Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:740

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
22-05-2018
Zaaknummer
16/04191
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:483
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2016:2684, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen bedreiging opsporingsambtenaren door tijdens vlucht voor politie vanuit busje met vuurwapens meerdere schoten af te vuren zonder dat is vastgesteld wie heeft geschoten, art. 285.1 Sr. Blijkens bewijsvoering heeft Hof o.m. vastgesteld dat verdachte deel heeft uitgemaakt van een groep personen die hennepplanten heeft weggenomen (ripdeal), dat de groep o.m. vuurwapens, munitie en tiewraps met zich voerde, dat na de beroving in ieder geval vier personen van voormelde groep, onder wie verdachte, in een busje met daarin de geroofde hennepplanten zijn gaan rijden, dat bestuurder van dat busje op enig moment met hoge snelheid is weggereden van een politieauto waarin opsporingsambtenaren A en B zich bevonden, en dat daarna een achtervolging heeft plaatsgevonden waarbij snelheden zijn bereikt tot 180 km per uur en bestuurder van het busje o.m. de politieauto meermalen heeft afgesneden, tegen het verkeer in is gaan rijden en door een of twee inzittenden van dat busje meermalen met vuurwapens is geschoten door de achterruit van datzelfde busje, hetgeen waarneembaar was voor A en B, terwijl er geen aanwijzingen zijn dat verdachte niet met de vlucht en het daarmee samenhangende rijgedrag en het schieten met vuurwapens instemde. Hof heeft daaruit niet onbegrijpelijk afgeleid dat verdachte en zijn mededaders koste wat kost wilden ontkomen aan een aanhouding en zij reeds bij de voorbereiding van de beroving hebben geanticipeerd op mogelijk gebruik van geweld of bedreiging met geweld. ‘s Hofs daarop gebaseerde oordeel dat verdachte en zijn mededaders zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat sprake is van medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van A en B geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, gelet op ‘s Hofs vaststellingen, toereikend gemotiveerd. Samenhang met 16/03381.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/1109
RvdW 2018/641
SR-Updates.nl 2018-0215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 mei 2018

Strafkamer

nr. S 16/04191

ES

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 juli 2016, nummer 20/001070-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is, voor zover in cassatie van belang, onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 19 juli 2011 te Prinsenbeek, gemeente Breda, tezamen en in vereniging met anderen, de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededaders, terwijl zij reden in een Volkswagenbusje en terwijl zij op korte afstand werden achtervolgd door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], opzettelijk dreigend vanuit dat Volkswagenbusje met vuurwapens door de achterruit heen meerdere schoten afgevuurd hoorbaar en zichtbaar voor [verbalisant 1] en [verbalisant 2]."

2.2.1.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

"Plegen of medeplegen?

Het hof is van oordeel dat wegens het ontbreken van duidelijk technisch en/of ander betrouwbaar bewijs niet met voldoende overtuiging kan worden vastgesteld wie de daadwerkelijke schutter of schutters zijn geweest.

De vraag waar het hof zich thans voor ziet gesteld is of er sprake is geweest van medeplegen van de bewezen verklaarde feiten, in het bijzonder de bedreiging. Deze vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden maar vergt een beoordeling van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. Om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen, dient sprake te zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte(n) bij het plegen van het feit, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip, waarbij overigens aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het accent ligt op de samenwerking en de verdachte moet in ieder geval een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het delict voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Het is niet van belang dat men van tevoren weet wat er gaat gebeuren en dat de verdachte op de hoogte is geweest van de precieze gedragingen van zijn mededader(s), laat staan dat de verdachte van alle voorbereidingen op de hoogte moet zijn geweest. Maar dat doet niet af aan de eis van de nauwe en bewuste samenwerking en dus ook van minstens voorwaardelijk opzet op de grote trekken van het handelen van de mededader(s).

Het hof overweegt dat de verdachte blijkens de bewijsmiddelen deel heeft uitgemaakt van een groep die bij een onbekend gebleven persoon in Nederland hennepplanten heeft weggenomen (een zogenaamde ripdeal), onder medebrenging van onder meer vuurwapens, munitie en voor het vastmaken/binden gebruiksklare tiewraps. Verdachte heeft derhalve blijkens de bewijsmiddelen met anderen bewust deelgenomen aan een beroving waarbij voorafgaand, blijkens de aanwezige wapens en andere attributen, werd geanticipeerd op mogelijk gebruik van geweld of dreiging met geweld. Na de beroving zijn in ieder geval vier personen van voornoemde groep, waaronder verdachte, met de Volkswagen Transporter met daarin de geroofde hennepplanten gaan rijden.

Blijkens de verklaringen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] bleek bij een kentekencontrole dat de betreffende Volkswagen Transporter als gestolen stond gesignaleerd, waarna de bestuurder van de bus werd gesommeerd de politiewagen te volgen. Na aanvankelijk daaraan te voldoen heeft de bestuurder van de Volkswagen Transporter plots weer via de vluchtstrook ingevoegd op de snelweg en is met hoge snelheid weggereden. Aansluitend heeft een achtervolging plaatsgevonden waarbij optische en geluidssignalen zijn gebruikt en op de snelweg zijn snelheden bereikt tot 180 kilometer per uur. Daarbij werd ander verkeer met hoge snelheid ingehaald en werd de politieauto meermalen afgesneden om te voorkomen dat de politieauto de Volkswagen zou inhalen. Vervolgens is de Volkswagen de afrit Breda-Noord/Prinsenbeek opgereden en is aan het eind van de afrit door de rechterberm tussen een voor het verkeerslicht stilstaande bestelbus en een hectometerpaal door gereden, terwijl het verkeerslicht rood licht uitstraalde. Daarbij werd tegen de hectometerpaal aan gereden. Op de weg naar Prinsenbeek is de bestuurder op de verkeerde weghelft en tegen het verkeer in gaan rijden met een snelheid van ongeveer 80 tot 100 kilometer per uur waar 50 kilometer per uur is toegestaan. De bestuurder moest op enig moment een tegemoetkomende personenauto met daarachter een motorrijder ontwijken en is abrupt naar links de grasberm ingereden en een aldaar gelegen voetpad opgereden. Vervolgens is de Volkswagen de rotonde opgereden en is bij de derde afslag linksaf geslagen de Beeksestraat in. Direct daarop is door een of twee inzittenden meermalen geschoten met vuurwapens door de achterruit van de Volkswagen, hetgeen hoorbaar en zichtbaar was voor [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte en zijn medeverdachten zijn gevlucht voor de politie en dat zij, gelet op de zich in de bus bevindende goederen, de wijze waarop is gereden en vervolgens is geschoten, koste wat kost wilden ontkomen aan een aanhouding. De vlucht voor de politie en het daarmee gepaard gaande gevaarlijk rijgedrag, alsmede het schieten met vuurwapens vloeien rechtstreeks voort uit het zich niet willen laten betrappen en aanhouden met de gestolen buit. Naar het oordeel van het hof ligt in het genoemde handelen van verdachte en zijn medeverdachten besloten dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten, waaronder de bedreiging.

Of de verdachte zich tijdens de vlucht al dan niet heeft kunnen distantiëren van het vluchtgedrag van de bestuurder, zoals door de verdediging is aangevoerd, doet hieraan niet af. Door met anderen onder andere bewust deel te nemen aan een beroving waarbij voorafgaand, blijkens de aanwezigheid van wapens en andere attributen, werd geanticipeerd op mogelijk gebruik van geweld of dreiging met geweld heeft verdachte zich verbonden aan hetgeen in de uitvoering daarvan besloten lag, te weten een eventuele vlucht waarbij wapengeweld niet zou worden geschuwd. Overigens zijn bij het onderzoek geen aanwijzingen naar voren gekomen waaruit zou volgen dat de verdachte niet met de vlucht en het daarmee samenhangende rijgedrag en het schieten met vuurwapens instemde, mocht hij niet zelf de schutter of een van de schutters zijn geweest. Daarbij neemt het hof tevens het gedrag van de inzittenden in de Volkswagen Transporter in aanmerking na de bedreiging. Getuigen zien vier personen van de bus wegvluchten. Geen van de inzittenden is bij de Volkswagen Transporter gebleven om aan de even later arriverende politiemensen uit te leggen dat hij geen bemoeienis heeft gehad met de gepleegde delicten."

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt onder meer over het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen.

3.2.

Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof onder meer vastgesteld dat de verdachte deel heeft uitgemaakt van een groep van personen die hennepplanten heeft weggenomen (een zogenoemde ripdeal), dat de groep onder meer vuurwapens, munitie en tiewraps met zich voerde, dat na de beroving in ieder geval vier personen van voormelde groep, onder wie de verdachte, in een Volkswagen Transporter met daarin de geroofde hennepplanten zijn gaan rijden, dat de bestuurder van dat busje op enig moment met hoge snelheid is weggereden van een politieauto waarin de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich bevonden, en dat daarna een achtervolging heeft plaatsgevonden waarbij snelheden zijn bereikt tot 180 km per uur en de bestuurder van het busje onder meer de politieauto meermalen heeft afgesneden, tegen het verkeer in is gaan rijden en door een of twee inzittenden van dat busje meermalen met vuurwapens is geschoten door de achterruit van datzelfde busje, hetgeen waarneembaar was voor [verbalisant 1] en [verbalisant 2], terwijl er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte niet met de vlucht en het daarmee samenhangende rijgedrag en het schieten met vuurwapens instemde.

3.3.

Het Hof heeft daaruit niet onbegrijpelijk afgeleid dat de verdachte en zijn mededaders koste wat kost wilden ontkomen aan een aanhouding en zij reeds bij de voorbereiding van de beroving hebben geanticipeerd op mogelijk gebruik van geweld of bedreiging met geweld. Het daarop gebaseerde oordeel van het Hof dat de verdachte en zijn mededaders zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van de bewezenverklaarde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, gelet op de hiervoor onder 3.2 weergegeven vaststellingen van het Hof, toereikend gemotiveerd.

3.4.

Het middel faalt in zoverre.

4 Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2018.