Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1076

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-07-2019
Datum publicatie
03-07-2019
Zaaknummer
18/04284
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:728
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2017:2901, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Deelname aan 2 verschillende criminele organisaties, die veelvuldig documenten vervalsen, zorgkantoren en zorgverzekeraars oplichten en aanzienlijke bedragen witwassen ten gevolge waarvan misbruik is gemaakt van PGB-systeem en systeem waarbij zorg in natura wordt verleend (art. 140 Sr). 1. Kan uit b.m. worden afgeleid dat verdachte weet had van crimineel oogmerk van organisaties? 2. Oogmerk op verhullingshandelingen a.b.i. art. 420bis Sr. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 17/04455 (art. 81.1 RO), 17/04551 (art. 81.1 RO), 17/04591 (niet gepubliceerd, art. 80a RO), 18/04281 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o), 18/04283 (niet gepubliceerd; art. 80a RO) en 18/04285 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/835
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/04284

Datum 2 juli 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 15 september 2017, nummer 22/005641-14, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H. Sytema, advocaat te 's‑Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch alleen wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het vierde middel

3.1

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2

Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van tien maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze negen maanden en twee weken beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2019.