Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:913

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-06-2018
Datum publicatie
15-06-2018
Zaaknummer
17/02367
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2017:949, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

art. 8:24 Awb jo. art. 29 AWR. Zaakwaarneming (art. 6:198 BW). Kan een belanghebbende in het geding worden vertegenwoordigd door een zaakwaarnemer? Vergoeding immateriële schade (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1251
V-N 2018/32.13 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD), 15-06-2018
FutD 2018-1613
NJB 2018/1316
NLF 2018/1486 met annotatie van Yola Geradts
USZ 2018/225
Belastingblad 2018/353 met annotatie van J.P. Kruimel
FED 2018/136 met annotatie van M. Sanders
NTFR 2018/1420 met annotatie van Mr. P.G.M. Jansen
BNB 2018/191 met annotatie van Mr. P.G.M. Jansen
RN 2018/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 juni 2018

nr. 17/02367

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenamen van [A], gewoond hebbende te [Z] (hierna: belanghebbenden) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 5 april 2017, nr. BK-15/00260, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidenteel hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 14/7893) betreffende de aan [A] voor het jaar 2008 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking als bedoeld in artikel 3.151, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

1.1.

Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

1.1.1.

Het beroep bij de Rechtbank is ingesteld door [B] (hierna: [B]) op grond van een door [A] daartoe strekkende machtiging.

1.1.2.

De Rechtbank heeft op 22 januari 2015 uitspraak gedaan.

1.1.3.

Op 1 februari 2015 is [A] (hierna: erflater) overleden. Hierdoor is de bevoegdheid tot het aanwenden van rechtsmiddelen tegen de uitspraak van de Rechtbank overgegaan op zijn erfgenamen.

1.1.4.

Door het overlijden eindigde ingevolge artikel 3:72, aanhef en onder a, BW de aan [B] verstrekte machtiging.

1.1.5.

Het hoger beroep is ingesteld door de Inspecteur. [B] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Desgevraagd heeft [B] aan het Hof laten weten dat hij daartoe niet is gemachtigd door de erfgenamen van erflater, dat de hem bekende erfgenamen de nalatenschap niet hebben aanvaard en dat hij niet weet of er nog andere erfgenamen zijn.

1.1.6.

Na onderzoek van de Inspecteur naar de erfgenamen heeft het Hof geoordeeld dat [B] als zaakwaarnemer van belanghebbenden bevoegd is hen in hoger beroep te vertegenwoordigen en namens hen incidenteel hoger beroep in te stellen.

1.2.

Het beroep in cassatie is ingesteld door [B], die onder verwijzing naar het hiervoor in 1.1.6 vermelde oordeel van het Hof betoogt ook in cassatie op te treden als zaakwaarnemer van belanghebbenden.

1.2.1.

Artikel 8:24, lid 1, Awb bepaalt, voor zover hier van belang, dat partijen zich door een gemachtigde kunnen laten vertegenwoordigen.

1.2.2.

Vaststaat dat [B] niet beschikt over een machtiging van belanghebbenden om hen in dit cassatieberoep te vertegenwoordigen.

1.2.3.

Het hiervoor in 1.2 vermelde beroep van [B] op zaakwaarneming stelt de vraag aan de orde of belanghebbenden in een volgende instantie kunnen worden vertegenwoordigd door een persoon die op basis van een machtiging voor een partij beroep heeft ingesteld en die na het overlijden van die partij niet beschikt over een machtiging van de erfgenamen. Bij de beantwoording van die vraag wordt het volgende in aanmerking genomen.

1.3.1.

Artikel 6:198 BW omschrijft zaakwaarneming als het zich willens en wetens en op redelijke grond inlaten met de behartiging van eens anders belang, zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen.

1.3.2.

Voor het belastingrecht bepaalde artikel 41, lid 1, AWR tot 1 januari 2007 dat vertegenwoordiging mede kon plaatshebben met vergunning van de inspecteur. Deze bepaling strekte er volgens de parlementaire geschiedenis van dit artikel toe dat de inspecteur zaakwaarneming kon toestaan indien hij overtuigd was dat het belang van de belastingplichtige daardoor werd gediend (Kamerstukken II 1954/55, 4080, nr. 3, blz. 12). Voor de procedure bij de rechter was tot 1 september 1999 een vergelijkbare regeling opgenomen in artikel 13, lid 1, Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (hierna: WARB).

1.3.3.

Artikel 8:21 Awb bevat een regeling voor vertegenwoordiging van natuurlijke personen die “onbekwaam zijn om in rechte te staan”. In de parlementaire geschiedenis van de aanpassing van het fiscale procesrecht aan de Awb is vermeld dat deze bepaling naar haar strekking (gedeeltelijk) overeenkomt met artikel 13, lid 1, WARB, maar niet is bedoeld als regeling voor vertegenwoordiging van handelingsbekwame natuurlijke personen (Kamerstukken II 1996/97, 25 175, nr. 3, blz. 12). Voorts is daarin vermeld dat in de Awb en het fiscale procesrecht een regeling over zaakwaarneming ontbreekt en nader kan worden bezien of een dergelijke regeling in de Awb wenselijk is (Kamerstukken II 1997/98, 25 175, nr. 5, blz. 14).

1.3.4.

Bij het wetsvoorstel tot het doen vervallen van artikel 41, lid 1, AWR is in de parlementaire geschiedenis opgemerkt dat er geen reden is voor handhaving van de bepaling over vertegenwoordiging (zonder volmacht maar) met vergunning van de inspecteur, “omdat bij de behoefte aan vertegenwoordiging zonder uitdrukkelijke volmacht van de vertegenwoordigde, bijvoorbeeld ingeval van ziekte, de mogelijkheid bestaat van analoge toepassing van het leerstuk van de zaakwaarneming uit het civiele recht” (Kamerstukken II 2006/07, 30 577, nr. 3, blz. 35). Nadien is hieraan toegevoegd dat, indien zou blijken dat dit standpunt van de regering in rechte niet zou worden gedeeld, een wettelijke voorziening voor zaakwaarneming in het bestuursrecht kan worden getroffen (Kamerstukken II 2006/07, 30 577, nr. 7, blz. 15-16).

1.3.5.

Uit het voorgaande volgt dat niet is uitgesloten dat in een voorkomend geval wordt aanvaard dat een natuurlijk persoon die in een bestuursrechtelijk geding op grond van zaakwaarneming optreedt als vertegenwoordiger van een partij die een handelingsbekwame natuurlijk persoon is (of wordt vermoed te zijn). Het moet daarbij echter gaan om een uitzonderlijk geval. De zaakwaarnemer dient te stellen en aannemelijk te maken dat aan de eisen van artikel 6:198 BW is voldaan. Van die stelplicht is onderdeel dat de zaakwaarnemer stelt en aannemelijk maakt dat de belanghebbende (tijdelijk) niet zelf in rechte kan optreden en redelijkerwijs ook niet een vertegenwoordiger heeft kunnen aanwijzen. Indien in de omstandigheden van het geval wordt aanvaard dat een belanghebbende door een zaakwaarnemer wordt vertegenwoordigd, is die belanghebbende gebonden aan de daaropvolgende uitspraak.

1.4.1.

In het licht van het voorgaande dient te worden beoordeeld of in dit geval kan worden aanvaard dat [B] in cassatie optreedt als zaakwaarnemer van belanghebbenden. Daartoe is het volgende van belang.

1.4.2.

Met zijn verwijzing naar het oordeel van het Hof stelt [B] ten aanzien van zijn beroep op zaakwaarneming in cassatie kennelijk dat de feiten en omstandigheden ten opzichte van die in hoger beroep onveranderd zijn.

1.4.3.

Die feiten en omstandigheden houden blijkens de gedingstukken het volgende in.

[B] heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat volgens het boedelregister enkele door hem aangeduide erfgenamen de nalatenschap niet hebben aanvaard en verdere erfgenamen hem niet bekend zijn.

Het Hof heeft de Inspecteur verzocht om onderzoek te doen naar de erfgenamen en te onderzoeken hoe door de Belastingdienst wordt omgegaan met de situatie dat er geen erven bekend zijn, maar er (waarschijnlijk) sprake is van een positieve boedel.

Bij brief van 3 maart 2016 heeft de Inspecteur op dat verzoek gereageerd en het Hof meegedeeld dat de boedel drie maal is verworpen, te weten door de ex-vrouw van erflater namens hun minderjarige kinderen, door de moeder en de zus van erflater, en door de zus van erflater namens haar minderjarige zoon. Verder heeft de Inspecteur meegedeeld dat er in het boedelregister geen notaris vermeld staat die de boedel afhandelt en vooralsnog onduidelijk is of de Belastingdienst van zijn bevoegdheid gebruik zal maken om een onbeheerde nalatenschap bij het Rijksvastgoedbedrijf – die onbeheerde nalatenschappen namens de overheid afwikkelt - aan te melden.

1.4.4.

Gelet op het voorgaande is aannemelijk dat [B] zich in dit geding op redelijke grond inlaat met de behartiging van het belang van ondanks onderzoek onbekend gebleven erfgenamen. Hij kan in dit geding dan ook als zaakwaarnemer optreden. Het cassatieberoep is ontvankelijk.

2 Geding in cassatie

Belanghebbenden hebben tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Zowel de Staatssecretaris van Financiën als de Minister voor Rechtsbescherming heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbenden hebben een conclusie van repliek ingediend.

3 Beoordeling van de klachten

3.1.

Bij de beoordeling van de klachten in cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1.

Erflater heeft op 31 maart 2010 bezwaar gemaakt tegen de aanslag en beschikking. Het bezwaarschrift is door de Inspecteur ontvangen op 1 april 2010.

3.1.2.

Op 26 mei 2014 heeft erflater de Inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Nadien heeft erflater beroep ingesteld bij de Rechtbank wegens het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar.

3.1.3.

Hangende het beroep heeft de Inspecteur op 18 december 2014 uitspraken op bezwaar gedaan.

3.1.4.

De Rechtbank heeft op 22 januari 2015 uitspraak gedaan en het beroep van erflater gegrond verklaard.

3.2.1.

In het incidentele hoger beroep heeft [B] een verzoek gedaan om toekenning van een vergoeding van de door belanghebbenden geleden immateriële schade.

3.2.2.

Het Hof heeft het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase afgewezen. Hiertoe heeft het Hof overwogen dat sprake is geweest van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de behandelingsduur vanaf de binnenkomst van het bezwaarschrift tot het doen van uitspraak door de Rechtbank in totaal vier jaar en tien maanden bedraagt. Het Hof heeft van de totale behandelingsduur een tijdsverloop van circa twee jaar en elf maanden aan erflater toegerekend omdat naar het oordeel van het Hof dat tijdsverloop het gevolg is van het feit dat erflater de Inspecteur onredelijk laat in gebreke heeft gesteld. Na aftrek van de aan belanghebbenden toe te rekenen behandelingsduur is naar het oordeel van het Hof de redelijke behandelingsduur van twee jaar in eerste aanleg niet overschreden.

3.3.1.

Het middel klaagt onder meer erover dat het Hof ten onrechte aan belanghebbenden geen vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting van de zaak heeft toegekend.

3.3.2.

Het middel slaagt in zoverre. Voor de beoordeling van het recht op vergoeding van immateriële schade is niet van belang of een belanghebbende al dan niet heeft aangedrongen op een spoedige behandeling van zijn zaak teneinde overschrijding van de redelijke termijn te voorkomen (vgl. HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140, r.o. 3.9.3).

3.3.3. ’

s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

Belanghebbenden hebben voor het eerst in hoger beroep verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens het tijdsverloop in eerste aanleg. In dat geval heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden door het Hof dient te worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van zijn uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw dient te worden genomen. De redelijke termijn voor de bezwaar-, beroep- en hoger beroepsfase is in totaal met 37 maanden overschreden. Deze overschrijding geeft recht op een vergoeding van € 3500. Het Hof heeft reeds een vergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de hoger beroepsfase aan belanghebbenden toegekend. Het Hof heeft ten onrechte geen vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase toegekend. De overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg bedraagt 36 maanden. Aangezien de Inspecteur pas hangende het beroep uitspraak op bezwaar heeft gedaan en de Rechtbank binnen twee maanden na de uitspraak op bezwaar uitspraak heeft gedaan, dient in dit geval de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg geheel aan de Inspecteur te worden toegerekend. De Inspecteur dient daarom voor deze fase € 3000 te betalen.

3.4.

Voor het overige kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover het betreft de beslissing op het verzoek van belanghebbenden tot vergoeding van immateriële schade voor de bezwaar- en beroepsfase,

wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe,

veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade van belanghebbenden, vastgesteld op € 3000,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbenden vergoedt het door dezen ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124, en

veroordeelt de Staatssecretaris in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op € 2004 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2018.