Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:750

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
23-05-2018
Zaaknummer
16/04298
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:490
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Mishandeling, art. 300.1 Sr. Heeft Hof i.s.m. art. 301.4 Sv p-v van bevindingen van politie tot bewijs gebezigd? HR: art. 81.1 RO. CAG: Voldaan aan art. 301.4 jo. 417 Sv, nu voorzitter Hof tijdens onderzoek ttz. in h.b. korte inhoud heeft medegedeeld van “de stukken van het voorbereidend onderzoek en alle overige stukken van het onderzoek”. Nu raadsman heeft verklaard geen behoefte te hebben aan het verder voorhouden van stukken uit dossier, heeft verdediging bovendien geen in rechte te respecteren belang bij klacht dat stukken niet ttz. zijn voorgelezen dan wel dat korte inhoud daarvan aldaar niet is medegedeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2018/642
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 mei 2018

Strafkamer

nr. S 16/04298

IV/JHO

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 10 augustus 2016, nummer 22/003028-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2018.