Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1062

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-07-2019
Datum publicatie
02-07-2019
Zaaknummer
18/01785
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:465
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2018:1133, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verduistering van grote geldbedragen door executeur testamentair van nalatenschap, art. 321 jo 323 Sr. 1. Verzoek tot terugwijzing zaak naar Rb i.v.m. onbevoegdheid rechter-plaatsvervanger in e.a., nu deze is benoemd tot gerechtsauditeur en stond ingeschreven als advocaat. 2. Vordering b.p. Toewijzing vordering schadevergoeding aan en oplegging schadevergoedingsmaatregel t.b.v. één persoon terwijl sprake is van een gemeenschap van erfgenamen.

Ad 1. ’s Hofs oordeel dat benoeming van rechter tot gerechtsauditeur bij KB niet diens ontslag als rechter-plaatsvervanger impliceerde, is niet onbegrijpelijk. Opvatting dat de omstandigheid dat rechter t.t.v. de berechting in e.a. door zijn inschrijving op het tableau van advocaten een met zijn rechterlijk ambt (absoluut) onverenigbare nevenbetrekking vervulde en dat dit tot gevolg heeft dat daardoor aan de samenstelling van Rb een gebrek kleefde dat tot vernietiging van de uitspraak en terugwijzing van de zaak naar Rb diende te leiden, vindt geen steun in het recht, i.h.b. niet in art. 44 Wrra.

Ad 2. Hof heeft vordering b.p. A toegewezen en tevens t.b.v. haar een schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Sr opgelegd aan verdachte. Hierbij heeft Hof klaarblijkelijk tot uitgangspunt genomen de vaststelling dat de schade waarvan in de strafzaak vergoeding is gevorderd niet is geleden enkel door A, maar is geleden door de gezamenlijke erfgenamen. Gelet op hetgeen namens verdachte is aangevoerd moet ook de verdediging, die op dit punt geen verweer heeft gevoerd, zich ervan bewust zijn geweest dat b.p. A niet louter voor zichzelf procedeerde. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat b.p. A in haar hoedanigheid van deelgenoot in de gemeenschap gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot het instellen van één gezamenlijke rechtsvordering t.b.v. de gezamenlijke erfgenamen als de benadeelde gemeenschap. Kennelijk bij vergissing heeft Hof bij de toewijzing van vordering b.p. en oplegging van schadevergoedingsmaatregel het vorenstaande niet in acht genomen. HR verstaat dat b.p. vordering tot schadevergoeding heeft ingesteld namens gezamenlijke erfgenamen en dat schadevergoedingsmaatregel is opgelegd ten behoeve van gezamenlijke erfgenamen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/213
NJB 2019/1673
RvdW 2019/832
SR-Updates.nl 2019-0132
ERF-Updates.nl 2019-0160
NBSTRAF 2019/250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/01785

Datum 2 juli 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 4 april 2018, nummer 23/005160-12, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Namens de benadeelde partij heeft J. den Hoed, advocaat te Haarlem, een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen wat betreft de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadslieden van de verdachte en van de benadeelde partij hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1

Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat de zaak naar de Rechtbank dient te worden teruggewezen vanwege de onbevoegdheid van één van de over de zaak in eerste aanleg oordelende rechters, te weten mr. H.A. Stalenhoef.

2.2

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Bevoegdheid mr. Stalenhoef

De voormalig raadsman van de verdachte - mr. Korvinus - heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 19 juni 2017 bij wege van preliminair verweer bepleit dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg en het vonnis in eerste aanleg nietig dienen te worden verklaard, aangezien mr. Stalenhoef onbevoegd was als rechter in de onderhavige strafzaak op te treden. Hiertoe is aangevoerd dat bestuursrechtelijk de rechtsgevolgen van het Koninklijk Besluit (hierna: KB) van 6 juni 2012 leidend zijn. In dit KB is mr. Stalenhoef ontslagen uit zijn ambt als rechter-plaatsvervanger, in welk kader de verdediging wijst op de verwijzing in de aanhef van het KB naar artikel 46h Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (hierna: Wrra). Ook uit het register Beroepsgegevens en nevenbetrekkingen rechterlijke macht (hierna: het register Beroepsgegevens) volgt dat mr. Stalenhoef daarna geen rechter-plaatsvervanger meer was. Subsidiair is een beroep gedaan op artikel 44a Wrra, alsmede op de omstandigheid dat mr. Stalenhoef destijds nog ingeschreven stond als advocaat in Haarlem, terwijl hij tevens als rechter-plaatsvervanger werkzaam was in het kader van de RAIO-opleiding zodat sprake is van een absolute incompatibiliteit.

De inschrijving op het tableau is naar de opvatting van de verdediging leidend: een extra argument voor de stelling van de verdediging dat mr. Stalenhoef niet bevoegd was als rechter op te treden.

De huidige raadsman van de verdachte - mr. Kaarls - heeft op 7 maart 2018 ter terechtzitting in hoger beroep met verwijzing en in aanvulling op voornoemd verweer en in reactie op de beslissing van het gerechtshof Amsterdam van 19 juni 2017, bepleit dat de conclusie van het hof geen aansluiting vindt bij de praktijk van ontslag en benoeming bij opeenvolgende ambten in aanloop naar het ambt van rechter. Hiertoe is door mr. Kaarls aangevoerd dat raadpleging van het register Beroepsgegevens een (niet uitputtend) aantal van 17 willekeurige rechters oplevert die een identiek ontslag en benoemingsverloop hebben als mr. Stalenhoef. Voorst is door mr. Kaarls bepleit dat de beoordeling van het hof niet aansluit bij de aanwijzingen vaste richtlijnen van de minister van Justitie over de wijze waarop een Koninklijk Besluit dient te worden geredigeerd en de informatie die in een in een Koninklijk Besluit dient te worden opgenomen, van welke regels in principe niet kan worden afgeweken.

Het hof is van oordeel dat hetgeen ter terechtzitting van 7 maart 2018 door de verdediging naar voren is gebracht ter onderbouwing van de eerder aangevoerde verweren - ook na het opnieuw aanvangen van het onderzoek in een andere samenstelling - geen aanleiding vormt tot een andere beslissing te komen dan de beslissing die door het hof is gegeven op 19 juni 2017.

Het hof heeft op 19 juni 2017 overwogen dat:

De voorzitter onderbreekt daarop het onderzoek voor beraad. Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof het mede dat het preliminaire verweer wordt verworpen op de navolgende gronden:

Mr. Stalenhoef is bij Koninklijke Besluit van 24 juli 2010 in het kader van zijn opleiding tot rechterlijk ambtenaar benoemd tot rechter-plaatsvervanger met ingang van de datum waarop hij is beëdigd, te weten 7 september 2010. Vervolgens is mr. Stalenhoef bij Koninklijke Besluit van 6 juni 2012 tevens benoemd tot gerechtsauditeur per 24 juni 2012. Het hof baseert zich daarbij op het volledige originele verzamel KB zoals overgelegd door de a-g van diezelfde datum. Het hof concludeert daaruit dat mr. Stalenhoef bevoegd was als rechter in de onderhavige strafzaak op te treden. Dat bij dat besluit hem gelijktijdig (impliciet) op eigen verzoek ontslag is verleend uit het ambt van rechter-plaatsvervanger blijkt niet. Het enkele gegeven dat in de aanhef wordt verwezen naar artikel 46h Wrra maakt dit niet anders. Uit het Koninklijk besluit volgt evident aan welke personen ontslag is verleend, te weten aan de personen vermeld onder de Romeinse cijfers II, III, IV, V, VI, VII en X, nu daarbij expliciet is vermeld dat aan hen ontslag wordt verleend, hetgeen bij de benoeming van mr. Stalenhoef tot gerechtsauditeur (Romeinse cijfer VIII) niet het geval is. Nu uit het KB niet valt af te leiden dat aan mr. Stalenhoef ontslag is verleend uit het ambt van rechter-plaatsvervanger, concludeert het hof dat hetgeen vermeld stond in het register Beroepsgegevens en nevenbetrekkingen rechterlijke macht zoals dat luidde op 13 mei 2016 kennelijk op een misslag berust. Deze misslag is later hersteld. Het verweer wordt ook op dit punt verworpen.

Aan artikel 44 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, zoals destijds luidend, kan geen absolute incompatibiliteit met de hoedanigheid van advocaat worden ontleend. Ten overvloede: overweegt het hof daarbij dat ook aan het huidige artikel 44 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren een incompatibiliteit niet valt te ontlenen, nu mr. Stalenhoef destijds niet als advocaat kantoor hield binnen het arrondissement Haarlem, maar binnen het arrondissement Amsterdam, zoals volgt uit het schrappen uit het advocatentableau.

Hetgeen overigens nog naar voren is gebracht leidt niet tot een ander oordeel. Het verweer wordt verworpen.

Het hof acht zich op grond van de thans overgelegde stukken voldoende geïnformeerd op dit punt. Voor zover de verdediging heeft verzocht om de aanvullende stukken, zoals vermeld in de pleitnota van de raadsman op pagina 8 onder a, b, c en d, wordt dit verzoek afgewezen nu de noodzaak daartoe ontbreekt.

Het hof verwijst ter onderbouwing van de afwijzing van het verweer - thans in de nieuwe samenstelling en na het onderzoek opnieuw te zijn aangevangen - enerzijds naar de hiervoor vermelde overweging uit het proces-verbaal van 19 juni 2017 en anderzijds naar het navolgende.

Bij Koninklijk Besluit van 24 juni 2010 is mr. Stalenhoef benoemd tot rechter-plaatsvervanger. Hij was toen kennelijk - gezien dit KB - al rechterlijk ambtenaar in opleiding. Vervolgens is mr. Stalenhoef bij Koninklijk Besluit van 6 juni 2012 (nr. 12.001277) benoemd tot gerechtsauditeur. De Koningin en de Minister van Veiligheid en Justitie hebben hun handtekening geplaatst onder het originele KB, en - vanzelfsprekend - niet onder het voor uittreksel conform door de Raad voor de Raadspraak verstrekte stuk. Bij de uitleg van dit uittreksel dient (dan ook) te worden aangesloten bij hetgeen in het originele Koninklijke Besluit (een KB-conforme uitleg) staat. In dit originele Koninklijke Besluit wordt in de aanhef verwezen naar de artikelen 2 (eerste lid) en 46h Wrra en staat onder VIII:

“te benoemen tot gerechtsauditeur bij een nader bij besluit van de Raad voor de rechtspraak aan te wijzen gerecht, met als datum van indiensttreding 24 juni 2012: mr. Herman Alexander Stalenhoef... thans rechterlijk ambtenaar in opleiding bij de gerechten, tevens rechter-plaatsvervanger in de rechtbank Haarlem.”

Bij de uitleg van voornoemd KB is om te beginnen - zoals ook reeds overwogen op 19 juni 2017 - de inhoud van het KB in zijn geheel van belang, waarbij vermeld kan worden dat aan een aantal van de in het KB genoemde personen op eigen verzoek ontslag wordt verleend uit het ambt van rechter (dan wel raadsheer) met gelijktijdige benoeming tot rechter- c.q. raadsheer- plaatsvervanger, aan twee personen wordt op eigen verzoek eervol ontslag verleend uit het ambt van rechter-plaatsvervanger, aan een raadsheer-plaatsvervanger wordt eervol ontslag verleend wegens het bereiken van de wettelijk gestelde leeftijdsgrens en een rechterlijk-plaatsvervanger wordt benoemd tot rechter. Voorts is van belang dat artikel 46h Wrra ontslag op eigen verzoek regelt, alsmede ontslag bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar (dan is geen verzoek nodig). In de artikelen die daarna zijn opgenomen in de Wrra wordt de schorsing en het niet op eigen verzoek gedane ontslag van rechterlijk ambtenaren door de Hoge Raad geregeld. Dit laatste is hier niet aan de orde. Een en ander in gezamenlijk verband bezien brengt mee dat niet zowel artikel 2 Wrra (dat betrekking heeft op benoemingen) als artikel 46h Wraa van toepassing is op een en dezelfde persoon in het KB genoemde persoon als niet tevens wordt vermeld dat er sprake is van ontslag op eigen verzoek uit het ene ambt en benoeming in het andere ambt, alsook dat niet van een impliciet ontslag kan worden uitgegaan daar waar in het KB van een ontslagverzoek geen sprake is. Indien sprake is van ontslag wordt dat expliciet vermeld. Van het onbevoegd uitoefenen van het ambt door mr. Stalenhoef is dan ook geen sprake. In verband met het beroep op het Register Beroepsgegevens wordt nog overwogen dat reeds (aan) de aard van het ambt van rechter waarbij ontslag in beginsel slechts op eigen verzoek kan plaatsvinden (behoudens bij het bereiken van de wettelijke leeftijdsgrens) in de weg staat dat aan dit register die betekenis wordt toegekend als wordt voorgestaan in het verweer. Ook wordt nog overwogen dat - anders dan door de verdediging betoogd onder 16 van de pleitnotities - van een inconsequentie ten opzichte van het KB van 11 april 2013 geen sprake is. Immers, in dit KB waarbij mr. Stalenhoef wordt benoemd tot rechter staat dat hij op dat moment gerechtsauditeur, tevens rechter-plaatsvervanger is. Voorts wordt nog opgemerkt dat voor het herhaalde beroep op de incompatibiliteit wordt verwezen naar hetgeen op 19 juni 2017 aan de verwerping van dit onderdeel van het verweer ten grondslag is gelegd.

Voor zover het eerder door de toenmalige raadsman mr. Korvinus gevoerde verweer met betrekking tot de kwestie Stalenhoef verzoeken bevatte, zijn deze ter terechtzitting d.d. 7 maart 2018 niet herhaald en behoeven deze derhalve geen bespreking. Als reeds overwogen, ziet het hof derhalve in hetgeen door mr. Kaarls ter terechtzitting d.d. 7 maart 2018 naar voren is gebracht geen aanleiding zijn conclusie (nietig vonnis) te volgen dan wel de verzoeken (terugwijzen dan wel prejudiciële vragen stellen) toe te wijzen. Het verweer wordt verworpen.”

2.3

De rechtsgang is, voor zover hier van belang, weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4, 7 en 8. Voor de weergave van het originele Koninklijk Besluit van 6 juni 2012 en voor de weergave van het Koninklijk Besluit van 11 april 2013 wordt verwezen naar deze conclusie, respectievelijk onder 12 en 18. Art. 44 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra), zoals dat gold ten tijde van de berechting van de zaak in eerste aanleg, is weergegeven in de conclusie onder 24 en de in dit kader van belang zijnde geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling en die van de wet tot wijziging van de Wrra is vermeld in de conclusie onder 25, onderscheidenlijk 26.

2.4.1

Voor zover het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de benoeming van mr. Stalenhoef tot gerechtsauditeur bij Koninklijk Besluit van 6 juni 2012 niet diens ontslag als rechter-plaatsvervanger impliceerde, faalt het. De door het Hof gegeven uitleg aan het Koninklijk Besluit van 6 juni 2012 is niet onbegrijpelijk.

2.4.2

Voor zover het middel klaagt dat met het optreden van mr. Stalenhoef als rechter onverenigbaar was dat hij tot 26 november 2012 op het tableau van advocaten stond ingeschreven, kan het middel niet tot cassatie leiden. Het middel berust immers op de opvatting dat de omstandigheid dat mr. Stalenhoef ten tijde van de berechting in eerste aanleg door zijn inschrijving op het tableau van advocaten een met zijn rechterlijk ambt (absoluut) onverenigbare nevenbetrekking vervulde en dat dit tot gevolg heeft dat daardoor aan de samenstelling van de Rechtbank een gebrek kleefde dat tot vernietiging van de uitspraak en terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank diende te leiden. Die opvatting vindt geen steun in het recht, in het bijzonder ook niet in art. 44 Wrra.

3 Beoordeling van het vierde middel

3.1

Het middel klaagt over de toewijzing door het Hof van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

3.2

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 8 februari 2005 tot en met 30 mei 2006, te Oude Meer, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Zoeterwoude opzettelijk een geldbedrag van in totaal 2.032.500,- euro, dat toebehoorde aan [de erven] , en welk goed verdachte onder zich had in zijn hoedanigheid van executeur testamentair van een nalatenschap, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.”

3.3.1

Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een ‘Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces’ van de benadeelde partij [benadeelde 1] met bijlagen. Dit voegingsformulier houdt onder meer in:

“1. Benadeelde

Naam [benadeelde 1]

Voornamen [benadeelde 1]

(...)

2. Gemachtigde van benadeelde

Naam [betrokkene 1]

Voornamen [betrokkene 1]

(...)

3. Datum en plaats/gemeente voorval

Datum tussen 3-5-2004 en 31/7/2006

Plaats/gemeente Oude Meer

(...)

4b. Gegevens over de schade

De totale schade bestaat uit de volgende posten:

Omschrijving (...) Bedrag

1 arrest 29/9/2009 Hof A'dam 1.932.500

2 notaris 2.159,26

3 KPMG 20.000,-

4 [betrokkene 2] (fiscalist) 77.886,14

5 Köster Advocaten (advocaat) 67.795,03

6 rente over 1 t/m 5 PM

(...)

Totaal: 2.100.340,43

(...)

5a. Gegevens over eventueel reeds vergoede of elders geclaimde schade

(...)

€ 84.985,14”

3.3.2

Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich als bijlagen bij het voegingsformulier van de benadeelde partij [benadeelde 1] :

- een vonnis van de Rechtbank Haarlem van 23 april 2008. Dit vonnis houdt als beslissing van de Rechtbank, voor zover hier van belang, het volgende in:

“(...)

5.3.

veroordeelt [verdachte] om aan [de erven] te betalen een bedrag van EUR 1.932.500,00 (één miljoen negenhonderdtweeëndertig duizendvijfhonderd euro),

(...)”

- een arrest van het Hof Amsterdam van 29 september 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009: BK1928). Dit arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“in de zaak van:

[verdachte] ,

zonder vaste woon- of verblijfsplaats in Nederland,

(...)

tegen

1. [benadeelde 5] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [benadeelde 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

3. [benadeelde 6] ,

wonende te [woonplaats] ,

4. [benadeelde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

(...)

Partijen zullen in dit arrest [verdachte] en [de erven] worden genoemd.

(...)

5. Beslissing

Het hof:

(...)

bekrachtigt het bestreden vonnis van 23 april 2008 van de rechtbank te Haarlem in conventie en in reconventie tussen partijen gewezen;

(...)”

3.3.3

Het vonnis van de Rechtbank in eerste aanleg houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“3.4. Bewijsoverweging

(...)

Bij arrest van 29 september 2009 heeft het gerechtshof Amsterdam in navolging van het vonnis van de rechtbank Haarlem van 23 april 2008 in een door [de erven] tegen verdachte aangespannen civiele procedure, verdachte veroordeeld - kort samengevat - tot betaling aan [de erven] van een bedrag van € 1.932.500,- (de rechtbank begrijpt dat het hier gaat om het in eerste instantie door aangeefster opgegeven bedrag waarin de overboeking van € 100.000 die op 30 mei 2006 heeft plaatsgevonden nog niet is inbegrepen) en tot het afleggen van rekening en verantwoording aan [de erven] over de besteding van dat bedrag die hij als executeur heeft overgeboekt. (...)

7. Vordering benadeelde partij [benadeelde 1] en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van - zoals ter terechtzitting gewijzigd - € 2.115.355,29 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit:

- € 1.932.500,- met verwijzing naar de civielrechtelijke veroordeling van verdachte door het gerechtshof te Amsterdam d.d. 29 september 2009;

- € 2.159,26 aan notariskosten;

- € 20.000,- aan kosten KPMG […] ;

- € 77.886,14 aan kosten fiscalist [betrokkene 2] ;

- € 67.795,03 aan kosten Koster Advocaten;

- € 100.000,- ter zake de laatste overboeking van de onder feit 1 ten laste gelegde verduistering.

Op het totale schadebedrag (€ 2.200.340,43) dient volgens de vordering een bedrag van € 84.985,14 in mindering te worden gebracht, nu de schade voor dat gedeelte via executoriaal beslag reeds op verdachte is verhaald.

(...)

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade tot een bedrag van € 100.000,- rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve in zoverre worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 mei 2006 tot aan de dag der algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit de overboeking van € 100.000,- van de bankrekening van de erven op 30 mei 2006 naar de girorekening van [A] B.V.”

3.3.4

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 februari, 6 maart, 7 maart, 8 maart en 21 maart 2018 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnotities. Deze pleitnotities houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

“Vordering benadeelde partij

(...)

137. Gezien de thans nog onherroepelijke uitspraak van het gerechtshof in de civiele procedure kan benadeelde partij, gelet op bestaande rechtspraak, niet worden ontvangen in haar vordering. De advocaat van benadeelde partij heeft ter zitting van uw hof van 6 maart 2018 ook verklaard dat de hoogte van de vordering van de benadeelde partij het door de rechtbank in eerste aanleg toegewezen bedrag betreft. Door de rechtbank is € 100.000,- toegewezen.

138. De advocaat van benadeelde partij [benadeelde 1] heeft geen nadere onderbouwing gegeven van overige in eerste aanleg opgevoerde schadeposten. Onvoldoende onderbouwd is enig rechtstreeks verband met het ten laste gelegde feit voor wat betreft de kosten van de notaris, KPMG […] , de fiscalist en kosten rechtsbijstand (alle overige kosten).

Gelijk aan het oordeel van de rechtbank in eerste aanleg verzoekt de verdediging benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering te verklaren, zo uw hof nog van oordeel zou zijn dat deze posten besproken dienen te worden.

139. Daarbij is onduidelijk of alle erven zich kunnen verenigen met de hoogte van de vordering benadeelde partij, laat staan dat duidelijk is of de overige erven zouden wensen dat een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

140. De verdediging verzoekt afwijzing van de schadevergoedingsmaatregel. Hoewel thans nog sprake is van een onherroepelijke civiele uitspraak, is een herroepingsprocedure aanhanging. De Hoge Raad dient zich nog over deze zaak te buigen.”

3.4

Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2.115.355,29. In dit bedrag was onder andere - onder verwijzing naar de civielrechtelijke veroordeling van de verdachte door het gerechtshof Amsterdam d.d. 29 september 2009 - opgenomen een bedrag van € 1.932.500. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 100.000, waarbij rekening is gehouden met de omstandigheid dat de familiekamer van het gerechtshof Amsterdam bij (onherroepelijk) arrest van 29 september 2009 de verdachte (reeds) heeft veroordeeld tot betaling van € 1.932.500 aan de erven. In de door de verdachte ingestelde herroepingsprocedure is bij arrest van 5 december 2017 de door de verdachte ingediende vordering tot herroeping afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep aanvankelijk opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Ter terechtzitting in hoger beroep van 6 maart 2018 heeft mr. Koekkoek, advocaat van de benadeelde partij, naar de kern samengevat, aangegeven dat de vordering benadeelde partij - gelet op het reeds in de civiele procedure toegewezen bedrag - € 100.000 bedraagt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte naast hetgeen in de civiele procedure reeds is toegewezen tevens rechtstreeks schade heeft geleden voor zover het betreft het thans nog gevorderde - en door de verdediging onvoldoende gemotiveerd bestreden - bedrag van € 100.000. De verdachte is derhalve tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Om te bevorderen dat de totale door de verduistering veroorzaakte schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep kan worden opgemaakt dat hij niet van plan is vrijwillig aan de reeds bijna negen jaar geleden door de familiekamer van dit hof uitgesproken veroordeling tot betaling te voldoen, aangezien de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep meermalen heeft aangegeven dat de erven beslag op zijn vermogen in Zwitserland kunnen leggen, maar hij zal trachten executie op dat vermogen te frustreren. Geoordeeld wordt dat nu - mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - aan de zijde van de verdachte geen sprake lijkt te zijn van betalingsonmacht, maar van betalingsonwil aan de verdachte de verplichting zal worden opgelegd aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.947.514,86 (het totaal verduisterde bedrag waarop in mindering is gebracht € 84.985,14 zijnde de executieopbrengst van een pand).

(...)

BESLISSING

Het hof:

(...)

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot een bedrag van € 100.000,00 (honderdduizend euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

(...)

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.947.514,86 (een miljoen negenhonderdzevenenveertigduizend vijfhonderdveertien euro en zesentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.”

3.5

De volgende wettelijke bepalingen zijn in het bijzonder van belang.

- Art. 3:166, eerste lid, BW:

“Gemeenschap is aanwezig, wanneer een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk.”

- Art. 3:171 (oud) BW:

“Tenzij een regeling anders bepaalt, is iedere deelgenoot bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Een regeling die het beheer toekent aan een of meer der deelgenoten, sluit, tenzij zij anders bepaalt, deze bevoegdheid voor de anderen uit.”

- Art. 6:15, tweede lid, BW:

“Is de prestatie ondeelbaar of valt het recht daarop in een gemeenschap, dan hebben zij gezamenlijk één vorderingsrecht.”

3.6.1

Blijkens hetgeen hiervoor in 3.4 is weergegeven, heeft het Hof, mede gezien de verwijzing naar het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 29 september 2009, bij zijn overwegingen en beslissingen klaarblijkelijk tot uitgangspunt genomen de vaststelling dat de schade waarvan in de strafzaak vergoeding is gevorderd niet is geleden enkel door [benadeelde 1] , maar is geleden door de erven, de partij die in het (ook in de hiervoor in 3.3.1 opgenomen bijlage bij het voegingsformulier reeds vermelde) arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 29 september 2009 is aangeduid als “ [de erven] ”, te weten [benadeelde 5] , [benadeelde 4] , [benadeelde 6] en [benadeelde 1] , gezamenlijk [de erven] . Gelet op hetgeen in 3.3.4 onder 139 is weergegeven, moet ook de verdediging, die in feitelijke aanleg op dit punt geen verweer heeft gevoerd, zich ervan bewust zijn geweest dat [benadeelde 1] niet louter voor zichzelf procedeerde. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat [benadeelde 1] in haar hoedanigheid van deelgenoot in de gemeenschap gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot het instellen van één gezamenlijke rechtsvordering ten behoeve van de gezamenlijke erfgenamen als de benadeelde gemeenschap.

3.6.2

Kennelijk bij vergissing heeft het Hof bij de toewijzing van de vordering tot schadevergoeding en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel het vorenstaande niet in acht genomen. De Hoge Raad zal doen wat het Hof had behoren te doen en verstaan dat [benadeelde 1] , kort gezegd, de vordering tot schadevergoeding heeft ingesteld namens de gezamenlijke erfgenamen en dat de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd ten behoeve van de gezamenlijke erfgenamen.

4 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- verstaat het dictum in de bestreden uitspraak aldus dat:

i) het Hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot een bedrag van € 100.000,00 (honderdduizend euro) ter zake van materiële schade heeft toegewezen aan [de erven] zoals hiervoor in rov. 3.6.1 omgeschreven, alsmede

ii) het Hof de verplichting aan de verdachte heeft opgelegd om aan de Staat, ten behoeve van [de erven] zoals hiervoor in 3.6.1 omschreven, ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.947.514,86 (een miljoen negenhonderdzevenenveertigduizend vijfhonderdveertien euro en zesentachtig cent);

- verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2019.