Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:957

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-06-2018
Datum publicatie
22-06-2018
Zaaknummer
16/04349
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:3377, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Douanerechten; art. 5, 64 en 201, CDW; bevoegdheid tot optreden als directe vertegenwoordiger; gebondenheid vertegenwoordigde jegens douane.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-06-2018
FutD 2018-1666
NLF 2018/1438 met annotatie van Gooike van Slooten
DouaneUpdate 2018-0262
NTFR 2018/1683 met annotatie van mr. B.A. Kalshoven
BNB 2018/148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 juni 2018

nr. 16/04349

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 juli 2016, nr. 15/00072, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 14/3) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van douanerechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

In de periode 30 maart 2011 tot en met 10 november 2011 heeft [A] (hierna: [A]) op naam van belanghebbende in totaal dertien aangiften ingediend voor het in het vrije verkeer brengen van zendingen biodiesel (hierna: de biodiesel). [A] heeft desgevraagd aan de douane een door belanghebbende aan haar verleende volmacht overgelegd om te bewijzen dat zij met betrekking tot deze aangiften bevoegd was voor belanghebbende op te treden als direct vertegenwoordiger in de zin van artikel 5, lid 2, van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW).

2.1.2.

[D] SA (hierna: [D] SA), gevestigd te Zwitserland, had de biodiesel van een in Noorwegen gevestigde ondernemer gekocht met het oog op invoer in de Unie. [D] SA is verbonden met belanghebbende.

2.1.3.

Als land van oorsprong is in de hiervoor in 2.1.1 bedoelde aangiften telkens Noorwegen vermeld en is onder gelijktijdige overlegging van certificaten EUR.1 verzocht om toepassing van een preferentieel tarief van douanerechten vanwege de oorsprong Noorwegen. De douane heeft de biodiesel met toepassing van het preferentiële tarief voor het vrije verkeer vrijgegeven. Nadien heeft de Inspecteur van belanghebbende douanerechten nagevorderd omdat ten onrechte aanspraak is gemaakt op de toepassing van een preferentieel tarief.

2.2.1.

Voor het Hof heeft belanghebbende gesteld dat zij niet als aangever, en daarom ook niet als douaneschuldenaar in de zin van artikel 201, lid 3, van het CDW kan worden beschouwd omdat zij niet op de hoogte was van de onderhavige invoertransacties. Het Hof heeft dit betoog verworpen. Het heeft aannemelijk geacht dat welbewust ervoor is gekozen om belanghebbende te laten optreden als aangever voor de onderwerpelijke aangiften vanwege de omstandigheid dat [D] SA is gevestigd in Zwitserland en daarom op grond van artikel 64, lid 2, aanhef en letter b, van het CDW niet zelf als aangever kon optreden. Naar het oordeel van het Hof is de achtergrond van die keuze niet van belang voor de beoordeling of belanghebbende douaneschuldenaar is.

2.2.2.

Middel 1 is gericht tegen de hiervoor in 2.2.1 omschreven oordelen van het Hof.

2.2.3.

Het middel klaagt in de eerste plaats over het oordeel van het Hof dat welbewust ervoor is gekozen om belanghebbende te laten optreden als aangever voor de onderwerpelijke aangiften. Het middel faalt in zoverre. Dit oordeel kan, als van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Het is ook niet onbegrijpelijk, gelet op de door belanghebbende tijdens de zitting van de Rechtbank afgelegde verklaring dat zij [A] had gemachtigd om op haar naam en voor haar rekening de aangiften te doen.

2.2.4.

Het middel wijst voorts erop dat belanghebbende niet de eigenaar van de biodiesel was en dat zij ook niet betrokken is geweest bij de aan- en verkoop van de biodiesel. Het middel faalt ook in zoverre. Een douaneaangifte kan op grond van artikel 64, lid 1, van het CDW worden gedaan door elke persoon die in staat is de goederen bij de douane aan te brengen of te doen aanbrengen en die alle bescheiden over kan leggen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor deze goederen zijn aangegeven. Dat belanghebbende niet de eigenaar van de biodiesel was of anderszins betrokken was bij de aan- en verkoop van de biodiesel, staat daarom niet eraan in de weg dat [A] rechtsgeldig als vertegenwoordiger voor belanghebbende heeft kunnen optreden.

2.2.5.

Middel 1 faalt eveneens voor zover het een beroep doet op de omstandigheid dat het destijds in Nederland in de praktijk nog niet mogelijk was als indirect vertegenwoordiger op te treden voor een buiten de Unie gevestigde opdrachtgever zoals [D] SA, omdat het elektronische aangiftesysteem Sagitta daartoe niet de mogelijkheid bood. Het Hof heeft in dit verband terecht overwogen dat deze achtergrond van de keuze om belanghebbende als aangever te laten optreden niet van belang is voor de beoordeling of zij als douaneschuldenaar is aan te merken.

2.3.

Middel 1 voor het overige en middel 2 falen ook. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2018.