Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:754

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
23-05-2018
Zaaknummer
16/04762
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:282
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in h.b. op de grond dat h.b. na in persoon betekening inleidende dagvaarding te laat is ingesteld, art. 408.1.a Sv. Verschoonbare termijnoverschrijding t.g.v. niet-naleving art. 51 (oud) Sv in e.a.? ’s Hofs oordeel dat verdachte ex art. 408.1.a Sv niet kan worden ontvangen in h.b. nu hij op 8-12-2015 h.b. heeft ingesteld, terwijl dagvaarding om ttz. van Pr van 27-5-2015 te verschijnen aan hem in persoon is betekend, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dat het verzuim om tijdig h.b. in te stellen - naar in cassatieschriftuur wordt gesteld - is gelegen in omstandigheid dat aan raadsvrouwe van verdachte in strijd met art. 51 (oud) Sv, thans art. 48 Sv, niet een afschrift van dagvaarding in e.a. is gezonden, dwingt niet tot ander oordeel (vgl. ECLI:NL:HR:2007:BB6401). Samenhang met 16/04761 P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/1110
RvdW 2018/645
SR-Updates.nl 2018-0222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 mei 2018

Strafkamer

nr. S 16/04762

SA/SG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 31 augustus 2016, nummer 22/005503-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt onder meer dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep, althans zijn beslissing niet toereikend heeft gemotiveerd.

2.2.

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. De bestreden uitspraak houdt als overweging van het Hof, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

Op grond van artikel 39, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering geeft de gekozen raadsman van zijn optreden als zodanig, wanneer de officier van justitie reeds in de zaak betrokken is, schriftelijk kennis aan de griffier. Wanneer dat nog niet het geval is, geeft hij van zijn optreden schriftelijk kennis aan de in zaak betrokken hulpofficier.

Nu de strafzaak zich op het moment dat de raadsvrouw zich had gesteld nog in de piketfase bevond en derhalve geen officier van justitie in de zaak betrokken was, heeft de raadsvrouw zich op een juiste wijze gesteld bij de in de zaak betrokken hulpofficier. Nu de (...) brief als een stelbrief in de zin van artikel 39, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering moet worden aangemerkt, had de raadsvrouw op grond van artikel 51 van het Wetboek van Strafvordering een afschrift van de dagvaarding en de overige processtukken moeten ontvangen.

De vraag die voorts voorligt is of het nalaten van voornoemde verplichting tot gevolg heeft dat de appeltermijn niet is gaan lopen vanaf de dag van de uitspraak, maar pas vanaf het moment dat de raadsvrouw bekend is geraakt met het vonnis waarvan beroep.

Op grond van artikel 408, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering moet binnen veertien dagen, na de einduitspraak hoger beroep worden ingesteld indien de dagvaarding om op de terechtzitting te verschijnen aan de verdachte in persoon is betekend. Gelet hierop en op de uitspraken van de Hoge Raad, 6 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4260 en van de Hoge Raad, 22 juni 2010 ECLI:NL:HR:2010:BM3628 is voor het aanvangen van de appeltermijn slechts bepalend of de verdachte - en dus niet de raadsvrouw - op de hoogte was van de datum van de inhoudelijke behandeling van de zaak.

Nu de dagvaarding van de verdachte om op 27 mei 2015 ter terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen, op 28 januari 2015 in persoon aan de verdachte is uitgereikt, had de verdachte binnen veertien dagen na het op 27 mei 2015 gewezen vonnis in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter eerst op 8 december 2015 hoger beroep ingesteld, zodat hij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard."

2.3.

Art. 408, eerste lid onder a, Sv luidt:

"1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:

a. De dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend."

2.4.

Het oordeel van het Hof dat de verdachte ingevolge art. 408, eerste lid onder a, Sv in het hoger beroep niet kan worden ontvangen nu de verdachte op 8 december 2015 hoger beroep heeft ingesteld, terwijl de dagvaarding om ter terechtzitting van de Politierechter van 27 mei 2015 te verschijnen aan hem in persoon is betekend, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dat het verzuim om tijdig hoger beroep in te stellen - naar in de cassatieschriftuur wordt gesteld - is gelegen in de omstandigheid dat aan de raadsvrouwe van de verdachte in strijd met art. 51 (oud) Sv, thans art. 48 Sv, niet een afschrift van de dagvaarding in eerste aanleg is gezonden, dwingt niet tot een ander oordeel. (Vgl. HR 27 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6401, NJ 2007/651.)

2.5.

Het middel faalt in zoverre.

2.6.

Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2018.