Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:838

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-06-2018
Datum publicatie
05-06-2018
Zaaknummer
17/00518
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:337
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen opzettelijk gebruik maken van vals geschrift (meermalen gepleegd) door vervalst KvK-uittreksel van eenmanszaak A, waarin in strijd met waarheid staat vermeld dat verdachte eigenaar van eenmanszaak is, over te leggen aan bank ter verkrijging van ondernemingsrekening, art. 225.2 Sr. Bewijsklacht. Aangezien bewezenverklaring, v.zv. inhoudende dat in bewezenverklaarde periode “de verdachte en/of haar mededaders voornoemd uittreksel van de Kamer van Koophandel Brabant van de eenmanszaak A hebben overgelegd aan de B Bank ter verkrijging van een ondernemersrekening bij voornoemde bank” niet z.m. kan worden afgeleid uit de bewijsvoering, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 17/00367, 17/00517, 17/00519, 17/03078 en 17/03080.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2018/716
SR-Updates.nl 2018-0250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 juni 2018

Strafkamer

nr. S 17/00518

CeH/AJ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 18 januari 2017, nummer 21/007109-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het derde middel

2.1

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.

2.2.1.

Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bevestigd. Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat:

"zij in de periode van 6 januari 2009 tot en met 20 februari 2009 te Tilburg, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en voorhanden heeft gehad en heeft afgeleverd een vals document, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware dat geschrift echt en onvervalst – te weten:

een uittreksel van de Kamer van Koophandel Brabant van de eenmanszaak [A] , bestaande dat gebruikmaken en voorhanden hebben en afleveren van dat document hierin dat verdachte en/of haar mededaders voornoemd uittreksel van de Kamer van Koophandel Brabant van de eenmanszaak [A] heeft overgelegd aan de RABO Bank ter verkrijging van een ondernemersrekening bij voornoemde bank en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat blijkens dat uittreksel van de Kamer van Koophandel verdachte als eigenaar van de eenmanszaak [A] moest worden aangemerkt en op het uittreksel stond vermeld dat de onderneming [A] voor haar rekening werd gedreven, terwijl in werkelijkheid verdachte niet de eigenaar van de eenmanszaak [A] was, doch haar mededaders en de onderneming feitelijk niet voor haar rekening werd gedreven, doch voor en door haar mededaders, terwijl zij wist dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 10 april 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van verdachte (V04-08, blz. 3619):

Vraag verbalisanten: Hoe is het precies gegaan met het café [A] ?

Antwoord gehoorde: [medeverdachte 1] heeft mij gevraagd om mee te gaan naar de Kamer van Koophandel. Dit om het café [A] op mijn naam te zetten. [medeverdachte 1] had het café uitgezocht. Waarom [medeverdachte 1] het niet op zijn naam heeft gesteld weet ik niet. Wij zijn ook samen naar de Brouwerij geweest en ik heb daar het huurcontract getekend. [medeverdachte 1] heeft hiervoor de afspraak gemaakt met [betrokkene 23] . Ik weet niet precies of hij ook zo heet. Ik ben met [medeverdachte 1] en soms ook met [medeverdachte 2] , mee geweest om te tekenen waar dat nodig was. Ik ben ook naar de gemeente Tilburg geweest om de drankvergunning op mijn naam te krijgen. Ik weet niet meer wie daar bij was of [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] of alle twee. Zij hebben mij in ieder geval gevraagd om die vergunning op mijn naam te nemen. Ook heb ik voor het café een bankrekening geopend, samen met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] had mij dat ook gevraagd en op naam van [A] heb ik toen samen met [medeverdachte 1] bij de ABNAMRO een rekening geopend. Volgens mij was bij het openen van een rekening bij de RABO bank [medeverdachte 2] aanwezig.

2. Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 1 februari 2010 nr. 17233603 ten name van [A] , onder meer inhoudende dat de eenmanszaak [A] wordt gedreven voor rekening van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] en wonende [woonplaats] (2-D-011-01-01, blz. 10023).

3. Een geschrift, zijnde een door de Rabobank opgesteld verslag fraude sealbags (2-D-011-01, blz. 10022), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[A] , [adres]

KvK [003] , Eenmanszaak

Eigenaresse; [verdachte] , [c-straat] te [woonplaats] . Geboortedatum [geboortedatum] -1980 te [geboorteplaats] geïdentificeerd middels Verblijfsdocument […] , Regulier Bepaalde Tijd, uitgegeven te Tilburg op 14-03-2007 en geldig t/m 24-04-2012.

Rabo Ondernemerspakket met nummer [002] .

Met de klant is op 20-02-2010 een afstortovereenkomst afgesloten, gezien afstortingen in het verleden is met deze klant overeengekomen een afstortnorm van € 15.000,-d.w.z. een totaalbedrag per sealbag mag dit bedrag niet overschrijden, bij overschrijding van het bedrag wordt niet binnen 24 uur bijgeschreven maar na werkelijke telling door Rabo Geldservice (RGS).

(...)

6. Een geschrift, zijnde een overeenkomst tussen verdachte en de Rabobank ter zake van een ondernemerspakket te name van [A] (2-D-011 1/7 t/m 7/7, blz. 10105 t/m 10111).

(...)

8. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 1] , d.d. 5 april 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte (VO 1-03):

Vraag verbalisanten: Wat kunt u vertellen over de bankrekeningen van [A] ?

Antwoord gehoorde:

Ik bankierde bij zowel de ABN als de Rabobank. Ik had de beschikking over beide rekeningen.

[verdachte] is mijn vrouw en heeft [A] op haar naam gezet. Zij heeft dit gedaan in opdracht van mij. Het was mijn bedoeling om een café te beginnen. Ik kon de zaak zelf niet op mijn eigen naam krijgen vanwege de gevolgen van mijn faillissement.

De fraude bij de Rabo en ABN is in dezelfde periode gebeurd. Het openzetten van de OGV voor sealbags ging heel gemakkelijk met een telefoontje door mij gepleegd bij beide banken, echter het openen van een Raborekening was veel complexer dan een ABN rekening vandaar dat ik later enkel ABN rekeningen ben gaan gebruiken. Daarvoor moest mijn vrouw [verdachte] een paar keer mee naar de Rabobank."

2.2.3.

De Rechtbank heeft ten aanzien van de bewezenverklaring – voor zover hier van belang – voorts het volgende overwogen:

"5.2 Feit 2

5.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat dit feit wettig en overtuigend bewezen is.

Verdachte heeft de feitelijke handeling bekend en zij wist dat de onderneming feitelijk niet voor haar rekening werd gedreven.

5.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden zijn van mening dat vrijspraak moet volgen omdat geen sprake is van een vals geschrift. Verdachte was juridisch eigenaar en [A] werd in juridische zin dan ook voor haar rekening gedreven.

5.2.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Voor bewezenverklaring van het gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in art. 225 lid 2 Sr is vereist dat de gebruiker het geschrift aanwendt als middel tot misleiding van degene jegens wie hij van het geschrift gebruik maakt en jegens wie hij zich dus gedraagt alsof dat geschrift echt en onvervalst is. De gebruiker moet tenminste voorwaardelijk opzet hebben gehad op het gebruik maken van het geschrift als ware het echt en onvervalst én op het valse karakter van het geschrift.

Voor het eveneens in art. 225 lid 2 Sr strafbaar gestelde afleveren of voorhanden hebben van een vervalst geschrift is vereist dat de verdachte tenminste voorwaardelijk opzet heeft gehad op het vervalste karakter van het geschrift. Daarnaast moet in dit verband bewezen worden dat de verdachte wist van de bestemming tot het gebruik als echt en onvervalst, dan wel dat hij die bestemming redelijkerwijs kon vermoeden.

De rechtbank leidt uit het dossier af dat verdachte in de ten laste gelegde periode, in verband met de verkrijging van een ondernemersrekening bij de Rabobank, een uittreksel van de Kamer van Koophandel voor Brabant (KvK) betreffende de eenmanszaak [A] aan die bank heeft overgelegd. Op dat uittreksel staat vermeld dat de onderneming voor rekening van verdachte wordt gedreven. Als bedrijfsomschrijving is vermeld: horeca exploitatie. In eerste instantie heeft verdachte verklaard dat café [A] haar bedrijf is geweest, maar later heeft ze toegegeven dat ze het café op verzoek van [medeverdachte 1] op haar naam heeft laten zetten. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de werkelijke huurders van het cafépand waren. Alhoewel de huurovereenkomst met de brouwerij Inbev Nederland BV op naam stond van verdachte, waren [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] beiden hoofdelijk aansprakelijk voor het nakomen van de plichten uit die overeenkomst en konden zij beiden aanspraak maken op alle rechten uit die overeenkomst. [medeverdachte 1] had het café uitgezocht en de nodige afspraken gemaakt met de vorige huurder. Verdachte heeft alleen maar de huurovereenkomst en de drankvergunning op haar naam laten zetten.

De rechtbank leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat het café [A] weliswaar op naam stond van verdachte, maar dat het café feitelijk niet voor haar rekening werd gedreven, maar voor rekening van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De inhoud van het uittreksel van de KvK komt derhalve niet overeen met de werkelijkheid en is vals. Verdachte heeft het uittreksel, in de wetenschap dat het vals was, aan de Rabobank overgelegd ter verkrijging van een ondernemersrekening bij die bank.

Het onder 2 ten laste gelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard."

2.3.

Aangezien de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat in de bewezenverklaarde periode "de verdachte en/of haar mededaders voornoemd uittreksel van de Kamer van Koophandel Brabant van de eenmanszaak [A] hebben overgelegd aan de RABO Bank ter verkrijging van een ondernemersrekening bij voornoemde bank" niet zonder meer kan worden afgeleid uit de bewijsvoering, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

2.4.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Beoordeling van het eerste, tweede, vierde en vijfde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het zesde middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in het bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juni 2018.