Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:747

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
23-05-2018
Zaaknummer
16/03551
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:487
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Doodslag in Sint Maarten door met vuurwapen meerdere kogels af te vuren en voorhanden hebben vuurwapen. 1. Veronderstelde noodweer i.g.v. huisvredebreuk, art. 1:114 SrStM en art. art. 43 SrNA (oud). 2. Vonnis niet binnen tweemaal vierentwintig uren na uitspraak ondertekend door rechters die over zaak hebben geoordeeld en door griffier die bij uitspraak aanwezig is geweest, art. 410.1 SvStM. Ad 1. Zowel art. 43.2 SrNA (oud) als art. 1:114.2 SrStM bepalen dat i.h.k.v. een beroep op noodweer de verdediging wordt voorondersteld noodzakelijk te zijn indien aanrander het in art. 144 SrNA (oud) respectievelijk art. 2:65 SrStM bedoelde misdrijf huis-, lokaal- of erfvredebreuk begaat, met dien verstande dat, ingeval daarbij sprake is van het betreden van een (besloten) erf door aanrander, die vooronderstelling slechts geldt als dit misdrijf is begaan "in de onmiddellijke nabijheid van de woning". Mede in het licht van de ontstaansgeschiedenis van art. 43.2 SrNA en art. 1:114.2 SrStM geeft ’s Hofs oordeel dat een afstand van ruim 24 meter van de woning, vlakbij de openbare weg, niet als "in de onmiddellijke nabijheid van de woning" kan worden aangemerkt, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Ad 2. Middel berust op opvatting dat vormvoorschrift a.b.i. art. 410.1 SvStM van zodanig essentiële aard is dat bij enkele niet-naleving daarvan nietigheid moet volgen. Die opvatting is onjuist (vgl. m.b.t. art. 365.1 Sv Nederland HR NJ 1935, p. 685 en HR NJ 1949/429).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/1108
RvdW 2018/664
NJ 2018/367 met annotatie van T.M. Schalken
SR-Updates.nl 2018-0225
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 mei 2018

Strafkamer

nr. S 16/03551 A

JHO

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 29 juni 2016, nummer H 143/15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1.

Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat het bepaalde in art. 1:114, tweede lid, Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten (hierna: SrStM) niet van toepassing is, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is - voor zover in cassatie van belang - bewezenverklaard:

"dat hij op 21 mei 2015 te Sint Maarten, opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer] , van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk, met een vuurwapen, meerdere kogels afgevuurd op [slachtoffer] , ten gevolge waarvan deze is overleden."

2.2.2.

Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota heeft de raadsvrouwe aldaar het verweer gevoerd dat de verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Het Hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De verdachte heeft een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces en tot ontslag van alle rechtsvervolging geconcludeerd. Volgens de verdachte werd hij door het latere slachtoffer bedreigd met een schaar en heeft hij, verdachte, zich tegen deze wederrechtelijke aanranding van zijn lijf moeten en mogen verdedigen. Daarbij is volgens de verdachte van belang dat het slachtoffer voorafgaand aan het onderhavige incident de verdachte bij herhaling heeft bedreigd en geprovoceerd, waardoor het slachtoffer angst had gekweekt bij de verdachte en de verdachte vanuit een hevige gemoedsbeweging heeft gehandeld.

Het Hof verwerpt dit verweer.

De verdachte is op 21 mei 2015, nadat hij een woordenwisseling heeft gehad met het slachtoffer, naar zijn huis gelopen en daar naar binnen gegaan. Vervolgens heeft de verdachte in zijn woning een vuurwapen gepakt en is hij wederom naar buiten gegaan. De verdachte werd buiten opnieuw geconfronteerd met het slachtoffer en heeft na een korte woordenwisseling vijf keer op het slachtoffer geschoten.

Nu een en ander zich op ruim 24 meter van de woning van verdachte, vlakbij de openbare weg en dus niet in de onmiddellijke nabijheid van de woning van de verdachte heeft voorgedaan, is het bepaalde in artikel 1:114 lid 2 Sr niet van toepassing.

Het verweer van de verdachte dat hij door het slachtoffer met een schaar (of met een daarop gelijkend voorwerp) werd bedreigd, vindt geen steun in de bewijsmiddelen. Geen van de getuigen verklaart een voorwerp in de hand van het slachtoffer te hebben gezien en ook is naderhand geen schaar of ander voorwerp in de buurt van het lichaam van het slachtoffer aangetroffen. Het verweer mist derhalve feitelijke grondslag. Ook voor het niet nader gesubstantieerde verweer van de verdachte dat de schaar mogelijk door de getuige [getuige 1] bij het lichaam van het slachtoffer is weggehaald, zijn geen aanknopingspunten te vinden in het dossier. Dit verweer treft daarom evenmin doel.

Het voorgaande brengt mee dat van een wederrechtelijke aanranding geen sprake was en dat de verdachte zich niet op noodweer dan wel noodweerexces kan beroepen."

2.3.1.

Ten tijde van het tenlastegelegde was in Sint Maarten het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (hierna: SrNA) van kracht. Art. 43, eerste en tweede lid, SrNA luidde destijds als volgt:

"1. Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen oogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

2. De verdediging, bedoeld in het eerste lid, wordt voorondersteld noodzakelijk te zijn, behoudens voor zover het tegendeel blijkt, indien de aanrander ten tijde van of direct voorafgaand aan de aanranding het misdrijf van artikel 144 begaat of heeft begaan, met dien verstande dat het in dat artikel bedoelde 'erf' hier dient te worden begrepen als de onmiddellijke nabijheid van de woning."

2.3.2.

Art. 144, eerste lid, SrNA luidde destijds:

"Hij die, hetzij in de woning of in het bij eene woning behoorend erf, hetzij in het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege den rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden."

2.3.3.

Art. 1:114 SrStM is ingevoerd bij Landsverordening van 13 december 2012 (houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Strafrecht, AB Sint Maarten, 2013, no. 2) en in werking getreden op 1 juni 2015. Dit artikel volgt art. 43 SrNA op en luidt, voor zover in cassatie van belang:

"1. Niet strafbaar is een gedraging:

(...)

b. geboden door de noodzakelijke verdediging tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van lijf, eerbaarheid of goed van de dader zelf of een ander;

(...)

2. De verdediging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt voorondersteld noodzakelijk te zijn, behoudens voor zover het tegendeel blijkt, indien de aanrander ten tijde van of direct voorafgaand aan de aanranding het misdrijf van artikel 2:65 begaat of heeft begaan, met dien verstande, dat het in dat artikel bedoelde 'erf' hier dient te worden begrepen als de onmiddellijke nabijheid van de woning."

2.3.4.

Art. 2:65, eerste lid, SrStM luidt:

"Hij die opzettelijk en wederrechtelijk vertoeft in de woning of het besloten lokaal of op een besloten erf, bij een ander in gebruik, wordt als schuldig aan huisvredebreuk gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie."

2.3.5.

De ontstaansgeschiedenis van art. 1:114 SrStM en zijn voorganger art. 43 SrNA (oud) houdt onder meer in:

- het ontwerp bij het voorstel dat heeft geleid tot de Landsverordening van 31 maart 2010 houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (uitbreiding zelfbescherming) (P.B. NA 2010, no. 16):

"(...) dat het wenselijk is regels te stellen teneinde gehoor te geven aan de in de samenleving bestaande behoefte aan de uitbreiding van zelfbescherming door burgers wanneer zijzelf of andere aanwezigen in of in de onmiddellijke nabijheid van woning of besloten lokaal het slachtoffer worden of dreigen te worden van een ernstig strafbaar feit en zich daartegen verdedigen." (Staten van de Nederlandse Antillen 2006/07, 3213, no. 2, p. 1)

- de memorie van toelichting bij voormeld voorstel:

"Met name in situaties dat burgers worden geconfronteerd met ongewenste derden in hun meest persoonlijke omgeving, de woning, zou het, meer dan thans het geval is, mogelijk moeten zijn dat burgers zich beschermen.

(...)

Om die reden wordt hier gekozen voor een uitbreiding van artikel 43, opdat daarmee het feitelijk recht op zelfbescherming van burgers, wanneer ze zich in een persoonlijke ruimte bevinden, wordt verbreed. De uitbreiding betreft de woning, de onmiddellijke nabijheid daarvan alsmede het besloten lokaal. (...) Die verruiming vindt plaats door aansluiting te zoeken bij de delictsomschrijving van het misdrijf van art. 144 Wetboek van Strafrecht (huisvredebreuk). (...) In de onderhavige landsverordening wordt dan ook voorgesteld artikel 43 Wetboek van Strafrecht uit te breiden, door te verwijzen naar art. 144, met de daar genoemde plaatsen: de woning, het bij de woning behorende erf en het besloten lokaal. Er wordt wel voor gekozen het begrip 'erf' beperkt uit te leggen. (...) Wanneer het een erf betreft, dan geldt de uitbreiding slechts voor de onmiddellijke omgeving van de woning. Daar doet zich de inbreuk op de persoonlijke ruimte immers eveneens voor. (...) Wel dient de nabijheid onmiddellijk te zijn, waarbij gedoeld wordt op een dusdanige afstand tot de woning dat er gesproken kan worden van een inbreuk op de persoonlijke ruimte van een burger. Het is duidelijk dat daarbij eerder aan enkele meters dan aan ruime afstanden dient te worden gedacht. Die beperking is ingegeven door het feit dat het begrip erf hier te lande nogal eens een (zeer) ruime betekenis heeft, doordat er woningen zijn met zeer grote stukken land, landerijen en dus erven eromheen. In geval een persoon enige honderden meters of zelfs kilometers van huis een indringer op zijn erf ontwaart, kan toch moeilijk worden volgehouden dat dan steeds bij voorbaat van een 'noodweer-situatie' sprake is. Echter de persoon die thuis komt en in zijn woning of vlak bij zijn woning, bijvoorbeeld bij zijn voordeur of morrelend aan een raam of shutters van zijn woning, een indringer ontwaart, moet meer mogelijkheden krijgen om voor zijn rechten op te komen." (Staten van de Nederlandse Antillen 2006/07, 3213, 3, p. 1-3).

2.4.

Zowel art. 43, tweede lid, SrNA (oud) als art. 1:114, tweede lid, SrStM bepalen, kort gezegd, dat in het kader van een beroep op noodweer de verdediging wordt voorondersteld noodzakelijk te zijn indien de aanrander het in art. 144 SrNA (oud) respectievelijk art. 2:65 SrStM bedoelde misdrijf huis-, lokaal- of erfvredebreuk begaat, met dien verstande dat, ingeval daarbij sprake is van het betreden van een (besloten) erf door de aanrander, die vooronderstelling slechts geldt als dit misdrijf is begaan "in de onmiddellijke nabijheid van de woning". Mede in het licht van de hiervoor onder 2.3.5 weergegeven ontstaansgeschiedenis geeft het oordeel van het Hof dat in het onderhavige geval een afstand van ruim 24 meter van de woning, vlakbij de openbare weg, niet als "in de onmiddellijke nabijheid van de woning" kan worden aangemerkt, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

2.5.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het derde middel

3.1.

Het middel klaagt dat het bestreden vonnis niet binnen tweemaal vierentwintig uren na de uitspraak is ondertekend door de rechters die over de zaak hebben geoordeeld en door de griffier die bij de uitspraak aanwezig is geweest.

3.2.

Art. 410, eerste lid, Wetboek van Strafvordering Sint Maarten (hierna: SvStM) luidt:

"Het vonnis wordt binnen tweemaal vierentwintig uren na de uitspraak ondertekend door de rechter of rechters die over de zaak hebben geoordeeld, en door de griffier die bij de uitspraak tegenwoordig is geweest."

3.3.

Het middel berust op de opvatting dat het vormvoorschrift als bedoeld in art. 410, eerste lid, SvStM van zodanig essentiële aard is dat bij de enkele niet-naleving daarvan nietigheid moet volgen. Die opvatting is onjuist (vgl., met betrekking tot art. 365, eerste lid, van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering, HR 4 maart 1935, NJ 1935, p. 685 en HR 12 april 1949, NJ 1949/429).

3.4.

Het middel faalt.

4 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van tien jaren.

6 Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 5 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze negen jaren en zes maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2018.