Rechtbank Rotterdam;

- verklaart de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk in de vervolging.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2019.