Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:833

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-06-2018
Datum publicatie
05-06-2018
Zaaknummer
16/01468
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:561
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Feitelijk leiding geven aan oplichting begaan door rechtspersoon A (meermalen gepleegd) door groot aantal mensen te bewegen tot investeringen in niet-bestaande teakhoutplantages, opzettelijk zonder vergunning bemiddelen m.b.t. participatie in teakhoutplantages (meermalen gepleegd) en feitelijk leiding geven aan opzettelijk zonder vergunning aanbieden van participatie in teakhoutplantages begaan door rechtspersoon A (meermalen gepleegd). 1. Volstaan met opgave b.m. ex art. 359.3 Sv. Bekennende verklaring verdachte? 2. Vordering b.p. “de erven van B”, art. 51f Sv. 3. Totale duur vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregelen, art. 24c.3, 36f.5 en 60a Sr.

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2006:AX5776 en ECLI:NL:HR:2015:1342 m.b.t. gevallen waarin kan worden volstaan met opgave b.m. ’s Hofs oordeel dat verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend i.d.z.v. art. 359.3 tweede volzin Sv is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen het p-v tz. in h.b. waaruit blijkt dat de verdediging de door de Rb gebezigde bewijsvoering niet heeft bestreden, de raadsman de verklaring van verdachte inzake A heeft aangeduid als bekennende verklaring en ook verdachte heeft verklaard slechts in beroep te zijn gekomen vanwege de veroordeling voor feit 2, waarvan Hof verdachte heeft vrijgesproken.

Ad 2. V.zv. Hof heeft geoordeeld dat de door de erfgenamen C en D ingediende vordering moet worden aangemerkt als een vordering tot schadevergoeding van de erflater, heeft Hof miskend dat art. 51f.1 Sv inhoudt dat enkel degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich t.z.v. zijn vordering tot schadevergoeding als b.p. kan voegen in het strafproces. V.zv. Hof heeft geoordeeld dat C en D als erfgenamen hun onder algemene titel verkregen vordering hebben ingediend, heeft Hof miskend dat art. 51f Sv niet de mogelijkheid opent dat erfgenamen zich in het strafproces voegen na het overlijden van het slachtoffer, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat het slachtoffer t.g.v. het bewezenverklaarde is overleden (vgl. ECLI:NL:HR:2005:AS9225). Hof had b.p. "de erven van B" n-o dienen te verklaren in haar vordering. Volgt n-o verklaring van b.p. door HR. De omstandigheid dat de in art. 51f.1 Sv bedoelde persoon (“degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit”) is overleden, staat niet in de weg aan oplegging van de schadevergoedingsmaatregel "t.b.v. het slachtoffer" (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BL9105).

Ad 3. Vervangende hechtenis mag i.g.v. samenloop a.b.i. art. 57 Sr o.g.v. art. 60a jo. 24c.3 Sr ten hoogste een jaar bedragen. Hof heeft schadevergoedingsmaatregelen opgelegd met in totaal 1.132 dagen vervangende hechtenis. HR vermindert duur vervangende hechtenis in die zin dat is voldaan aan wettelijk maximum. Samenhang met 16/03694 P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/105
NJB 2018/1204
RvdW 2018/705
NBSTRAF 2018/216
JERF 2018/202
SR-Updates.nl 2018-0239
ERF-Updates.nl 2018-0110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 juni 2018

Strafkamer

nr. S 16/01468

AJ/SSA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 1 maart 2016, nummer 21/000961-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben H.M.W. Daamen en J. Schepers, beiden advocaat te Maastricht, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, met vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf; tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover daarin de vordering als benadeelde partij van de erven van [betrokkene 1] is toegewezen, met niet-ontvankelijkverklaring van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in de door hen als benadeelde partij ingediende vordering; tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de bij de aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregelen bevolen vervangende hechtenis, met zodanig bevel tot vervangende hechtenis bij deze maatregelen dat voldaan is aan het wettelijk maximum van één jaar; tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft volstaan met een opsomming van bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is overeenkomstig het onder 1 primair, 3 en 4 tenlastegelegde bewezenverklaard dat:

"1 primair.

Stichting [A] op tijdstippen in de periode van 13 juli 2006 tot en met 13 juni 2008 te Coevorden, Groningen, Utrecht, Dronten, Stadskanaal, Eefde, Doezum, Amerongen, Zeist, Uithoorn en Hoevelaken, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, na te noemen personen, te weten [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] , [betrokkene 9] , [betrokkene 10] , [betrokkene 11] , [betrokkene 12] en/of [betrokkene 2] , en [betrokkene 13] , heeft bewogen tot de afgifte van na te noemen geldbedragen:

- een bedrag van Euro 19.556,- en van Euro 2.250,- van [betrokkene 4] en

- een bedrag van Euro 19.556,- van [betrokkene 5] en

- een bedrag van Euro 4.500,- van [betrokkene 6] en

- een bedrag van Euro 9.000,- van [betrokkene 7] en

- een totaal bedrag van Euro 31.650.-, bestaande uit twee bedragen van Euro 28.950,- en van Euro 2.700,- van [betrokkene 8] en

- een bedrag van Euro 19.164,88 en van Euro 4.500,- van [betrokkene 9] en

- een bedrag van Euro 4.500,- van [betrokkene 10] en

- een bedrag van Euro 4.889,- van [betrokkene 11] en

- een bedrag van Euro 32.500,- van [betrokkene 12] en/of [betrokkene 2] en

- in delen een totaal bedrag van Euro 40.643,75 van [betrokkene 13] ,

hebbende die Stichting [A] telkens met vorenomschreven oogmerk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid door middel van een toegezonden of overhandigde brochure en/of een website op het internet en/of correspondentie en/of telefonisch en/of mondeling tijdens een bezoek aan huis aan genoemde personen kenbaar gemaakt (zakelijk weergegeven):

- dat [B] SA in Costa Rica eigenaar is van en in bezit is van teakaanplant en/of

- dat de aanplant deel uitmaakt van een FSC gecertificeerd project en/of

- dat Stichting [A] een teakplantage in Costa Rica beheert en administreert en/of

- dat Stichting [A] een ecologisch en maatschappelijk verantwoord produkt voorzien van het FSC-keurmerk aanbiedt en/of

- dat men kan investeren en profiteren van een uniek investeringsproduct van Stichting [A] te Costa Rica en/of

- dat men investeert in bomen die al 13 jaar oud zijn en/of

- dat het aanbod beperkt en uniek in zijn soort is, aangezien de looptijd nog maar vijf en een halfjaar betreft en de conditie van de aanplant uitstekend is en/of

- dat de reden van het aanbod van een zeer oude aanplant te maken heeft met een (gedeeltelijke) doorverkoop van een van hun grotere investeerders en/of

- dat de prijzen jaarlijks met 14% geïndexeerd worden wat ook op kortere termijn rendement op kan leveren en/of

- dat Stichting [A] de garantie geeft dat de deelname te alle tijde kan worden (door)verkocht en/of

- dat opbrengst en financiële garanties aanwezig zijn en/of

- dat Stichting [A] zorg draagt voor het uitkeren van de opbrengst van deelnamen

en (aanvullend en/of overigens) kenbaar gemaakt aan:

[betrokkene 4] :

- dat er mensen waren die vroegtijdig van hun perceel af moesten en dus moesten verkopen en daarom gekort werden op de opbrengst en dat daarom een heel aantrekkelijk aanbod kon worden gedaan om een dergelijk perceel te kopen en dat genoemde [betrokkene 4] een unieke kans kreeg om in te stappen,

en [betrokkene 5] :

- dat de te verwachten opbrengst van het rendement vier keer per jaar zou worden bijgesteld, dat de eindkap in 2013 was en dat genoemde [betrokkene 5] vier keer per jaar kon uitstappen en dat er een gegarandeerd opbrengst was,

en [betrokkene 6] :

- dat het aangeboden perceel van Euro 4.500,- op 1 juli 2008 zou kunnen worden teruggekocht voor Euro 5.541,-, dat de terugkoop werd gegarandeerd, dat het een pakket was van iemand die ervan af wilde en met minder rendement genoegen wilde nemen en dat - in geval genoemde [betrokkene 6] het pakket zou laten staan - het een rendement van 2 procent per maand zou opleveren,

en [betrokkene 7] :

- dat het een uniek project betrof dat maar een paar maanden zou lopen en een hoog rendement zou opleveren en dat in het boekjaar nog een aantal percelen moest worden verkocht, maar dat die snel zouden worden teruggekocht en dat de inleg van genoemde [betrokkene 7] een hoog rendement zou opleveren,

en [betrokkene 8] :

- dat het aangeboden produkt bij de AFM geregistreerd was, dat er een opbrengstgarantie was, dat er een directe doorverkoop mogelijkheid was en dat het allemaal notarieel in Costa Rica was vastgelegd en dat wanneer genoemde [betrokkene 8] in 2007 zou willen doorverkopen, dit al een meerwaarde van 14 procent op de inleg zou zijn,

en [betrokkene 9] :

- dat de aanbieding was dat genoemde [betrokkene 9] in november 2007 een participatie kon kopen en al in januari 2008 aan [A] kon verkopen en dat duidelijk werd bevestigd dat [betrokkene 9] de investering zonder problemen in januari 2008 met een hoog rendement terug kon krijgen en/of dat genoemde [betrokkene 9] in december 2007 1/16 hectare kon kopen voor Euro 4.500,- en dat dit bedrag in januari al zou oplopen tot Euro 5.000,- als genoemde [betrokkene 9] het dan weer verkocht,

en [betrokkene 10] :

- dat wanneer [betrokkene 10] in mei 2008 voor Euro 4.500,- aan participaties in teakplantages kocht dan zou genoemde [betrokkene 10] drie maand later Euro 5.500,- ontvangen, dat de terugkoop werd gegarandeerd en dat tijdelijk beleggingen moesten worden gestald omdat er andere beleggers waren die van hun participaties af wilden en dat een unieke kans werd aangeboden in te stappen,

en [betrokkene 11] :

- dat met het participeren in teakplantages een hoog, gegarandeerd rendement van 14 procent kon worden gehaald,

en [betrokkene 12] en/of [betrokkene 2] :

- dat er veel geld te verdienen was in de teakhoutplantages in Costa Rica, dat genoemde [betrokkene 2] werd uitgenodigd om de plantages te Costa Rica te bekijken, dat een halve hectare voor Euro 32.500,- kon worden gekocht met een uitbetaling van 12 procent rendement netto en dat dit in april 2007 zou worden uitgekeerd,

en [betrokkene 13] :

- dat [A] plantages in Costa Rica had, dat met de eindkap de investering met rendement zou worden uitgekeerd, dat genoemde [betrokkene 13] foto's van bomen in Costa Rica werden getoond, dat er sprake was van een rendement van 14 procent, dat dit rendement - gezien de ervaring in het beleggen in teakplantages - kon worden toegezegd en dat [A] werd gecontroleerd door een registeraccountant, waardoor die personen telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgiften,

zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen;

3.

hij op tijdstippen in de periode van 12 december 2007 tot en met 13 juni 2008 in Nederland, telkens opzettelijk zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning heeft bemiddeld, als bedoeld in artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht, bestaande in het in de uitoefening van een beroep of bedrijf ( [A] ) verrichten van werkzaamheden gericht op het als tussenpersoon tot stand brengen van een overeenkomst inzake een beleggingsobject, te weten een participatie in een of meer teakhoutplantages, tussen de consumenten, [betrokkene 9] , [betrokkene 10] en andere consumenten, als bedoeld in genoemd artikel 1:1, en aanbieder, Stichting [A] , zijnde een aanbieder als bedoeld in meergenoemd artikel 1:1;

4.

Stichting [A] op tijdstippen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 13 juni 2008, in Nederland, telkens opzettelijk zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning een beleggingsobject, als bedoeld in artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht, te weten een participatie in een of meer teakhoutplantages, heeft aangeboden, als bedoeld in genoemd artikel 1:1, aan de consumenten [betrokkene 9] , [betrokkene 10] en andere consumenten, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen."

2.2.2.

De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv houdt het volgende in:

"Het hof volstaat met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359 lid 3, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte de onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft bekend en zijn raadsman geen vrijspraak heeft bepleit:

1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter 's hofs terechtzitting van 16 februari 2016:

Ik blijf bij de verklaring die ik tegenover de rechtbank heb afgelegd.

2. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank te Assen van 14 mei 2012:

Ik beken de aan mij tenlastegelegde feiten met betrekking tot de Stichting [A] (hierna verder te noemen: [A] ). Het geld is terecht gekomen waar het niet terecht had moeten komen. De gelden werden ingelegd bij [A] .

[A] had de gelden over moeten maken naar Costa Rica. De namen van de mensen die op de dagvaarding staan kloppen. Ik heb deze mensen benadeeld. Ik heb de winstmarges gebruikt voor andere doeleinden dan voor Costa Rica. Op een gegeven moment heb ik het overzicht verloren. Daarna is het misgelopen. Er kwam geld binnen. Van dit geld ben ik gaan leven. Toen het geld op was ben ik opnieuw klanten gaan benaderen. Ik heb nooit ergens iets in geïnvesteerd. Mijn fout is, dat ik het geld had moeten doorboeken. Het klopt dat ik gelden contant heb opgenomen of naar mij privé heb doorgeboekt. Van de gelden heb ik ook rekeningen betaald. Het klopt dat de internetsite er betrouwbaar uitzag. Het was niet mijn bedoeling om mensen er in te laten tuinen. Dat is er wel van gekomen.

3. Het schrijven van de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) d.d. 15 januari 2009, opgemaakt door prof. dr. S.J. Majoor en drs. H.W.O.L.M. Korte, beiden directeur, betreffende een aangifte tegen [verdachte] en de Stichting [A] , bijlage D-01, blz. 0287 e.v., zoals opgenomen - evenals de overige hierna op te sommen bewijsmiddelen - in het door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden opsporingsambtenaar Belastingdienst/FIOD, kantoor Almelo, in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 0-OPV en 1-OPV, d.d. 13 april 2011.

4. De verklaring van [betrokkene 4] , proces-verbaal van aangifte, nummer PL0915/09-08 1330, bijlage G-01, blz. 0189 e.v.

5. De verklaring van [betrokkene 4] , proces-verbaal verhoor van een getuige, dossiernummer 44286, codenummer G-01-02, bijlage G-01, blz. 0194 e.v.

6. De verklaring van [betrokkene 4] , proces-verbaal registratie slachtofferzorg, dossiernummer 44286, codenummer G-01-RSZ, blz. 260 e.v.

7. Het schrijven van [A] aan [betrokkene 4] , d.d. 23 augustus 2007, betreffende informatie [A] , bijlage D-07, blz. 0332.

8. De Overeenkomst tot deelname exploitatie Teakaanplant van Stichting [A] , deelnemers [betrokkene 4] en [betrokkene 14] te Utrecht, bijlage D-07-02, blz. 0334 e.v.

9. De brochure "U leeft vandaag en denkt aan morgen" van [A] , bijlage D-07-03, blz. 0341 e.v.

10. De verklaring van [betrokkene 5] , proces-verbaal verhoor van een getuige, dossiernummer 44286, codenummer G-02, bijlage G-02, blz. 0197 e.v.

11. De verklaring van [betrokkene 5] , proces-verbaal registratie slachtofferzorg, dossiernummer 44286, codenummer G-02-RSZ, blz. 0262 e.v.

12. Het schrijven van [A] aan [betrokkene 5] , d.d. 28 augustus 2007, betreffende informatie [A] , bijlage D-08, blz. 0349.

13. Het schrijven van Stichting [A] aan familie [betrokkene 5] , d.d. 12 september 2007, betreffende deelname middels eigen maandbedrag, bijlage D-08-01, blz. 0350 en 0351.

14. Het schrijven van Stichting [A] aan familie [betrokkene 5] , d.d. 12 september 2007, betreffende deelname voorstel FSC houtparticipatie, bijlage D-08-02, blz. 0352 en 0353.

15. De verklaring van [betrokkene 6] , proces-verbaal verhoor van een getuige, dossiernummer 44286, codenummer G-03, bijlage G-03, blz. 0201 e.v.

16. De verklaring van [betrokkene 6] , proces-verbaal registratie slachtofferzorg, dossiernummer 44286, codenummer G-03-RSZ, blz. 0264 e.v.

17. De verklaring van [betrokkene 7] , proces-verbaal verhoor van een getuige, dossiernummer 44286, codenummer G-04, bijlage G-04, blz. 0206 e.v.

18. De verklaring van [betrokkene 7] , proces-verbaal registratie slachtofferzorg, dossiernummer 44286, codenummer G-04-RSZ, blz. 0266 e.v.

19. Het schrijven van [A] aan [betrokkene 7] , d.d. 28 augustus 2007, betreffende Uw informatie aanvraag [A] , bijlage D-09, blz. 0377.

20. Het schrijven van [A] aan [betrokkene 7] , d.d. 20 september 2007, betreffende informatie aanvraag [A] , bijlage D-09-01, blz. 0378.

21. Het schrijven van [A] aan [betrokkene 7] , d.d. 1 oktober 2007, betreffende Uw deelname in [A] , bijlage D-09-01, blz. 0385.

22. De Overeenkomst tot deelname exploitatie Teakaanplant van Stichting [A] , deelnemer [betrokkene 7] te Eefde, bijlage D-09-01, blz. 0379 e.v.

23. De Overeenkomst tot deelname exploitatie Teakaanplant van Stichting [A] , deelnemer [betrokkene 7] te Eefde, bijlage D-09-01, blz. 0386 e.v.

24. De verklaring van [betrokkene 8] , proces-verbaal verhoor van een getuige, dossiernummer 44286, codenummer G-05, bijlage G-05, blz. 0210 e.v.

25. De verklaring [betrokkene 8] , proces-verbaal registratie slachtofferzorg, dossiernummer 44286, codenummer G-05-RSZ, blz. 0268 e.v.

26. De Koopovereenkomst teakopstand van Stichting [A] en [betrokkene 8] , bijlage D 05, blz. 310 e.v.

27. Het schrijven van [A] aan [betrokkene 8] , d.d. 23 oktober 2006, betreffende Uw aankoop [A] , bijlage D-05-04, blz. 0320.

28. Het schrijven van [A] aan [betrokkene 8] , d.d. 23 oktober 2006, betreffende Uw aankoop [A] , bijlage D-05-05, blz. 0321.

29. De kwitantie van [A] voor [betrokkene 8] , d.d. 12 oktober 2006 betreffende aanbetaling van uw participatie, bijlage D-05-06, blz. 0322.

30. De verklaring van [betrokkene 9] , proces-verbaal verhoor van een getuige, dossiernummer 44286, codenummer G-06, bijlage G-06, blz. 0214 e.v.

31. De verklaring van [betrokkene 9] , proces-verbaal registratie slachtofferzorg, dossiernummer 44286, codenummer G-06-RSZ, blz. 0270 e.v.

32. De verklaring van [betrokkene 10] , proces-verbaal verhoor van een getuige, dossiernummer 44286, codenummer G-07, bijlage G-07, blz. 0218 e.v.

33. De verklaring van [betrokkene 10] , proces-verbaal registratie slachtofferzorg, dossiernummer 44286, codenummer G-07-RSZ, blz. 0272 e.v.

34. Het schrijven van Stichting [A] aan [betrokkene 10] , d.d. 13 mei 2008, betreffende bevestiging terugkoop op uw deelname in [A] , bijlage D-19, blz. 0577.

35. De verklaring van [betrokkene 11] , proces-verbaal verhoor van een getuige, dossiernummer 44286, codenummer G-08, bijlage G-08, blz. 0221 e.v.

36. De verklaring van [betrokkene 11] , proces-verbaal registratie slachtofferzorg, dossiernummer 44286, codenummer G-08-RSZ, blz. 0274 e.v.

37. De verklaring van [betrokkene 2] , proces-verbaal verhoor van een getuige, dossiernummer 44286, codenummer G-09, bijlage G-09, blz. 0225 e.v.

38. De verklaring [betrokkene 2] , proces-verbaal registratie slachtofferzorg, dossiernummer 44286, codenummer G-09-RSZ, blz. 0276 e.v.

39. De verklaring van [betrokkene 13] , proces-verbaal verhoor van een getuige, dossiernummer 44286, codenummer G-12, bijlage G-012, blz. 0235 e.v.

40. De verklaring van [betrokkene 13] , proces-verbaal registratie slachtofferzorg, dossiernummer 44286, codenummer G-12-RSZ, blz. 0278 e.v.

41. Het schrijven van [A] aan [betrokkene 13] , bijlage D-06, blz. 0325.

42. De uitdraai van enkele pagina's van de website www. [A] .nl. bijlage D-10. blz. 0392 e.v.

43. De verklaring van [betrokkene 15] , proces-verbaal verhoor van een getuige, dossiernummer 44286, codenummer G-10, bijlage G-010. blz. 0229 e.v.

44. De verklaring van [betrokkene 16] , proces-verbaal verhoor van een getuige, dossiernummer 44286, codenummer G-l 1, bijlage G-01 1, blz. 0232 e.v.

45. De verklaring van [betrokkene 17] , proces-verbaal verhoor van een getuige, dossiernummer 44286, codenummer G-l3, bijlage G-013, blz. 0239 e.v."

2.2.3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2015 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"De raadsman brengt daarnaast het volgende naar voren, zakelijk weergegeven:

Strikt genomen is het noodzaakcriterium op mijn verzoeken van toepassing. Er zijn echter ook argumenten om het verdedigingsbelang als uitgangspunt te nemen. Ondanks het overlijden van [betrokkene 1] verzoek ik u toch een beslissing te nemen op het betreffende verzoek. Dat het feitelijk onmogelijk is geworden om haar te horen is stap twee.

U vraagt mij of het hoger beroep alleen gericht is tegen de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde. Dat klopt. De bewezenverklaring van de feiten 1 en 3 staat niet ter discussie. Feit 4 hangt samen met feit 2. Wat de ontnemingsvordering betreft, zijn er enkele posten waartegen ik verweer zal voeren."

2.2.4.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 februari 2016 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven. Verdachte geeft op ten onrechte te zijn veroordeeld ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit.

(...)

De voorzitter houdt verdachte voor:

U heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit ten aanzien van [A] een bekennende verklaring afgelegd.

De verdachte verklaart als volgt:

Ik blijf bij die bekennende verklaring.

De raadsman voegt toe:

Vandaag hoeven we het niet meer over feit 1 te hebben. Ik ga over dat feit in mijn pleidooi alleen iets naar voren brengen ten aanzien van de strafmaat.

De verdachte vervolgt:

Ik weet niet meer wat ik exact heb verklaard ten aanzien van [C] .

Ik ben er in het begin bij betrokken geweest maar heb mijn handen er later van afgetrokken. Ik ken de namen van de betrokken personen niet. Er was een groepje mensen die hetzelfde wilde doen als wat ik had gedaan bij [A] . Mij is gevraagd om de marketing te begeleiden. Ik had er vanaf het begin een slecht gevoel bij. Ik ben nooit betaald voor die klus.

(...)

De voorzitter vraagt:

Als u niet weet wie die personen zijn en wat de activiteiten zouden moeten worden kunt u toch ook geen informatie verschaffen. Wat dacht u dat de bedoeling was?

De verdachte reageert:

Ik had er geen gedachten bij. Ik ben niet betrokken geweest bij de eindproductie van de folder. Ik heb geen klanten benaderd. Ik weet ook niet wie dat wel deden. De naam [betrokkene 18] ken ik alleen uit het dossier.

Ik weet niets van video-opnames voor [C] .

U houdt mij voor dat ik niet de vereiste vergunningen heb gehad.

Ik ben gestart in 2005 met een voorlopige vergunning. Ik blijf bij hetgeen ik hierover bij de rechtbank heb verklaard.

Ik vind het jammer dat het zo gelopen is. Ik had het destijds persoonlijk moeilijk.

Het is jammer dat we geen getuigen hebben kunnen horen.

(...)

De jongste raadsheer vraagt:

U zegt dat u gestopt bent omdat het geen zuivere koffie was. Maar was waar u zelf mee bezig was met [A] dat dan wel?

De verdachte reageert:

Achteraf gezien was dat oplichting maar ik weet zo niet meer hoe ik dat toen zag.

U vraagt mij of ik de aangewezen persoon was om informatie te vragen. Ik dacht dat ik verder kon in een andere onderneming toen ik moest stoppen met [A] . Er werd mij gevraagd naar mijn ervaringen naar teakhout in Costa Rica. Maar toen ik er achter kwam dat het niet goed zat, ben ik gestopt."

2.2.5.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 februari 2016 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"2.b. de rol van cliënt bij [C]

In deze strafzaak draait het om een tweetal entiteiten die zich schuldig gemaakt zouden hebben aan oplichting van beleggers. Het gaat in beide gevallen om entiteiten die zich bezighouden met beleggingen in teakhout. Cliënt erkent betrokkenheid bij [A] (hierna: [A] ). Ten aanzien van [C] (hierna: [C] ) is dat echter anders. Cliënt heeft slechts zeer beperkt betrokkenheid gehad bij die entiteit. Er is geen sprake van feitelijk leidinggeven, noch van medeplichtigheid van cliënt bij enig handelen van [C] .

(...)

Daarnaast bekende cliënt zijn betrokkenheid bij [A] , waarom dan betrokkenheid bij [C] ontkennen? [A] is een veel groter probleem voor cliënt. Zijn bekennende verklaring inzake [A] maakt daarmee zijn ontkenning in [C] sterker.

(...)

Ik verzoek u cliënt geheel vrij te spreken van het hem onder 2 ten laste gelegde.

3. Feit 1, 3 en 4

Ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4 refereert de verdediging zich aan het oordeel van uw gerechtshof. Met dien verstande dat u rekening dient te houden met een beperktere periode dan ten laste gelegd (zie ook requisitoir, p. 10 en vonnis, p. 19).

4. Strafmaat

4.a. Omvang oplichting

Ten aanzien van feit 1 (oplichting inz. [A] ) komt u tot bewezenverklaring van de oplichting van een negental beleggers.

(...)

4.b. Samenloop

Tussen de feiten 1, 3 en 4 is sprake van een verregaande mate van samenloop. Sterker nog, het ene feit (1) wordt niet gepleegd zonder de andere feiten (3 en 4). Daarmee verzoek ik u rekening te houden bij strafoplegging.

(...)

6. Conclusie

Ik verzoek u cliënt vrij te spreken van het hem onder 2 ten laste gelegde en aan hem een zeer beperkte gevangenisstraf op te leggen.

(...)

Mocht u komen tot bewezenverklaring van alle verweten feiten, dan verzoek ik aan [verdachte] op te leggen een gevangenisstraf met een duur van niet meer dan 4 maanden (gezien samenloop, redelijke termijn, artikel 63 sv, vergelijkbare zaken en de voorlopige hechtenis)."

2.2.6.

Het Hof heeft de verdachte - in afwijking van het oordeel de Rechtbank - vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde, en - overeenkomstig het oordeel van de Rechtbank - veroordeeld wegens 1. "feitelijk leiding geven aan oplichting, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon"; 3. "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 1, aanhef en ten 2e van de Wet op de Economische delicten, terwijl het feit opzettelijk is begaan, meermalen gepleegd"; 4. "feitelijk leiding geven aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 1, aanhef en ten 2e van de Wet op de Economische delicten, terwijl het feit opzettelijk is begaan, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon".

2.3.

Art. 359, derde lid, Sv, dat ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing is, luidt als volgt:

"De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit."

2.4.

Art. 359, derde lid, Sv moet aldus worden verstaan dat slechts kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij sprake is van de aan het slot van die bepaling genoemde gevallen. De beantwoording van de vraag of de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend in de zin van genoemde bepaling, is mede afhankelijk van de - in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid te toetsen - uitleg door de feitenrechter van de door de verdachte afgelegde verklaring (vgl. HR 26 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5776, NJ 2006/542).

De enkele omstandigheid dat de ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring niet met zoveel woorden alle onderdelen van de bewezenverklaring bestrijkt, behoeft niet te betekenen dat de verdachte het bewezenverklaarde niet heeft bekend. Bij de beantwoording van de vraag of van een bekennende verklaring sprake is, kan in het bijzonder van belang zijn of die verklaring tevens elementen bevat die de tenlastelegging op een of meer onderdelen bestrijden, alsmede welke procesopstelling de verdachte heeft gekozen, waarbij in verband met het voortbouwend appel met name betekenis toekomt aan zijn procesopstelling in hoger beroep (vgl. HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1342, NJ 2015/347).

2.5.1.

Het oordeel van het Hof dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend in de zin van art. 359, derde lid tweede volzin, Sv is gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen de hiervoor weergegeven inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 februari 2016 waaruit blijkt dat de verdediging de door de Rechtbank gebezigde bewijsvoering niet heeft bestreden, dat de raadsman de verklaring van de verdachte inzake [A] heeft aangeduid als een bekennende verklaring en dat ook de verdachte heeft verklaard slechts in beroep te zijn gekomen vanwege de veroordeling voor het onder 2 tenlastegelegde, waarvan het Hof de verdachte heeft vrijgesproken.

2.5.2.

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt over de beslissingen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij "de erven van [betrokkene 1] ".

3.2.1.

Het Hof heeft de vordering van de benadeelde partij "de erven van [betrokkene 1] " toegewezen tot een bedrag van € 23.690,-. Het Hof heeft daaromtrent het volgende overwogen:

"De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 23.690,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De raadsman heeft ter zitting van het hof gesteld dat de erfgenamen niet ontvankelijk verklaard moeten worden nu de verdediging zich afvraagt of [betrokkene 2] en [betrokkene 3] wel de erfgenamen zijn van [betrokkene 1] . Nu dit standpunt van de zijde van de verdediging op geen enkele wijze is onderbouwd, gaat het hof aan dit standpunt als zijnde onvoldoende onderbouwd voorbij.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen."

3.2.2.

Het dictum van het bestreden arrest houdt voor zover hier van belang het volgende in:

"Vordering van de benadeelde partij de erven van [betrokkene 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 1] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 23.690,00 (drieëntwintigduizend zeshonderdnegentig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij."

3.3.

Art. 51f Sv luidt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt:

"1. Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde persoon ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen zich voegen diens erfgenamen terzake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek terzake van de daar bedoelde vorderingen."

3.4.

Voor zover het Hof heeft geoordeeld dat de door de erfgenamen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ingediende vordering moet worden aangemerkt als een vordering tot schadevergoeding van de erflater, heeft het Hof miskend dat art. 51f, eerste lid, Sv inhoudt dat enkel degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij kan voegen in het strafproces.

Voor zover het Hof heeft geoordeeld dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] als erfgenamen hun onder algemene titel verkregen vordering hebben ingediend, heeft het Hof miskend dat art. 51f Sv niet de mogelijkheid opent dat erfgenamen zich in het strafproces voegen na het overlijden van het slachtoffer, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat het slachtoffer ten gevolge van het ten laste van de verdachte bewezenverklaarde is overleden (vgl. Hoge Raad 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS9225, NJ 2007/510, rov. 4.5).

Een en ander brengt mee dat het Hof de benadeelde partij "de erven van [betrokkene 1] " niet-ontvankelijk had dienen te verklaren in haar vordering.

3.5.

Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal "de erven van [betrokkene 1] " niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering als benadeelde partij.

3.6.

Opmerking verdient nog dat de omstandigheid dat de in art. 51f, eerste lid, Sv bedoelde persoon ('degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit') is overleden, niet eraan in de weg staat dat de rechter de in art. 36f, eerste lid, Sr bedoelde schadevergoedingsmaatregel oplegt "ten behoeve van het slachtoffer". Immers de in het tweede lid van art. 36f Sr bedoelde aansprakelijkheid van de verdachte jegens het slachtoffer gaat door diens overlijden niet teloor (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9105, NJ 2011/259, rov. 2.7).

4 Beoordeling van het vierde middel

4.1.

Het middel klaagt dat het Hof aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen in totaal meer vervangende hechtenis heeft verbonden dan wettelijk is toegestaan.

4.2.

De bestreden uitspraak houdt in dat het Hof aan de verdachte op de voet van art. 36f Sr de verplichting heeft opgelegd tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partijen [betrokkene 6] , [betrokkene 5] , de erven van [betrokkene 1] , [betrokkene 11] , [betrokkene 4] , [betrokkene 10] , [betrokkene 8] , [betrokkene 13] en [betrokkene 7] van respectievelijk € 4.500,-, € 19.556,-, € 23.690,-, € 4.889,-, € 21.806,-, € 4.500,-, € 32.000,-, € 45.643,75 en € 9.000,-. Daarbij heeft het Hof de vervangende hechtenis bepaald op respectievelijk 52, 132, 153, 58, 144, 55, 195, 263 en 80 dagen.

4.3.

Ingevolge art. 36f, vijfde lid, in verbinding met art. 24c, eerste lid, Sr dient de rechter bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, te bevelen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast. Die vervangende hechtenis mag in een geval als het onderhavige waarin sprake is van samenloop als bedoeld in art. 57 Sr, op grond van art. 60a in verbinding met art. 24c, derde lid, Sr ten hoogste een jaar bedragen.

4.4.

Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal zelf de duur van de vervangende hechtenis verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van een jaar, met herstel van de kennelijke verschrijving dat in plaats van [betrokkene 1] is bedoeld [betrokkene 12] .

5 Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van veertien maanden.

7 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 6 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

8 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij "de erven van [betrokkene 1] " en de bij de aan de verdachte opgelegde verplichtingen tot betaling aan de staat bevolen vervangende hechtenis;

vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze dertien maanden en een week beloopt;

verklaart "de erven van [betrokkene 1] " niet-ontvankelijk in hun vordering als benadeelde partij;

bepaalt dat het aan de Staat te betalen bedrag van € 4.500,-, ten behoeve van [betrokkene 6] bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door 10 dagen hechtenis;

bepaalt dat het aan de Staat te betalen bedrag van € 19.556,- ten behoeve van [betrokkene 5] bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door 43 dagen hechtenis;

bepaalt dat het aan de Staat te betalen bedrag van € 23.690,-, ten behoeve van (de erven van) [betrokkene 1] bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door 52 dagen hechtenis

bepaalt dat het aan de Staat te betalen bedrag van € 4.889,- ten behoeve van [betrokkene 11] bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door 11 dagen hechtenis;

bepaalt dat het aan de Staat te betalen bedrag van € 21.806,- ten behoeve van [betrokkene 4] bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door 48 dagen hechtenis;

bepaalt dat het aan de Staat te betalen bedrag van € 4.500,- ten behoeve van [betrokkene 10] bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door 10 dagen hechtenis;

bepaalt dat het aan de Staat te betalen bedrag van € 32.000,- ten behoeve van [betrokkene 8] bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door 71 dagen hechtenis;

bepaalt dat het aan de Staat te betalen bedrag van € 45.643,75 ten behoeve van [betrokkene 13] bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door 101 dagen hechtenis;

bepaalt dat het aan de Staat te betalen bedrag van € 9.000,- ten behoeve van [betrokkene 7] bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door 19 dagen hechtenis;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juni 2018.