Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1017

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-06-2019
Datum publicatie
26-06-2019
Zaaknummer
18/01597
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:204
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op auto onder ander (A), die auto heeft gekocht van B maar niet heeft betaald, t.z.v. verdenking van verduistering, waarna A auto (hangende het beslag) heeft verkocht aan klager en OvJ auto vervolgens heeft teruggegeven aan oorspronkelijke eigenaar (B). Rb heeft klager n-o verklaard in zijn beklag. Had Rb art. 116.3 Sv moeten toepassen? V.zv. middel berust op opvatting dat Rb, niettegenstaande teruggave van auto aan oorspronkelijke eigenaar, klaagschrift ontvankelijk had moeten achten, omdat klaagschrift mede moet worden opgevat als beklag in de zin van art. 116.3 Sv, kan het niet tot cassatie leiden. Die bepaling ziet immers op beklag van degene bij wie voorwerp in beslag is genomen (vgl. ECLI:NL:HR:2014:3106). In deze zaak is, zoals Rb - in het licht van processtukken niet onbegrijpelijk - heeft vastgesteld, auto in beslag genomen onder A en niet onder klager. Rb heeft klaagschrift terecht n-o verklaard. Volgt n-o verklaring in cassatieberoep. CAG (strekking): verwerping beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 juni 2019

Strafkamer

nr. S 18/01597 B

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 27 maart 2018, nummer RK 18/447, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992 dan wel [geboortedatum] 1992.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft H. Oldenhof, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat de Rechtbank de klager ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beklag.

2.2.

De Rechtbank heeft de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag strekkende tot opheffing van het beslag op een auto en teruggave van deze auto aan de klager. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

"De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige beklag uit van de navolgende feiten en omstandigheden:

- Op 22 november 2017 heeft [betrokkene 1] een zwarte BMW met kenteken [kenteken] (hierna te noemen: de auto) verkocht aan [betrokkene 2] , via Marktplaats.nl. De auto is op diezelfde dag in het register van de RDW overgeschreven op naam van [betrokkene 2] . Achteraf bleek de betaling van de koopsom, die zou hebben plaatsgevonden via internetbankieren, niet daadwerkelijk te zijn verricht.

- Op 24 november 2017 werd de auto te koop aangeboden aan [betrokkene 3] , eigenaar van een autobedrijf in Rotterdam. Toen [betrokkene 3] doorvroeg naar de herkomst van de auto, is de persoon die de auto te koop aanbood op enig moment weggerend, waarbij hij de auto achterliet. [betrokkene 3] heeft vervolgens de politie gebeld, die de auto vervolgens op grond van artikel 94 Sv in beslag genomen heeft vanwege het feit dat de auto mogelijk afkomstig zou zijn van verduistering.

- [betrokkene 2] heeft geen afstand gedaan van hetgeen in beslag is genomen.

- Op 3 december 2017, hangende het beslag, is de auto in het register van de RDW van [betrokkene 2] overgeschreven naar klager.

Overwegingen

De eerste vraag die ter beoordeling voor ligt is of klager ontvankelijk is in zijn beklag.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn beklag, nu er geen beslag meer op de auto rust. De officier van justitie heeft te kennen gegeven dat de auto reeds is teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaar van de auto, [betrokkene 1] , omdat er geen strafvorderlijk belang meer aanwezig was om het beslag op de auto te laten voortduren en omdat [betrokkene 1] redelijkerwijs als rechthebbende moest worden aangemerkt.

Klager stelt dat hij de rechtmatige eigenaar van de auto is. Hij voert daartoe aan dat hij de auto op 3 december 2017 [betrokkene 2] heeft gekocht voor een bedrag van EUR 20.000,=. Hij wist op dat moment dat de auto in beslag genomen was en zich bij de politie bevond, maar betoogt dat hij het nodige onderzoek heeft verricht alvorens tot aankoop van de auto over te gaan en heeft te gelden als koper te goeder trouw.

Volgens klager had de officier van justitie hem ingevolge artikel 116 Sv op de hoogte moeten stellen van zijn voornemen om de auto aan [betrokkene 1] terug te geven, zodat hij (klager) de mogelijkheid zou hebben gehad zich over dat voornemen te beklagen. Klager heeft er in dat verband op gewezen dat hij zijn klaagschrift reeds had ingediend op het moment dat de officier van justitie overging tot teruggave van de auto aan [betrokkene 1] , en dat hij dus reeds als belanghebbende in beeld was bij de officier van justitie. Gelet daarop had de officier van justitie niet mogen overgaan tot teruggave aan een ander zonder hem van het voornemen daartoe op de hoogte te stellen, aldus klager. Nu de procedure van artikel 116 Sv niet correct is gevolgd, moet volgens klager worden uitgegaan van de fictie van een nog niet uitgevoerd voornemen van de officier van justitie, zodat het beklag ontvankelijk is.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 116 lid 1 Sv beslist de officier van justitie over het voortduren van het beslag op voorwerpen die op grond van artikel 94 Sv in beslag zijn genomen. Indien het belang van strafvordering niet of niet meer aanwezig is, beëindigt de officier het beslag en doet hij het voorwerp in beginsel teruggeven aan degene bij wie het voorwerp in beslag genomen is.

Indien de officier van justitie meent dat een ander dan de beslagene is aan te merken als redelijkerwijs als rechthebbende is aan te merken en voornemens is om het in beslaggenomen voorwerp aan die ander terug te geven, dient de officier van justitie (indien de beslagene geen afstand van het voorwerp heeft gedaan) ingevolge artikel 116 lid 3 Sv de beslagene vooraf schriftelijk van zijn voornemen op de hoogte te stellen, teneinde de beslagene de mogelijkheid te geven zich over dat voornemen te beklagen.

Het betoog van klager dat de officier van justitie hem op de hoogte had moeten stellen van zijn voornemen wordt verworpen, nu klager niet de beslagene is.

Nu de auto reeds is teruggegeven aan [betrokkene 1] en nu de situatie van artikel 116 lid 3 Sv niet aan de orde is, zal klager niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beklag."

2.3.

Art. 116 Sv luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"1. De hulpofficier van justitie of de officier van justitie die op grond van artikel 94, derde lid, in kennis is gesteld van de kennisgeving van inbeslagneming, beslist over het voortduren van het beslag in het belang van de strafvordering. Indien dit belang niet of niet meer aanwezig is, beëindigt hij het beslag en doet hij het voorwerp onverwijld teruggeven aan degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen. (...)

2. Indien degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen ten overstaan van de rechter-commissaris, de officier van justitie of een opsporingsambtenaar schriftelijk verklaart afstand te doen van het voorwerp, kan de hulpofficier van justitie of het openbaar ministerie:

a. het voorwerp doen teruggeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt;

b. gelasten dat het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende in bewaring zal blijven, indien teruggave aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, nog niet mogelijk is;

c. in geval degene bij wie het voorwerp is in beslag genomen verklaart dat het hem toebehoort, gelasten dat daarmee wordt gehandeld als ware het verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer.

3. Wordt een verklaring als bedoeld in het tweede lid niet afgelegd, dan kan het openbaar ministerie de beslissing onder a of b alsnog nemen, indien degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen, zich niet binnen veertien dagen nadat het openbaar ministerie hem schriftelijk kennis heeft gegeven van het voornemen tot zodanige beslissing, daarover heeft beklaagd of het door hem ingestelde beklag ongegrond is verklaard. Op het beklag is titel IX van het Vierde Boek van overeenkomstige toepassing."

2.4.1.

Voor zover het middel berust op de opvatting dat de Rechtbank, niettegenstaande de hiervoor vermelde teruggave van de auto aan de oorspronkelijke eigenaar [betrokkene 1] , het klaagschrift ontvankelijk had moeten achten, omdat het klaagschrift mede moet worden opgevat als een beklag in de zin van art. 116, derde lid, Sv, kan het niet tot cassatie leiden. Die bepaling ziet immers op een beklag van degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen (vgl. o.a. HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3106). In deze zaak is, zoals de Rechtbank - in het licht van de processtukken niet onbegrijpelijk - heeft vastgesteld, de auto in beslag genomen onder [betrokkene 2] en niet onder de klager.

2.4.2.

De Rechtbank heeft het klaagschrift dus terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dat brengt mee dat de klager niet kan worden ontvangen in het cassatieberoep.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2019.