Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:752

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
23-05-2018
Zaaknummer
16/04704
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:491
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 416.2 Sv (dubbel verstek) na veroordeling t.z.v. rijden na vordering tot overgifte rijbewijs, overtreding art. 9.7 WVW 1994. Aan cassatieschriftuur gehechte stelbrief van raadsman gericht aan ander Hof niet bij stukken, art. 51 (oud) Sv, thans art. 48 Sv. Doorzendplicht wanneer raadsman stelbrief naar verkeerde instantie heeft gestuurd? Middel berust op opvatting dat een door een rechtsgeleerd raadsman (abusievelijk) aan strafgriffie van ander gerecht (Hof Arnhem-Leeuwarden te Arnhem) dan gerecht waar de zaak van verdachte in h.b. dient (Hof Den Haag), verzonden stelbrief a.b.i. art. 39 (oud) Sv, door ontvangende strafgriffie moet worden doorgezonden naar strafgriffie van het juiste gerecht, zodat ervan dient te worden uitgegaan dat mr. A zich met zijn brief gericht aan sector strafrecht van Hof Arnhem-Leeuwarden te Arnhem, op juiste wijze als raadsman heeft gesteld. Die opvatting vindt echter geen steun in het recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/1112
NJ 2018/265
RvdW 2018/670
NBSTRAF 2018/211
SR-Updates.nl 2018-0223
NbSr 2018/211
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 mei 2018

Strafkamer

nr. S 16/04704

SSA/SA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Den Haag van 10 juni 2016, nummer 22/000049-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H. Raza, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat in hoger beroep het voorschrift van art. 51 (oud) Sv, thans art. 48 Sv niet is nageleefd, doordat is verzuimd een afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsman van de verdachte te zenden.

2.2.

De op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken houden niets in waaruit kan volgen dat voor de behandeling van de zaak van de verdachte op 10 juni 2016 ter terechtzitting van het Gerechtshof Den Haag een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan een voor de verdachte optredende raadsman is gezonden. Het moet er daarom voor worden gehouden dat dit niet is geschied. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar noch de verdachte noch een raadsman verschenen. Vervolgens heeft het Hof de verdachte met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep.

2.3.

Ter ondersteuning van de stelling dat in hoger beroep art. 51 (oud) Sv niet is nageleefd, is aan de cassatieschriftuur gehecht onder meer een afschrift van een brief van 6 januari 2016 van mr. K. Durdu, advocaat te Rotterdam, gericht aan de sector strafrecht van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te Arnhem, onder vermelding van het parketnummer in eerste aanleg van de strafzaak tegen de verdachte (96/112042-15). Deze brief houdt in dat mr. Durdu zich wenst te stellen als raadsman van de verdachte met het verzoek hem de procestukken te doen toekomen.

2.4.

In aanmerking genomen dat het vonnis in eerste aanleg is gewezen door de Politierechter in de Rechtbank Rotterdam diende de raadsman ingevolge art. 39, eerste lid, (oud) Sv van zijn optreden als zodanig kennis te geven aan de Griffier van het Gerechtshof Den Haag. Noch de schriftuur noch de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding houden iets in waaruit kan volgen dat voormelde brief door de raadsman is verzonden naar de Griffier van het Gerechtshof Den Haag en door deze is ontvangen.

2.5.

Het middel berust op de opvatting dat een door een rechtsgeleerd raadsman (abusievelijk) aan de strafgriffie van een ander gerecht dan het gerecht waar de zaak van de verdachte in hoger beroep dient, verzonden stelbrief als bedoeld in art. 39 (oud) Sv, door de ontvangende strafgriffie moet worden doorgezonden naar de strafgriffie van het juiste gerecht, zodat in het onderhavige geval ervan dient te worden uitgegaan dat mr. Durdu zich met de onder 2.3 vermelde brief op juiste wijze als raadsman heeft gesteld. Die opvatting vindt echter geen steun in het recht.

2.6.

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in het bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2018.