Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:787

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
30-05-2018
Zaaknummer
16/05105
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:504
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen aanwezig hebben van hennep in echtelijke woonboot, art. 3.C Opiumwet. Bewijsklacht medeplegen. ’s Hofs oordeel dat verdachte de hennepplanten tezamen en in vereniging met een ander, haar echtgenoot, opzettelijk aanwezig heeft gehad, is gelet op hetgeen Hof blijkens de bewijsvoering heeft vastgesteld, niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat verdachte ttz. heeft verklaard dat zij wist dat er in de woonboot een hennepkwekerij was, haar echtgenoot het plan om een hennepkwekerij te beginnen van te voren met haar heeft besproken en verdachte met haar echtgenoot destijds in de echtelijke woonboot - die (mede) haar eigendom was - woonde. Samenhang met 16/05106 P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/1150
RvdW 2018/677
SR-Updates.nl 2018-0237
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 mei 2018

Strafkamer

nr. S 16/05105

Vpe/LBS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 12 augustus 2016, nummer 21/006251-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.A. Krikke, advocaat te Bussum, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ten aanzien van het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij in de periode van 21 juni 2013 tot en met 8 juli 2013 te Almere tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad, in een woonboot gelegen aan de [a-straat 1], een hoeveelheid van ongeveer 161 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 109 e.v. van het proces-verbaal, genummerd 2012084346), d.d. 9 juli 2013, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:

Op maandag 8 juli 2013 omstreeks 08:50 uur waren wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1], in uniform gekleed en waren wij belast met het taakaccent hennep.

Op genoemde dag, datum en tijdstip waren wij, verbalisanten, belast met een ruimdag van hennepplantages te Almere-Buiten.

Naar aanleiding van een anonieme melding en een positieve netwerkmeting van een mogelijke hennepplantage aan de [a-straat 1] te Almere-Buiten zijn wij in het bezit van een machtiging tot binnentreden in een woning aan de deur gegaan van genoemde woning. Wij zagen dat de woning een woonboot betrof.

(...)

Ik zag dat [betrokkene 1] voor mij uitliep door de slaapkamer heen richting een naastgelegen kamer met daarin een aantal kledingkasten. Ik zag dat [betrokkene 1] de meest rechter kledingkast opendeed en vervolgens de achterzijde van de kast ook opende. Ik zag dat je via deze kast in een ruimte erachter kon komen. Ik zag dat [betrokkene 1] deze ruimte inliep. In deze ruimte zag ik dat er zich een hennepplantage bevond. Ik zag meerdere assimilatielampen, een koolstoffilter en meerdere planten welke ik herkende aan de specifieke vorm en geur als zijnde hennepplanten.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal Opiumwet (als bijlage op pagina 122 e.v. van het proces-verbaal, genummerd 2012084346), d.d. 30 juli 2013, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4]:

(...)

Uit de aangeboden hoeveelheid materiaal werd door ons een representatief monster genomen dat werd gewaarmerkt zoals in de sporenlijst is vermeld. Dit monster werd getest conform het gestelde in de 'Forensisch technische norm 120.02' waarbij gebruik werd gemaakt van een narcotest van MMC International.

De test gaf een positieve reactie, indicatief voor THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hasjiesj, vermeld op Lijst II van de Opiumwet.

3. Een ruimlijst hennep (als bijlage op pagina 302 van het proces-verbaal, genummerd 2012084346), d.d. 8 juli 2013, ingevuld door verbalisant [verbalisant 2]:

CAT OMSCHRIJVINGGOEDEREN BESLUIT AANTAL RUIMTE A

1 Hennepplanten vern st 161

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op pagina 27 e.v. van het proces-verbaal, genummerd 2012084346) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1], afgelegd op 8 juli 2013:

(...)

V: Op welk adres woont u?

A: Ik woon op de [a-straat 1] te Almere.

(...)

V: Ben je huurder of eigenaar van de woning?

A: Ik ben eigenaar van deze woning.

V: Met wie woont u daar?

A: Ik woon er samen met mijn vrouw [verdachte].

(...)

V: U wordt verdacht van het kweken van hennep op de [a-straat 1] te Almere, wat kunt u hierover vertellen?

A: Wat wil je weten, het staat er. Ik ben daar verantwoordelijk voor.

(...)

V: Uit onderzoek is gebleken dat de kwekerij al langere tijd heeft bestaan. Wat kunt u hierover verklaren?

A: Ik ben er in januari 2013 mee begonnen en wat er nu in stond zou de derde oogst worden.

(...)

V: Hoe ben je ertoe gekomen om een hennepkwekerij te beginnen?

A: Ik ben begonnen met een hennepkwekerij vanwege financiële nood. Ik had een autobedrijf, dat in zwaar weer terecht is gekomen.

5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op pagina 42 e.v. van het proces-verbaal, genummerd 2012084346) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte, afgelegd op 8 juli 2013:

(...)

V: Waar staat u ingeschreven?

A: [a-straat 1] te Almere.

V: Verblijft u ook op dit adres?

A: Ja.

V: u bent aangehouden omdat er in uw woning een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen, wat vind u daarvan?

(...)

A: Ik weet dat hij er zit.

(...)

V: Bent u erbij geweest op het moment dat de hennepplantage werd opgebouwd?

A: Ik was in huis.

(...)

V: Is er gesproken over wat er ging gebeuren met de hennep?

A: De zaak ging heel slecht en ik werd ziek, dat werd een drama.

V: Is er vanuit dit gesprek besloten om een hennepplantage te gaan beginnen?

A: Ja, vanuit dit gesprek.

6. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van het hof op 29 juli 2016, voor zover inhoudende:

Ik wist dat er een hennepkwekerij op onze woonboot was. Mijn man heeft eind 2012 het plan om een hennepkwekerij te beginnen van tevoren met mij besproken.

Die woonboot was ons gezamenlijk eigendom en wij woonden toen ook samen op die boot. Ik wist wel dat het kweken van hennep strafbaar was."

2.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"De verdediging heeft bepleit dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk telen en/of aanwezig hebben van hennep dan wel opzettelijke medeplichtigheid aan de hennepteelt door medeverdachte [betrokkene 1]. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte geen toestemming heeft gegeven voor de plantage en dat zij bovendien in de tenlastegelegde periode aan borstkanker leed, waardoor zij vanwege chemotherapie en bestraling fysiek en geestelijk niet in staat was om iets tegen de plantage te ondernemen.

Dit verweer wordt verworpen. Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep. Redengevende feiten en omstandigheden hiervoor ziet het hof in het volgende.

In de woonboot waarin verdachte en haar (toenmalige) echtgenoot en medeverdachte [betrokkene 1] woonden is op 8 juli 2013 een hennepkwekerij aangetroffen. De kwekerij bevond zich in een slaapkamer van de woonboot in de directe omgeving van de slaapkamer van verdachten. Deze twee kamers werden gescheiden door een kastenwand. Verdachte en medeverdachte hebben verklaard dat de hennepkwekerij is aangelegd en werd onderhouden door [betrokkene 1]. Ter zitting van het hof heeft verdachte verklaard dat zij wist dat er in de woonboot een hennepkwekerij zat. [betrokkene 1] heeft eind 2012 het plan om een hennepkwekerij te beginnen van te voren met haar besproken. Verdachte woonde destijds gezamenlijk met haar echtgenoot [betrokkene 1] in de echtelijke woonboot en deze was (mede) haar eigendom.

Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte willens en wetens de aanwezigheid van de hennepplanten in hun gezamenlijke woonboot heeft geaccepteerd en dat derhalve in zoverre sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [betrokkene 1]. Aldus kan het medeplegen door verdachte van het aanwezig hebben van hennepplanten bewezen worden verklaard."

2.3.

Het oordeel van het Hof dat de verdachte de hennepplanten tezamen en in vereniging met een ander, haar echtgenoot, opzettelijk aanwezig heeft gehad, is gelet op hetgeen het Hof blijkens de hiervoor weergegeven bewijsvoering heeft vastgesteld, niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat de verdachte ter terechtzitting van het Hof heeft verklaard dat zij wist dat er in de woonboot een hennepkwekerij was, haar echtgenoot eind 2012 het plan om een hennepkwekerij te beginnen van te voren met haar heeft besproken en de verdachte met haar echtgenoot destijds in de echtelijke woonboot – die (mede) haar eigendom was – woonde.

2.4.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 mei 2018.