Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:910

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-06-2018
Datum publicatie
15-06-2018
Zaaknummer
16/03249
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:728, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:2023, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antidumpingrechten en compenserende rechten; artt. 12, 22, 24 en 25 CDW; ondanks bindende oorsprongsinlichting had het Hof moeten beoordelen of met de productie van de biodiesel in Canada ontwijking is beoogd van antidumping- en antisubsidiëringsmaatregelen van de Unie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
DouaneUpdate 2018-0248
Viditax (FutD), 15-06-2018
FutD 2018-1615
NLF 2018/1437 met annotatie van Martijn Schippers
BNB 2018/155 met annotatie van G.J. van Slooten
NTFR 2018/1410 met annotatie van mr. G. van Dam
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 juni 2018

nr. 16/03249

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 mei 2016, nr. 14/00384, op het hoger beroep van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 13/5174) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van antidumpingrechten en compenserende rechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 3 augustus 2017 geconcludeerd tot het gegrond verklaren van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:728).

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Bij Verordening (EG) nr. 598/2009 van 7 juli 2009, Pb L 179, heeft de Raad met ingang van 11 juli 2009 een definitief, compenserend recht ingesteld op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de VS). Verder heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 599/2009 van 7 juli 2009, Pb L 179, eveneens met ingang van 11 juli 2009, een definitief antidumpingrecht ingesteld op biodiesel van oorsprong uit de VS. De beide hiervoor bedoelde rechten betreffen onder meer producten van postonderverdeling 3824 90 91 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: de GN).

2.1.2.

Op 2 oktober 2009 hebben de douaneautoriteiten van het Verenigd Koninkrijk aan [B] B.V. (hierna: [B] BV) op de voet van artikel 12 van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW) acht bindende inlichtingen betreffende de oorsprong afgegeven (hierna: de bindende inlichtingen). De bindende inlichtingen zien op goederen van diverse samenstelling omschreven als “Biodiesel manufactured through blending to meet EU quality standard EN14214”. Als land van oorsprong vermelden de bindende inlichtingen, onder verwijzing naar artikel 24 van het CDW: “Non‑Preferential origin: CANADA (CA)”.

2.1.3.

In 2009 is [C] Inc. opgericht, gevestigd in Canada (hierna: [C]). Zowel [B] BV als [C] is een dochtermaatschappij van [A] Holdings B.V. [C] voegt in Canada uit de VS afkomstige biodiesel samen met Canadese biodiesel.

2.1.4.

In de periode november 2009 tot en met maart 2010 heeft belanghebbende in opdracht van [B] BV een aantal aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van zendingen biodiesel, aangekocht van [C] (hierna tezamen: de biodiesel). In deze aangiften heeft belanghebbende als toepasselijke tariefpost voor de biodiesel postonderverdeling 3824 90 91 van de GN opgegeven en als land van niet-preferentiële oorsprong Canada. Overeenkomstig deze gegevens heeft de douane de biodiesel vrijgegeven.

2.1.5.

In februari 2010 heeft het antifraudebureau van de Europese Commissie (hierna: OLAF) van de European Diesel Board informatie ontvangen dat bij het in het vrije verkeer brengen van biodiesel afkomstig uit de VS mogelijk antidumpingrechten en compenserende rechten werden ontdoken door die biodiesel valselijk aan te geven als biodiesel met oorsprong uit Canada. OLAF heeft daarop een onderzoek ingesteld. Naar aanleiding van de bevindingen van dat onderzoek heeft de Inspecteur ter zake van de invoer van de biodiesel de onderhavige uitnodigingen tot betaling van antidumpingrechten en compenserende rechten vastgesteld.

2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende in haar hoedanigheid van indirect vertegenwoordiger van [B] BV is opgetreden en dat zij daarom op grond van artikel 10, lid 1, van de Uitvoeringsverordening communautair douanewetboek een beroep kan doen op de bindende inlichtingen. Aangezien de Inspecteur niet heeft betwist dat de biodiesel overeenkomt met de in de bindende inlichtingen omschreven producten, moet volgens het Hof de biodiesel reeds op grond van de bindende inlichtingen worden geacht van oorsprong uit Canada te zijn. Het Hof heeft hieraan de conclusie verbonden dat de uitnodigingen tot betaling moeten worden vernietigd.

2.3.1.

Het middel richt zich tegen het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel van het Hof over de vaststelling van de oorsprong van de biodiesel. Het middel betoogt dat het Hof ten onrechte niet is ingegaan op de door de Inspecteur in hoger beroep aangevoerde stellingen (a) dat het vermoeden is gewettigd dat [B] BV met het bewerken van de biodiesel in Canada slechts ontduiking in de zin van artikel 25 van het CDW heeft beoogd van antidumpingrechten en compenserende rechten, en (b) dat indien voor een product aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 25 van het CDW wordt voldaan, niet met succes een beroep kan worden gedaan op een voor datzelfde product verstrekte bindende inlichting betreffende de oorsprong.

2.3.2.

Op grond van artikel 24 van het CDW zijn goederen bij de vervaardiging waarvan twee of meer landen betrokken zijn geweest van oorsprong uit het land waar, in een daartoe ingerichte onderneming, de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt. In artikel 25 van het CDW is bepaald dat in gevallen waarin ten aanzien van bepaalde bewerkingen of verwerkingen vaststaat of op grond van vastgestelde feiten het vermoeden is gewettigd dat daarmee slechts ontwijking (“circumvent”; “tourner”) wordt beoogd van bepalingen die in de Unie op goederen uit bepaalde landen van toepassing zijn, zoals antidumpingmaatregelen, de daardoor verkregen goederen in geen geval worden geacht op grond van artikel 24 van het CDW van oorsprong te zijn uit het land waar deze be- of verwerkingen hebben plaatsgevonden.

2.3.3.

Gelet op de woorden “in geen geval” in artikel 25 van het CDW, is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat in de gevallen bedoeld in die bepaling, niet met vrucht een beroep op een bindende inlichting betreffende de oorsprong kan worden gedaan. Dit kan slechts anders zijn als de bindende inlichting (mede) inhoudt dat artikel 25 van het CDW in het voorliggende geval niet van toepassing is (zie artikel 12, lid 2, laatste volzin, van het CDW in samenhang gelezen met artikel 22 van het CDW).

2.3.4.

De hiervoor in 2.3.1 bedoelde stellingen van de Inspecteur zijn daarom aan te merken als essentiële stellingen. Het Hof had die stellingen dan ook moeten behandelen. Het middel slaagt.

2.4.

Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 2.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, L.F. van Kalmthout, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2018.